Archief van categorie ‘Collecties’

Zuid-Korea en de Zeeuwse Bibliotheek

maandag, 26 april 2010

Bezoekers uit de hele wereld raadplegen de collectie van de Zeeuwse Bibliotheek: in de bibliotheek zelf of via het internet. Eind vorig jaar kwam een kleine Zuid-Koreaanse filmploeg langs. Nee, niet zomaar, zij waren op zoek naar het verhaal achter het zeventiende eeuwse VOC-schip genaamd de Corea. De zoektocht zou uitmonden in een documentaire op de Zuid-Koreaanse tv.

DSC02582ZB

Enkele weken geleden kreeg ik het resultaat in handen en de dvd ligt nu op mijn bureau. Het is een indrukwekkende en interessante documentaire geworden: niet dat mijn Koreaans zo goed is en dat ik alles begrijp, maar gelukkig zeggen beelden ook heel veel.

Kennen de Koreanen Nederland? Jazeker, en echt niet alleen van voetbalcoach Guus Hiddink. De Nederlander Hendrick Hamel is misschien nog bekender. Kent u deze Hamel? Aan het einde van de 17e eeuw belandde Hendrick als schipbreukeling in Zuid-Korea en beschreef zijn belevenissen in zijn reisjournaal (1653-1666). Er zijn verschillende boeken over hem te lezen.

De Koreanen zijn zeer geïnteresseerd in de eigen geschiedenis en het schip Corea spreekt tot de verbeelding. Wat was het voor schip? Op zoek naar meer informatie kwamen de Koreanen naar het Nationaal Archief in Den Haag, waar het rijke VOC-archief wordt bewaard. Het spoor leidde ook naar Zeeland, naar de Middelburgse maritiem historicus Ruud Paesie en naar de Zeeuwse Bibliotheek. Het bleek dat het schip Corea aan het einde van de zeventiende eeuw op de scheepswerf in Middelburg was gebouwd.

Na een rondwandeling door de kleine straatjes van Middelburg toog het gezelschap naar de Kousteensedijk en toonde Paesie de Koreanen zeventiende eeuwse boeken met teksten over het VOC-schip en gavures van de Middelburgse scheepswerf. Zij gingen terug in de tijd.

DSC02596SM

Heel illustratief bleek een ets van Middelburg uit ‘De nieuwe cronyk van Zeeland’ van Mattheus Smallegange uit 1696. Vooral als je inzoomt op de tekening van Cornelis Goliat van de Middelburgse werf zie je schepen in aanbouw liggen.

Een prachtige kaart uit de atlas van Blaeu, Toonneel der steden van de Vereenighde Nederlanden uit ca. 1649 verlevendigde het beeld en het werd helemaal leuk toen in het boek van C.S. Matthias, Kort gevat Jaarboek uit 1668 het schip de Cornea werd gevonden. Dat moest de Corea zijn!

DSC02594

De dvd met het Koreaanse commentaar wordt binnenkort in de collectie van de Zeeuwse Bibliotheek opgenomen.

Liesbeth van der Doe, Wetenschappelijk medewerker Zeeuws Documentatiecentrum

Verrassende handschriften

dinsdag, 13 april 2010

Samen met collega Liesbeth van der Doe ben ik bezig met het beschrijven van de handschriften die de Zeeuwse Bibliotheek in haar collectie heeft. Dat doe ik met veel plezier en dat komt vooral door de verrassingen die elke keer uit de enveloppes komen.

De laatste maanden waren dat 200 handschriften van dokter Jacobus de Puyt. Hij leefde van 1740-1812 en was een tijdgenoot van de bekende Vlissingse dokter David Henri Gallandat.

De Puyt leefde en werkte in Middelburg, was wat bescheidener dan dokter Gallandat maar zeker niet minder kundig. Ook hij legde zich toe op de verloskunde. Van de 200 handschriften zijn er 160 ‘observaties’ over zware bevallingen waarvan 14 van tweelingen.
Hij beschrijft steeds waar hij naartoe gaat: Op 25 mei geroepen bij een bevalling op de Kousteensedijk. De ene keer met een goede afloop:  Moeder en kinders waren de 9e dag seer welvarende”.  Andere keren werd er een dood kind geboren of overleefde de moeder de bevalling niet.

Ook bijzonder zijn de brieven van  Abraham Beeckman, de vader van Isaac Beeckman, de bekende natuurwetenschapper uit de 17e eeuw. Abraham Beeckman kwam uit Engeland en was kaarsenmaker. Verder was hij actief in de nog jonge protestantse kerk van Middelburg. Hij had een uitgesproken mening over het dopen van kinderen.  Er zijn brieven van Philips van Landsberghe en Antonius Walaeus aan Abraham Beeckman. Brieven van Abraham Beeckman aan o.a. Herman Faukelius, aan Antonius Walaeus en aan de Kerkenraad. Walaeus speelde een bemiddelende rol bij een conflict met de kerkenraad met als gevolg dat Abraham Beeckman tot ouderling benoemd werd.

