Archief van categorie ‘Erfgoed’

Stadsvlag of stadsgeus? (deel 2 in de Middelburgse vlaggenkwestie)

dinsdag, 4 april 2017

Mijn weblog van gisteren maakte nogal wat los in het Middelburgse stadhuis en daarbuiten. Het was toch geenszins mijn bedoeling geweest er een sensatieverhaal van te maken,[1] hooguit de historische context wat beter te duiden.

Woordvoerster Trude Northolt van de Gemeente Middelburg reageerde gisteren adequaat op vragen van de provinciale krant en stelde: ‘Op 22 april 1974 is de rode vlag met de gouden burcht officieel als gemeentevlag vastgesteld. Op 30 april 1975, Koninginnedag, wapperde die voor het eerst vanaf openbare gebouwen.’ De vlag heeft thans dus een officiële status. Hoe de stad daartoe gekomen is valt te lezen in de Faam van 21 mei 1975. In de raadsvergadering van 30 november 1973 werd een voorstel aan de Hoge Raad van Adel besproken waarbij werd gesteld: ‘Momenteel is in gebruik een niet officiële vlag die drie horizontale banen telt, van boven naar beneden resp. geel, wit en rood gekleurd. In november 1963 heeft het toenmalige college van b. en w. al een verzoek gericht aan de Hoge Raad van Adel om van Advies te dienen over het voeren van een verantwoorde vlag, in het midden van de stad of broekzijde beladen met een burcht’. Dat laatste werd namelijk passend geacht. Die vlag, die er een jaar later kwam, is dus geënt op het stadswapen en wapen en vlag zijn twee verschillende zaken.

Uit het citaat komen echter twee interessante zaken naar voren: a) Middelburg heeft voor 1974 zijn vlag nooit officieel laten vaststellen en b) de stad heeft zelf het verzoek bij de Hoge Raad van Adel ingediend om een stadsvlag op basis van het stadswapen met de burcht te ontwerpen. Zeer benieuwd ben ik dan ook of de Hoge Raad van Adel in zijn rapport aandacht besteedt aan de geschiedenis van de stadsvlaggen die in de loop van de historie, met name in de tijd van eind zestiende eeuw tot en met de 20ste eeuw zijn gebruikt of dat hier alleen over de heraldische oorsprong van het stadswapen zelf wordt gesproken.

Een van de oudste voorbeelden van de stadsvlag (vlaggenboeken komen voor eind zeventiende eeuw niet voor) komt uit een manuscript gedateerd rond 1669-1670, dat beschreven is door K.L. Sierksma. De Middelburgse vlag heeft hier wederom drie banen, maar nu in de kleuren groen-wit-blauw! Omdat dit de enige bron met die kleuren is wordt er overigens sterk aan getwijfeld of deze vlag wel bij Middelburg hoort, maar Sierksma geeft in ieder geval als verklaring voor de kleuren dat de groene baan een tegenhanger voor het rood van de Hollandse vlag zou zijn en symbolisch zou verwijzen naar het gewest Zeeland of de Admiraliteit daarvan en daarom een algemene vlag voor koopvaardijschepen zou zijn.[2] Een nog curieuzere Middelburgse stadsvlag komt voor op de door B. Lens omstreeks 1700 uitgegeven A General view of the Flags which most Nations bear at Sea.[3] Het is de Nederlandse driekleur met in het midden de gouden burcht.

De bekendste wapenkaart van Zeeland, die uit Mattheus Smalleganges Nieuwe cronyk van Zeeland (officieel 1696, maar pas enkele jaren later verschenen) laat er geen misverstand over bestaan. Daar zitten de zes in de Zeeuwse Staten stemhebbende steden Veere, Zierikzee, Tholen, Middelburg, Goes en Vlissingen bijeen samen met de Eerste Edele. Aan het hoofd van het tafereel is de provinciale vlag en het provinciale wapen (waarover ook al veel te doen is geweest) zichtbaar. De stemhebbende steden houden alle zowel het wapen als de vlag van hun stad vast. Daarbij is duidelijk te zien dat wapen en vlag bij bijvoorbeeld Vlissingen overeen stemmen (zij het dan dat de kruik op de vlag zilver en in het wapen goudkleurig is), maar bij Middelburg duidelijk anders zijn; het wapen, de burcht op een rode achtergrond en de vlag het geel-wit-rood.