Ertussen zat ook het oudste handschrift dat wij tot nu tegenkwamen: Een brief uit 1597, weliswaar zwaar beschadigd, maar toch… erg bijzonder om in handen te hebben! (HS 5067)

briefuit1597

Het toetje is een mooi cahier met daarin tekening van tafelschikkingen bij dinées en soupées. Op de getekende schotels staan de gerechten: gestoofde ‘cabeljouw’, ‘desert’, eendeborst, duifjes, etcetera.

tafelschikking

Cocky Klaver, Zeeuws Documentatiecentrum

Maria Sibylla Merian

woensdag, 7 april 2010
silkmoth

Silkmoth

Voor een vrouw die eind 17e, begin 18e eeuw leefde, was Maria Sibylla Merian bijzonder avontuurlijk en zelfstandig te noemen.

Een paar hoofdlijnen uit haar levensloop:
(Anna) Maria Sibylla Merian (Frankfurt am Main, 2 april 1647 – Amsterdam, 13 januari 1717) was een Duitse kunstenares en entomologe. Ze bestudeerde planten en insecten en maakte daar gedetailleerde tekeningen van. Haar observaties en documentatie van de metamorfose van rupsen tot vlinders zijn een belangrijke, -zij het niet algemeen bekende- bijdrage aan de entomologie. Zij was voor zover bekend de eerste die de insecten tekende samen met de plant waar ze op gedijden.

Merian had op jonge leeftijd al belangstelling voor insecten, vooral de metamorfose van rupsen tot vlinders, aanvankelijk zijderupsen. Ze kweekte zelf rupsen om te zien welke vlinder er uit kwam. In 1679 verscheen ‘Der Raupen wunderbare Verwandlung und sonderbare Blumennahrung’ (‘Over de wonderbare verandering van de rupsen en (hun) merkwaardig bloemenvoedsel’). In 1685, na onenigheid binnen de familie over de verdeling van de boedel van haar overleden stiefvader (vrouwen konden in de 17e eeuw niet zelf erven, als ze getrouwd waren ging alles automatisch naar de man), en misschien ook door verschillen in religieus inzicht, verliet ze haar man. Ze trok met haar moeder en dochters naar het landgoed Walta-state in Friesland (Wieuwerd).

Jean de Labadie

Jean de Labadie

Het slot was eigendom van Cornelis van Sommelsdijck, de gouverneur van Suriname. In het slot was een woongroep gevestigd van de Labadisten, een religieuze groepering die leefde naar de ideeën van (de inmiddels al overleden) Jean de Labadie. Ze moesten hun wereldse bezittingen opgeven aan de commune en een huwelijk met iemand van buiten de commune werd niet erkend. Ze ging in deze periode door met het bestuderen van insecten en maakte voor het eerst kennis met de Surinaamse natuur (de labadisten hadden een plantage in Suriname, waar Van Sommelsdijck gouverneur was, La Providentia (De Voorzienigheid).

Merian verhuisde een paar jaar later naar Amsterdam. Daar kreeg ze vooral door haar rupsenboek snel contact met andere natuurliefhebbers en -onderzoekers, waardoor ze ook toegang kreeg tot volières, rariteitenkabinetten en oranjerieën van rijke particulieren zoals de burgemeester van Amsterdam, Nicolaas Witsen, en Frederik Ruysch, met zeldzame vogels en planten. Haar belangstelling voor de exotische natuur van de tropen werd mede door deze tuinen verder aangewakkerd.

Maria Sibylla maakte op 52-jarige leeftijd een reis naar Suriname samen met haar jongste dochter, Dorothea Maria Graff. Vanuit de hoofdstad Paramaribo trokken de vrouwen in diverse excursies het binnenland in. Ze documenteerde alles wat ze over de metamorfose van tropische insecten kon ontdekken en maakte een groot aantal tekeningen en aquarellen. In 1701 werd ze ziek en moest naar huis terugkeren samen met haar dochter. Haar tekeningen en schetsen dienden nu als bron voor een prachtwerk in groot formaat over de Surinaamse flora en fauna. Met behulp van verschillende Amsterdamse kopergraveurs verscheen het boek in 1705 in Amsterdam. Haar hoofdwerk is getiteld: Metamorphosis insectorum Surinamensium.

In 1714 of 1715 kreeg ze een beroerte en moest zich daarna per rolstoel verplaatsen. De laatste tweeënhalf jaar van haar leven heeft zij hierdoor niet of nauwelijks kunnen werken. Haar dochters hebben haar werk voortgezet.

Tsaar Peter de Grote kocht toen hij in Nederland woonde rond 1716 een aantal van haar werken die zich tegenwoordig in de collectie van de wetenschapsacademie in de Hermitage bevinden. Bij haar overlijden werd ze in het overlijdensregister gekenschetst als ‘arm’, maar kreeg wel een eigen graf. (bron:  Wikipedia)

Zie hier een portret van Maria Sybilla Merian.

In de collectie van de Zeeuwse Bibliotheek is één van haar originele werken opgenomen:

Sphinxmoth

Sphinxmoth

Der rupsen begin, voedzel en wonderbaare verandering … naauwkeurig onderzogt, na ’t leven geschildert, in print gebragt, en in ’t kort beschreven / door Maria Sibylla Merian. – Amsterdam : Gerard Valk, 1713.

Een herdruk uit 1982 in ook aanwezig in de collectie van de Zeeuwse Bibliotheek:
Metamorphosis insectorum Surinamensium, of, De verandering der Surinaamse insecten = Metamorphosis of the insects of Surinam / door Maria Sibylla Merian ; vert. door P.A. van der Laan. – Zutphen : De Walburg pers, 1982.

En een bijzondere uitgave uit 1978, over hoe rupsen vlinders worden. In een beperkte oplage van 500 exemplaren uitgebracht:

The wondrous transformation of caterpillars : fifty engravings selected from ‘Erucarum ortus’ (1718) / by Maria Sibylla Merian ; with an introduction by William T. Stearn. – London : Scolar press, 1978.

Haar veelbewogen leven inspireerde enkele (vrouwelijke) auteurs tot het schrijven van een roman:

De vlindervrouw : Maria Sibylla Merian : historische roman / door Dieuwke Winsemius. – Kampen : Kok, [1993].

Maria Sibylla : een ongebruikelijke passie : roman / Inez van Dullemen. – Amsterdam : De Bezige Bij, 2001.

Die Falterfrau : Maria Sibylla Merian : biographisher Roman / Utta Keppler. – Heilbronn : Salzer, cop. 1997.

Marlies Jongejan, hoofd afdeling Informatiediensten en Collecties.

De tranen van Kuif den Dolder

dinsdag, 30 maart 2010

nico2

Jarenlang ontving Nico Dijkshoorn zélf schrijvers op literaire avonden in de Amstelveense bibliotheek. De huisdichter van De Wereld Draait Door met zijn onstuitbare stroom aan gedichten, columns en verhalen beleeft tegenwoordig vooral de andere kant.  Hij begon daarom zijn optreden als gast van Stichting Literaire Activiteiten Zeeland (SLAZ) met een hilarisch verhaal over de literaire avonden avonden in de Noord-Hollandse bibliotheek. “Ik heb heel wat schrijvers aan me voorbij zien trekken. Altijd was er weer die angst dat er maar drie mensen kwamen opdagen. Zoals bij het bezoek van de vorige week overleden streekromanschrijfster Margreet van Hoorn”. Blind geboekt door de directrice – aldus Dijkshoorn – die voor een vrijwel lege zaal leek te zullen optreden. “Dus moesten wij als personeel incognito komen opdraven”. (Bron:  inleiding artikel  Rolf Bosboom, PZC)

In de Zeeuwse Bibliotheek beslist geen lege zaal, maar een goed gevulde met een wat jonger publiek dan gebruikelijk op SLAZ-avonden. Dijkshoorn (Amsterdam, 15 mei 1960) timmert al vanaf 1999 aan de weg als internetcolumnist onder het pseudoniem Doordevil, maar zijn doorbraak naar een breder publiek kwam toen hij door de Volkskrant werd uitgenodigd een sportcolumn te schrijven. Daarnaast levert hij tekstbijdragen aan satirische tv-programma’s en draagt actuele gedichten voor in DWDD. Zijn sonore stem en ironische stijl verraden een geschoold discipel van Gerard Reve.

Dijkshoorn schertst en is vooral hip. Hij blogt en twittert. Hij maakt muziek. Hij is niet meer weg te denken uit de columns van OOR en Hard Gras. Een veelzijdig ex-bibliothecaris. Zijn eigentijdse en actuele gedichten zijn intrigerend, maar wat mij vooral naar de SLAZ-lezing op dinsdag 23 maart trok, was de publicatie van een heuse roman die vorig jaar verscheen.

kuif

De tranen van Kuif den Dolder: roman over de beste voetballer van Nederland

Op een dag was hij er gewoon: Kuif den Dolder, misschien wel de beste voetballer die Nederland heeft gekend. Een stille, dromerige jongen die graag naar de bomen keek en over knaagdieren las, maar tegelijkertijd een fenomenaal talent had voor de bal. Hij bracht de toeschouwers in Uffelte in vervoering, maar bleef zowel op als buiten het veld voor iedereen een raadsel. In De tranen van Kuif den Dolder gaat Nico Dijkshoorn op zoek naar deze legende die net geen legende werd.