Op het anonieme schilderij ‘het retourschip Popkensburg van de kamer Middelburg van de VOC’ (Scheepvaartmuseum Amsterdam), uit 1775, zien we op het scheepsportret duidelijk de geel-wit-rode Middelburgse vlag vanaf de achtersteven waaien.

Op het van drie jaar eerder, uit 1772 daterende schoorsteenstuk ‘fregatschip Essequebo Sociëteit voor de rede van Vlissingen’, van de Zeeuwse schilder Engel Hoogerheyden (Scheepvaartmuseum, Amsterdam) zien we op de achtergrond van deze West-Indiëvaarder een interessante vlag op een ander schip. Daar waait de Middelburgse vlag, maar dan ondersteboven: rood-wit-geel, zoals kapitein Paulus van der Dussen (zie eerdere weblog) hem ook beschreef.

Op de vlaggenkaart ‘Schouw-park aller scheeps-vlaggen des geheelen water waerelds’, uitgegeven door Gerard van Keulen in Amsterdam in 1726 zien we wederom twee Middelburgse vlaggen. Na de provincievlag komt eerst de geel-wit-rode stadsvlag van Middelburg en dan de rode geuzenvlag van de stad. Vervolgens komen de vlaggen van Vlissingen en Veere, beide rood met het stadswapen er in. Bij die twee steden wordt slechts één vlag gegeven, maar ook daar staat expliciet vermeld dat het om de geuzenvlag gaat.

Sinds enkele jaren hangt in het Maritiem Muzeeum te Vlissingen een particulier schilderij dat zeer waarschijnlijk het kaperschip Profeet Elias van de reders Sautijn voorstelt. Het is een scheepsportret waarbij het schip voor de havenuitgang van Middelburg is geschilderd in drie verschillende aanzichten en stamt uit de tijd van de Spaanse Successieoorlog (1702-1713). Dit is het vroegste tot op heden bekende schilderij waarop een Middelburgs kaperschip zichtbaar is. Aan de achtersteven hangt duidelijk zichtbaar een rode vlag, maar wat daarop is afgebeeld en is niet duidelijk omdat de vlag slap neerhangt.

Van het jaar 1842 is een afbeelding bekend van Jacob Spin, van het Middelburgse barkschip Pauline (Maritiem Museum, Rotterdam), van kapitein J.J. Brouwer en rederij Boddaert & Co. Daarop is wel een rode vlag met het Middelburgse stadswapen, de burcht, te zien. Deze waait vanaf de fokkenmast. Het bijzondere aan dit schilderij is dat het hier een koopvaardijschip betreft dat die rode -of oorspronkelijk geuzenvlag- voert, maar dan zitten we inmiddels in de 19de eeuw en is het al sinds 1815 vrede.

Er zijn kortom in de loop van de geschiedenis meerdere Middelburgse stadsvlaggen gebruikt, maar duidelijk is toch wel dat de rode vlag met de burcht een oorsprong als bloedvlag of stadsgeus heeft dat weer was geënt op het stadswapen.

Er is trouwens nog ontkenning mogelijk voor eventuele vermeende aansprakelijkheid van Middelburgers op basis van gewelddadigheden op zee. De stadsvlag van Hamburg zag er in de achttiende eeuw net zo uit[4] als de geuzenvlag van Middelburg…

Johan Francke

[1] Zie PZC, 4 april 2017, pag. 2. De verslaggever ging er aan voorbij dat ik binnen ZB informatiespecialist ben, maar op een ander vakgebied ben opgeleid; namelijk dat van de maritieme geschiedenis.

[2] Sierksma, Flags of the World, 161.

[3] Wilson, Flags at Sea, 69.

[4] Ibidem, 69.