Persrecensies beloven mij een “aaneenschakeling van prachtige herkenbare voetbalromantiek, dolkomisch en tegelijkertijd ontroerend”. “Leuker zal een boek over voetbal nooit worden”, beweert AD Sportwereld.  Aangezien ik de afgelopen 40 jaar geen enkel voetbalboek heb gelezen (lees: mijn hele leven), amper het verschil weet tussen de Champions League en de Uefacup en evenals als de journalist van Langs de Lijn in de veronderstelling verkeerde dat Kuif den Dolder een welbestaande voetballer was geweest van vlees en bloed, geboren en getogen in Uffelte (Uffelte? Begin te twijfelen of dat dan wél bestaat, ben nu op mijn hoede) werd mijn nieuwsgierigheid gewekt. Ik besloot in een opwelling Kuif te kopen en liet het zelfs, alsof ik een doorwinterde voetballiefhebber was, signeren. Voor Janette, van Nico. 23 maart 2010 . Tja.  Had het natuurlijk ook voorzichtig kunnen lenen.

Janette Zuydweg, vakreferent kunst/ rechtswetenschap/ bibliotheekwetenschap

Zeeuwse bekendheden nog meer in beeld

woensdag, 17 maart 2010

Dankzij verschillende medewerkers van het Zeeuws Documentatiecentrum raakt er steeds meer informatie over Zeeuw(s)en gebundeld. We combineren nieuwe zoekmethoden. We voeren steeds meer gegevens in. Zo verschijnt er in onze collectie gestaag een steeds duidelijker beeld van bekende Zeeuwen.

Er zijn recent een paar projecten afgerond; andere zijn nog aan de gang. De personendossiers zijn beschreven, de handschriften worden ingevoerd, gelegenheidsgedichten zijn ontsloten, en veilingcatalogi zijn voortaan goed terug te vinden. Zo komt op meerdere manieren meer informatie over bepaalde personen naar voren. We krijgen een steeds vollediger beeld van mensen die onze provincie gevormd hebben tot wat ze is. En dat allemaal op basis van materiaal uit de Zeeuwse Bibliotheek.

Er bestonden natuurlijk al eerder biografieënverzamelingen. Het eerste grote initiatief in die richting kwam van Pieter de La Rue, die in 1734 ‘Geletterd Zeeland’ schreef, in 1736 gevolgd door ‘Staatkundig en heldhaftig Zeeland’. Ruim een eeuw later kwam Frederik Nagtglas met ‘Levensberichten van Zeeuwen’ als vervolg op zijn grote voorganger. De ‘Encyclopedie van Zeeland’, onder redactie van M.P. de Bruin verschenen van 1982-1984, nam gegevens uit beide werken over en voegde beschrijvingen van nieuwe personen toe.

In onze catalogus was ook vanouds al een heleboel terug te vinden. We maakten het publiek altijd al duidelijk dat ze informatie over personen op twee manieren uit de catalogus kunnen halen: enerzijds door te zoeken op auteur (dus een lijst met gedrukte werken, boeken en tijdschriftartikelen die de betreffende figuur zelf geschreven heeft), anderzijds door te zoeken op trefwoord (“Dan heeft u boeken over hem of haar”).

Waar het wel eens aan schortte, was de eenvormigheid. Bij de auteurs kon je bijvoorbeeld zoeken op: Rue, Pieter de La, La Ruë Pieter de, De la Rue, P. en nog vele andere varianten. Zodoende kan iemand die op zoek is, bepaalde naamsvormen over het hoofd zien en daardoor heel wezenlijke publicaties missen.

Als coördinator van het Zeeuwse gedeelte van de catalogus probeer ik dit soort oneffenheden zoveel mogelijk recht te trekken. Dit geldt trouwens ook voor Zeeuwse organisaties, zoals stichtingen, verenigingen en instellingen. Het werk is nog lang niet afgerond; het blijft aan verandering onderhevig, maar we proberen het bij te houden.

Kijken we nu bij bijvoorbeeld bij Johannes ab Utrecht Dresselhuis (1789-1861), gemeente-archivaris van Goes, dan vinden we op (Zeeland)trefwoord een aantal publicaties die over hem verschenen zijn, een documentatiemap (personendossier), de catalogus van zijn huisbibliotheek en handgeschreven brieven. We hebben op het moment maar liefst 209 auteurswerken die onder zijn naam staan. Waaronder boeken, tijdschriftartikelen, handschriften, en brieven die aan hem gericht zijn.

Predikant Jacobus Willemsen

Predikant Jacobus Willemsen

Bij predikant Jacobus Willemsen (1698-1780) vinden we prekenbundels, handschriften en brieven (door hemzelf geschreven), benevens redevoeringen (over hem), bibliotheekcatalogi, gelegenheidsgedichten, en een kopergravure.

Zo sluit zich letterlijk het (inter)net om onze meer of minder beroemde Zeeuwen. Het is natuurlijk zaak dat ze overal onder dezelfde noemer te vinden zijn. Dus dat het trefwoord niet van de auteursvorm afwijkt. Wat is de meest bekende naamvorm van iemand? De bovengenoemde standaardwerken zijn niet altijd meer actueel, en spreken elkaar soms tegen. Je kunt ‘googlen’ en kijken wat het meeste voorkomt. Dikwijls beschouw ik de voorkeursvorm die Picarta aanbiedt als gezaghebbend. Dan zit je tenminste op één lijn met de rest van het land. Ook dit is geen statisch gegeven, want inzichten kunnen weer veranderen. Als dan meteen ook maar alles consequent verandert.

Tresoar, het Fries Historisch en Letterkundig Centrum in Leeuwarden, heeft een mooie website onder de titel: ‘Friese schrijvers, bio- en bibliografische schetsen’. Van iedere auteur vindt u daar een korte levensbeschrijving, aangevuld met een literatuurlijst en mogelijkheden om door te klikken. Zoiets zou natuurlijk voor Zeeland ook erg mooi zijn. En als we dan een verbinding tot stand brengen met wikipedia, staan onze grote Zeeuw(s)en ook op de wereldkaart …

Marinus Bierens, vakreferent & coördinator catalogus Zeeuws Documentatiecentrum

Oude Gerritsz-orgel: Middelburg of Utrecht?

maandag, 8 maart 2010

In de media wordt veel aandacht besteed aan het oude orgel van de Nicolaïkerk te Utrecht. Er vindt een landelijke discussie plaats over de toekomst van dit orgel.

Aangezien het voor de Zeeuwse orgelliefhebber ook belangrijk is wat er met dit orgel gaat gebeuren -de kas van dit orgel bevindt zich namelijk in de Koorkerk te Middelburg- leek het mij goed om vanuit de Zeeuwse Bibliotheek aandacht aan dit onderwerp te besteden.

De Zeeuwse Bibliotheek heeft in de muziekcollectie een zwaartepunt op het gebied van orgelmuziek en literatuur over orgel en participeert samen met de Stadsbibliotheek Haarlem in het Kenniscentrum voor orgelmuziek : orgelmuziekweb

Waarom is dit orgel zo belangrijk en waarom kwam er een landelijke discussie op gang over dit orgel?

Het oorspronkelijke orgel van de Utrechtse Nicolaïkerk is het oudste orgel van ons land. Het werd in 1479 gebouwd door Peter Gerritsz. In 1547 vernieuwde Cornelis Gerritsz het bovenwerk en voegde een rugpositief (het voorste gedeelte van het orgel) toe. In de 17de en 18de eeuw werkten onder anderen Dirck Petersz de Swart, Jacob Jansz van Lin, Galtus van Hagerbeer, Johan Nicolaas Heerman en Christian Mueller aan het instrument. In 1886 kreeg de Nicolaïkerk een nieuw orgel. Het oude orgel werd overgebracht naar het Rijksmuseum, waar het tot 1940 hing. Het orgel was echter niet bespeelbaar.  Bij de ontruiming van het Rijksmuseum (wegens de dreigende oorlog) werd het orgel gedemonteerd en opgeslagen, waarna de kas in 1952 in bruikleen werd gegeven aan de Koorkerk in Middelburg.

Inmiddels zijn er concrete plannen om de kas in de Nicolaïkerk te herenigen met het binnenwerk en het instrument weer bespeelbaar te maken. Veel orgelliefhebbers kijken hier naar uit. Er zijn ook groeperingen die het orgel liever niet willen laten restaureren.

De bezwaren komen met name van de gebruikers van de Koorkerk. Zij menen dat alleen al het bespeelbaar maken teveel schade aanbrengt aan het orgel. Een alternatief is een goede replica…middelburg_koorkerk6

Ik ben zeer benieuwd hoe deze discussie zich ontwikkelt, het laatste woord is hier nog niet over gezegd.

In dit kader wil ik de (orgel)liefhebber nog attent maken op het prachtige boek dat eind 2009 is uitgekomen in de serie ‘Nederlandse Orgelmonografieën’: ‘Het oude orgel van de Nicolaïkerk te Utrecht. Kroongetuige van de Nederlandse muziekgeschiedenis’. Dit boek is een eerbetoon aan dit fascinerende orgel, dat getuigenis aflegt van de allervroegste Nederlandse orgelbouw.

Het boek is opgenomen in de muziekcollectie van de Zeeuwse Bibliotheek.

Ik kan het van harte aanbevelen.