Middelburg verklaart bezoekers de oorlog

maandag, 3 april 2017

Vrolijk wappert de Middelburgse middenstand de toeristen toe vanaf de gevels van de monumentenstad. De helrode vlaggen die de viering van achthonderd jaar stadsrechten kleur moeten geven plooien langzaam in het zachte lentebriesje dat op zonovergoten aprildagen over de stad schijnt. Een lust voor het oog. Tenminste, voor de Middelburgers…

Want wat zou u ervan denken als van de Japanse ambassade niet de traditionele Hinomaru

maar deze vlag

zou waaien? Daar zou eenieder toch even raar van opkijken of zelfs een zeer ongemakkelijk gevoel van krijgen. Overlevenden van de Tweede Wereldoorlog in Zuid-Oost-Azië al helemaal. Nu gaat het hier om een wat verder verleden en zijn er waarschijnlijk geen mensen meer die zich hun jonge jaren voor 1800 nog kunnen heugen, maar die Middelburgse vlag heeft een soortgelijk verleden.

De rode vlag met de gouden burcht die nu overal in de stad wappert is namelijk niet de stadsvlag, maar de geuzen- of bloedvlag die in oorlogstijd gebruikt werd door schepen van de Admiraliteit en kapers die Middelburg als thuishaven hadden en zee en oceaan afstruinden op zoek naar vijanden om buit van te veroveren.

Deze bloedvlag waaide normaliter vanaf de bezaansmast. De prinsenwimpel (dus geen vlag) waaide vanaf de grote mast en vanaf de fokkenmast of de boegspriet waaide de officiële stadsvlag of een Zeeuwse vlag. Die indeling werd echter niet zo strikt gehanteerd, vaak genoeg werd er van afgeweken.

Op het beroemde schilderij van Adriaen Pieterszn. van de Venne, Gezicht op de haven van Middelburg uit 1615 (Rijksmuseum)

wappert de Middelburgse geus bijvoorbeeld aan de grote mast van het admiraliteitsschip Zeehond. Op de twee schilderijen die Cornelis Louw in 1714 (Scheepvaartmuseum Amsterdam) en 1725 (Maritiem Muzeeum Vlissingen) maakte van Vlissingse kaperschepen op de rede voor de stad zien we diezelfde bloedvlag terug op de boegspriet, maar nu met de Vlissingse kruik er op.

Gebruik van deze bloedvlag beperkte zich niet alleen tot zee. Conform het oorlogsrecht hoefden aanvallers geen ‘kwartier’ (genade of lijfsbehoud) te verlenen aan de andere partij indien deze weerstand bood bij een belegering of aanval, als vooraf tenminste de keuze voor overgave was gegeven. Om de intenties aan de vijand duidelijk te maken kon bijvoorbeeld de bloedvlag worden gehesen, ten teken dat geen ‘kwartier’ verleend of aanvaard zou worden.[1]

De meeste mensen die ooit een schip ontmoet hebben dat de rode vlag met de gouden burcht van Middelburg voerde zullen daar dus waarschijnlijk geen al te beste herinneringen aan over hebben gehouden, als ze het al na konden vertellen. Nu werd na overgave in de regel niet iedereen over de kling gejaagd, maar doorgaans gewoon krijgsgevangen gemaakt, al was ook dat in die tijd geen pretje.

De laatste keer dat de Middelburgse geus aan een scheepsdek van een kaperschip wapperde is waarschijnlijk in de Napoleontische tijd geweest; alweer meer dan tweehonderd jaar geleden. De laatste keer dat een dergelijke vlag op een admiraliteitsschip werd gevoerd dateert van nog verder terug, waarschijnlijk in de tijd van de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784). Meer dan 230 jaar geleden dus en tijd blijkt een helend begrip in de historie. Zo is het wel bon ton om grapjes over Napoleon te maken, maar kan er een ongemakkelijk spanningsveld ontstaan als je eenzelfde soort grap over Hitler maakt. Het verleden is daarvoor te tastbaar aanwezig omdat er nog mensen zijn die de oorlog zelf hebben meegemaakt of nog te maken hebben met de gevolgen daarvan.