Rea Bensch, domeinspecialist muziek

Alle boeken in de kluis zijn beschreven

maandag, 28 december 2009

Vanochtend, 24 december 2009, heb ik de laatste niet beschreven boekwerken in de kluis op de catalogus ingevoerd. Daarmee werd op de laatste werkdag voor de vrije kerstdagen een project van exact achttien jaar afgerond. Kluis Zeeuwse BibliotheekWant precies op vrijdag 27 december 1991, de eerste werkdag ná de vrije kerstdagen, was ik begonnen met het invoeren van het boekmateriaal in de kluis van de Zeeuwse Bibliotheek. Een deel van de collectie was op papieren werkbladen beschreven, een ander deel was enigszins bekend bij de conservator, en een ander deel was zelfs niet geïnventariseerd. Dat had vooral te maken met de vernietiging en beschadiging van het oud bezit ten gevolge van het bombardement in 1940.

Waarom zo een merkwaardige datum, 27 december? Ik was destijds werkzoekende. Het project was mij aangeboden via het arbeidsbureau. Deze werkervaringsplaats moest per se nog in 1991 beginnen. Anders kreeg de bibliotheek geen subsidie om mij dat jaar te kunnen betalen. Het project gold als een manier om ergens een vaste aanstelling te krijgen. Dat is uiteindelijk ook gelukt. Na achttien jaar houd ik me nog steeds met die zelfde oude boeken bezig, en is een van mijn functies die van assistent conservator.
In het begin bestond mijn taak eruit om de gegevens van de werkbladen om te zetten naar de GGC (nu meer bekend als Picarta) en naar de Vubis-catalogus. Na enkele jaren ervaring opbouwen en GO-cursussen volgen, begon ik ze gewoon zelf te beschrijven. Het jaar 1992 kon ik nog volledig aan dit project wijden. De afgelopen jaren heb ik me acht uur per week met deze taak kunnen bezighouden.
In 2002 heeft een collega een standcontrole in de kluis gehouden. Hij noteerde welke boeken er beschreven waren, en welke nog niet. Dat bleken er planken, ja kastwanden vol te zijn. Vandaar dat de resultaten van die kastcontrole pas vandaag volledig verwerkt zijn.

Marinus Bierens
assistent conservator

donderdag, 17 december 2009

Gepassioneerd van Tchaikovsky: Tchaikovsky 6.1 door Peter Boyer

Tchaikovsky 6.1. uitgevoerd door Peter Boyer

Tchaikovsky 6.1. uitgevoerd door Peter Boyer

Eén van de meest indrukwekkende symfonieën uit de 19de eeuw moet wel de Zesde van Tchaikovsky zijn. De totstandkoming van het werk ging niet over rozen- Tchaikovsky werd geplaagd door depressieve buien die ervoor zorgden dat hij in 1891 de eerste schetsen van de symfonie verscheurde en weggooide. Maar twee jaar later was hij tevreden over het werk en schreef aan zijn broer: “Ik ben nu volledig door het werk in beslag genomen… en ik kan me er bijna niet van losrukken. Ik geloof dat het één van mijn beste werken zal worden. Ik moet het zo snel mogelijk klaarmaken, want ik moet een heleboel zaken regelen en binnenkort naar Londen vertrekken. Ik heb je verteld dat ik een symfonie had geschreven die mij van het ene op het andere moment helemaal niet beviel, en ik verscheurd had. Nu heb ik een nieuwe symfonie gecomponeerd die ik zeker niet zal verscheuren.”

De “Pathétique”, zoals we deze Symfonie nr. 6 Op. 74 kennen, heeft zijn naam te danken aan de eerste uitgevers van het werk. Het is niet zeker of Tchaikovsky zelf deze naam gekozen zou hebben, omdat het Russische woord Patetičeskaja een andere betekenis heeft dan het Franse woord Pathétique, namelijk “gepassioneerd” of “emotioneel”- in tegenstelling tot “droevig” of “meelijwekkend”. Maar hoe dan ook, deze symfonie laat de gevoelens van de toehoorder niet onberoerd.

Dit brengt ons naar Tchaikovsky 6.1 van de Amerikaanse componist Peter Boyer. Tchaikovsky’s symfonie eindigt met wegstervende contrabassen, die met symbolische hartslagen het einde van het leven lijken te verkondigen. Boyer’s Tchaikovsky 6.1. begint met eenzelfde sfeer: de laatste pagina van Tchaikovsky’s partituur wordt achterstevoren gespeeld. Als het ware een wederopstanding.

De noten worden letterljk andersom gespeeld: een dalend interval wordt een stijgend interval, en wat wegstierf, krijgt nu geleidelijk meer kracht. Dit geeft een klankbeeld dat heel duidelijk niet uit de tijd van Tchaikovsky komt, ofschoon het er wel aan gerelateerd is. Het leidt naar een akkoord dat nieuw muzikaal materiaal presenteert, met instrumenten die niet in de Pathétique aanwezig zijn: klokkenspel, vibrafoon, harp en celesta. En zo ontwikkelt de muziek zich als een muzikaal antwoord op de symfonie, met muzikale lijnen, fragmenten en akkoorden die herinneringen oproepen aan deze grootse muziek, ermee in verbinding staan over meer dan een eeuw heen.

Het is de moeite waard om deze CD te lenen bij de Zeeuwse Bibliotheek.

Plaats in de kast: 00/TCHA

Els van de Wijdeven-Millenaar, muziekafdeling

Vlissingse Courant op krantenbankzeeland.nl

donderdag, 1 oktober 2009
Logo Krantenbank Zeeland

Logo Krantenbank Zeeland

De Vlissingse Courant is sinds enkele weken opgenomen in www.krantenbankzeeland.nl.
De krant verscheen –weliswaar aanvankelijk onder een andere naam- vanaf 1802 en werd in 1940 opgenomen in de Middelburgsche Courant, die enkele jaren daarna werd omgedoopt in Provinciale Zeeuwsche Courant. Met de plaatsing van de Vlissingse Courant (ruim 120.000 pagina’s) is www.krantenbankzeeland.nl de op één na grootste krantenbank van Nederland en telt ruim 384.000 pagina’s. Beschikbaar zijn de jaargangen 1835 t/m 1849 en 1872 t/m 1938.

Vlissingse Courant

Vlissingse Courant

De (Zeetijdingen en de) Vlissingse Courant verscheen vanaf 1802, maar zou pas vanaf 1835 regelmatig, twee maal per week, verschijnen. Aanvankelijk bestond de inhoud uit mededelingen van de stadsregering, nieuwstijdingen, mengelingen, advertenties en zeetijdingen over de vaart op Antwerpen. Vanaf 1839 kreeg de courant een uitgesproken politiek karakter. Zo werd er geprotesteerd tegen de wijze waarop de grondwet tot stand kwam en kregen de Middelburgsche- en de Goessche Courant er van langs in de commentaren. Wel leverden die beledigingen de krant enige processen op.

In 1843 en later jaren was de krant een spreekbuis van liberalen zoals D. Donker Curtius en P.L.F. Blussé. In 1849 hield de krant opnieuw op te bestaan, maar in 1861 werd, onder ultra-katholieke signatuur, het Vlissingsch Weekblad opgericht. Vanaf 1872 werd het weekblad opnieuw onder de naam Vlissingsche Courant voortgezet en werd het weer een krant.

Links:
www.krantenbankzeeland.nl
http://zoeken.krantenbankzeeland.nl/?krant=vco (zoeken in de Vlissingse Courant)

Johan Francke, Zeeuws Documentatiecentrum.

De eerste bijbel

donderdag, 30 juli 2009

 De Delftse Bijbel uit 1477 is de eerste Nederlandstalig gedrukte bijbel en tevens het oudste boek dat in de Nederlandse taal is geschreven. Dat we hier te maken hebben met een van de oudste boeken uit de Nederlanden blijkt uit het feit dat de boekdrukkunst in 1473 haar intrede deed bij ons en wel in het Oost-Vlaamse Aalst. Jacob Jacobssoen vander Meer en Mauricius Yemantszoen van Middelborch, beiden werkzaam in Delft, drukten het werk.

De Delftse Bijbel bevat het Oude Testament, inclusief de deuterocanonieke of apocriefe boeken maar exclusief de Psalmen; deze bijbelboeken zijn waarschijnlijk weggelaten omdat daarvan al vrij veel manuscripten in omloop waren, en de Delftse Bijbel ook zonder deze bijbelboeken omvangrijk en dus duur was.

De tekst is een anonieme bewerking van een ook al weer anonieme vertaling: de ‘Historiebijbel van 1360’. Het werk beslaat 1281 pagina’s en is gebonden in twee delen met bijna 640.000 woorden. De onervarenheid met het zetten blijkt uit het grote aantal zetfouten.

pagina uit Delftse bijbel

pagina uit Delftse bijbel (bezit Zeeuwse Bibliotheek)

 

Wat opvalt bij het openslaan van het boek is het ontbreken van een titelpagina. Dit geeft aan dat het boek nog de uiterlijke vormgeving van de handschriftelijke traditie vertoont. Dit verschijnsel is terug te vinden in de beginperiode van de boekdrukkunst (1450-1501). Handschriften hadden geen afzonderlijke titel maar eindigden meestal met gegevens over de auteur, de inhoud van het werk, de tijd van ontstaan en de voltooiingsdatum van het afschrift. Komt nu zo’n colofon aan het einde van een vroege druk voor, dan heeft het de functie die later door de titelpagina voorin het boek wordt vervuld, alleen komt nu in plaats van de naam van de afschrijver van het handschrift de vermelding van naam en woonplaats van de drukker.

De gezette tekst is in de meeste exemplaren versierd door rubricatoren – opnieuw een gewoonte die stamt uit de handschriftelijke traditie. Deze rubricatoren versierden de tekst met rood en blauw en voegden kopteksten, paragraaftekens en initialen toe om de tekst enigszins te structureren, ze zijn als het ware de enige ordening binnen de tekst, die verder als een dicht blok in twee kolommen is gezet – ook een handschriftelijke traditie. Deze handmatig aangebrachte versieringen maken ieder exemplaar per definitie uniek.