Terug naar de geuzenvlag van Middelburg, want welke vlag moeten de Middelburgse grootgrutters dan wel uitsteken? Heel eenvoudig, de officiële Middelburgse vlag, die ziet er namelijk heel degelijk uit, zelfs een beetje saai. Deze heeft, net als de Nederlandse vlag, drie horizontale banen in de kleuren geel, wit en rood.[2]

Volgens Van der Dussen, een kapitein in dienst van de Admiraliteit, zou dit rond 1700 rood-wit-geel zijn geweest.[3] Uit overlevering is ons niets meer bekend over ’s mans drankgebruik, maar waarschijnlijk heeft hij de vlag ondersteboven gehangen. In de door Pieter Mortier uitgegeven Neptune François (Amsterdam, 1693) staat een afbeelding van de vlag, waarop de correcte volgorde te zien is: geel-wit-rood. Sterker nog, uitgever Mortier geeft twee afbeeldingen. Bij de bovenste staat de volgende tekst bij de officiële driekleur: ‘vlag van Middelburg in Zeeland, geel-wit-rood’ en bij de bloedvlag daaronder staat: ‘geus van Middelburg, rood met een goude burg.[4] Ook in tal van andere oude atlassen staat deze volgorde vermeld en worden zowel de officiële stadsvlag als de geus omschreven. De Neptune François echter, geeft er ook een ingekleurd voorbeeld bij.

Niet voor niets zijn de luiken van het oude stadhuis van de stad sinds jaar en dag geel-wit-rood geverfd. Misschien niet zo fleurig als die gouden burcht in dat helrode vlak die nu overal in de stad wappert, maar wel correct.

Johan Francke, informatiespecialist

*Maurits Sep schreef op 3 april 2017 een stukje in de PZC n.a.v. dit blog.
Hierin ook een reactie van de woordvoerster van de Gemeente Middelburg, Trude Northolt: “Op 22 april 1974 is de rode vlag met de gouden burcht officieel als gemeentevlag vastgesteld. Op 30 april 1975, Koninginnedag, wapperde die voor het eerst vanaf openbare gebouwen.”

Bronnen:

*J. Francke, Utiliteyt voor de gemeene saake; de Zeeuwse commissievaart en haar achterban tijdens de Negenjarige Oorlog, 1688-1697 (Middelburg, 2001) vlaggen, pag. 170-174.
*Charles Pené en Giovanni Domenico Cassini, De Fransche Neptunus, of nieuwe atlas van de zeekaarten, opgenomen en gegraveerd door uitdrukkelyke order des konings, tot het gebruik van zyne zeemachten: waar in men ziet de naauwkeurige beschryving van alle de kusten van den oceaan, en d’Oost-Zee, van Noorwegen af tot aan de Straat van Gibraltar (Amsterdam, 1693). (Zie: Duitse uitgave, 1977).
*K.L. Sierksma, Flags of the World, 1669-1670. A seventeenth century manuscript (Amsterdam, 1966).
*K.L. Sierksma, ‘Vlagge-boeck van den Heer Paulus van der Dussen, Capitein’, in: Spiegel Historiael. Maandblad voor geschiedenis en archeologie XIV (1979) 663-668.
*Timothy Wilson, Flags at sea; a guide to the flags flown at sea by British and some foreign ships, from the 16th century to the present day, illustrated from the collections of the National Maritime Museum (London, 1986).

 

[1] C.H. de Goeje, ‘Een verslag van den commandeur der kolonie Essequebo Pieter van der Heijden aan de kamer van Zeeland der West-Indische Compagnie over den aanval van Franse kapers in februari 1709’, in: West-Indische Gids 30 (1890) 36, 39.

[2] Wilson, Flags at Sea, 58, 68-69, 114-115 en Sierksma, Flags of the World, 155-162, 171-172.

[3] Sierksma, Vlagge-boeck, 668.

[4] Charles Pené en Giovanni Domenico Cassini, De Fransche Neptunus, of nieuwe atlas van de zeekaarten, opgenomen en gegraveerd door uitdrukkelyke order des konings, tot het gebruik van zyne zeemachten : waar in men ziet de naauwkeurige beschryving van alle de kusten van den oceaan, en d’Oost-Zee, van Noorwegen af tot aan de Straat van Gibraltar (Amsterdam, 1693).