Deze onderneming, het uitgeven van een tweedelige bijbel, was een gigantische en kostbare aangelegenheid. Men mag dan ook aannemen dat er in ruime mate eigen en geleend kapitaal aanwezig was. Dat onze beide drukkers een vennootschap aangingen heeft er wellicht mee te maken, op die manier verkleinden ze het risico; compagnonschappen in de drukkerswereld kwamen in die tijd regelmatig voor.

Van het tweetal weten wij niet meer dan dat Jacob Jacobszoon vander Meer naar alle waarschijnlijkheid een zakenman uit Delft was en verwant aan de gefortuneerde familie Vander Meer, zodat hij dus over middelen kon beschikken voor de aankoop van papier en de inrichting van de drukkerij. Van Mauricius Yemantszoon van Middelborch weten we eigenlijk helemaal niets. Hij moet een Zeeuw van geboorte zijn geweest, gezien de plaatsnaam en de naam Yemantszoon, hetgeen zoon van Iman betekent, een typisch Zeeuwse voornaam.

In het colofon komen, onder het  stadswapen van Delft, van beiden zowel hun namen als hun familiewapens voor. Het rode schild met drie waterleliebladen is van Van der Meer, het andere van Yemantszoon.

Karwei

Omdat de uitgave zo’n geweldig karwei was moet er een behoorlijke voorbereidingsperiode aan vooraf gegaan zijn. Boekhistorici zijn tot de conclusie gekomen dat de Delftse drukkerij 2 personen in dienst had die elk door minstens 2 gezellen werden geholpen. Ondanks deze behoorlijke bezetting schat men dat het zetten en drukken ruim een jaar heeft geduurd, dus moet men er in oktober 1475 aan begonnen zijn. Daaraan vooraf ging dan nog de fase van het ontwerpen, snijden en gieten van ongeveer 18.000 letters en het werk van de vertaling en alles wat daarmee samenhing. Dus moet men concluderen dat reeds in 1474, zo niet eerder, een begin gemaakt is met deze onderneming om in 1477 de uitgave het licht te doen zien.

Hoe groot de oplage is geweest is moeilijk na te gaan. Wel is bekend dat het aantal bewaarde exemplaren groot is, zo’n 50 in totaal. Deze zijn thans voor het grootste deel in het bezit van bibliotheken, genootschappen en stichtingen in Nederland en andere Europese landen, en verder aanwezig in Amerikaanse en Russische verzamelingen; een enkele particulier heeft dit boek nog in zijn verzameling. Een ruwe schatting van de oplage, ook als men kijkt naar vergelijkbare oplagecijfers in omringende landen, zal liggen tussen de 225 en 275 exemplaren.

 

pagina uit Delfste bijbel

pagina uit Delftse bijbel (bezit Zeeuwse Bibliotheek)

Hoe duur het boek bij verschijnen was is eveneens moeilijk te bepalen. Men mag wel aannemen dat de aanschaf van deze uitgave voorbehouden was aan de beter gesitueerden en dan moeten we toch denken aan een prijs die in de richting gaat van de 10 à 15 middeleeuwse guldens, een fors bedrag, een arbeider verdiende toen een of twee stuiver per dag.

 

Het boek, hoewel niet echt zeldzaam, wordt zelden op de vrije markt, dus antiquarisch aangeboden. De huidige waarde, afhankelijk van de staat waarin het verkeert, wordt geschat op 25 à 40.000 euro; een puntgaaf exemplaar kan 50.000 euro opbrengen. Het exemplaar van de Zeeuwse Bibliotheek heeft helaas enigszins geleden onder de brand van 1940: de originele banden zijn verloren gegaan en van deel 1 ontbreken de laatste 9 bladen.

Het hierboven besproken exemplaar is afkomstig uit de zogenaamde Kerkelijke Bibliotheek van de Hervormde Gemeente Middelburg, die in september 1861 aan de toenmalige Provinciale Bibliotheek in bruikleen werd gegeven.

Digitalisering

In 2006 zijn de pagina’s van de Delftse Bijbel ingescand door het Nederlands Bijbelgenootschap en op internet geplaatst, zodat de tekst voor iedereen toegankelijk is. De tekst was niet doorzoekbaar omdat het alleen afbeeldingen waren.

In 2008 is daarom gewerkt aan een digitalisering van de tekst van de Delftse Bijbel. Vrijwilligers uit het Bijbeldigitaliseringsproject hebben de tekst met de hand overgetypt en gecorrigeerd. Op 18 juli 2008 werd de gedigitaliseerde versie openbaar gemaakt. Op de website www.BijbelsDigitaal.nl kunnen de scans en de tekst naast elkaar bekeken worden.

 Ronald Rijkse, conservator.