Syrische muziek

woensdag, 22 februari 2017

Uit het nieuws kan afgeleid worden dat de vrede in Syrië ver weg is. De machtigste landen op de wereld weten geen vrede af te dwingen bij de strijdende partijen. Syrië ligt op een kruispunt van culturen waar de belangen maximaal zijn en waar vaak om werd gevochten. Het land kende echter ook vreedzame bloeiperiodes.

Om zijn woede en onmacht over de oorlog in Syrië kenbaar te maken besloot Jordi Savall dat hij de wereld wilde laten horen hoe mooi Syrische muziek was. Jordi Savall (1941) is een Spaans-Catalaans gambist, dirigent en componist. Hij geldt als een van de leidende figuren in de wereld van de Oude muziek. Jordi stelde een internationaal ensemble samen om daarmee de klassieke Syrische muziek te spelen. Syrië beleefde een gouden eeuw tussen 661 en 774, toen Damascus de hoofdstad was van een groot rijk dat zich uitstrekte van Spanje tot Pakistan. Dichtkunst en muziek stonden in hoog aanzien en Savall liet zich inspireren door dit repertoire. Het is te beluisteren op de cd Hesperion XXI- O aube ya fair.

Voor het uitbreken van de Syrische burgeroorlog was 10% van de Syriërs christen.
Hoewel het gebied vanaf de 7e eeuw vooral islamitisch werd, bleef er die eeuwen een christelijke minderheid in Syrië wonen. De Assyriërs leven op het grensgebied van Turkije en Syrië en zijn voor het grootste deel christelijk. De liturgie van de Syriërs behoort tot de oudste christelijke muziek. De muziek van deze psalmen grijpt waarschijnlijk zelfs terug naar de periode van vóór het christendom.  Een luistertip hierbij is Koor van de Mor Yakub-kerk-Haleluya.

Een van de redenen van de huidige oorlog is dat mensen met verschillende afkomst en geloof samen in een land werden gestopt. De Fransen en de Britten hebben het Midden-Oosten in 1922 opgedeeld. Er werden nieuwe grenzen ingesteld die geen rekening hielden met de lokale gevoeligheden.


Ibrahim Keivo

 

Er wonen Arabieren, Koerden,Yezidi’s, Assyriërs en Armeniërs in Syrië. De Armeniërs kwamen Syrië binnen als vluchtelingen naar aanleiding van de Eerste Wereldoorlog en de Armeense genocide. Een bekende musicus is Ibrahim Keivo, hij speelt liederen van alle volkeren die in de omgeving van Hasakah leven in Noord-Syrië. Een luistertip hierbij is Ibrahim Keivo – Az Khalfem. Keivo woont tegenwoordig in Duitsland.


Basel Rajoub

 

Ook Basel Rajoub woont niet meer in Syrië. Rajoub, woonde in Zwitserland toen de burgeroorlog uitbrak. Een luistertip is het album The Queen of Turquoise. Rajoub bewijst dat het geluid van de sax zich prima mengt met de traditionele Arabische instrumenten zoals de qanun en de oed.

Omar Souleyman

De bekendste Syrische muzikant in het Westen is Omar Souleyman. Hij speelde op grote popfestivals en is een opvallende verschijning.  Aanbevolen: Omar Souleyman-Wenu wenu.

Reden tot dansen is er in Syrië al vele jaren niet meer. Ik ben zelf vaak in Syrië geweest en het doet mij heel veel verdriet als ik zie hoe de bevolking moet lijden en hoe kapot het land nu is. Voorlopig zie ik nog geen lichtpunten hierin…

Met muziek proberen musici hun kwelling te uiten over extreme beestachtigheid die de bijna drie jaar durende oorlog in Syrië tekent. Bij de verschrikkelijke dingen die de mensen meemaken kan muziek heel belangrijk zijn, het is een universele taal die mensen verbindt. Het helpt om afleiding en hoop te vinden.

“Muziek geeft ware vrijheid” is een uitspraak van Omar Nurran, een Syrische musicus die momenteel in een vluchtelingenkamp in Jordanië woont.

De muziek die ik in dit schrijven aanbeveel is in de ZB te beluisteren in de strandhokjes op de begane grond. Bron: www.muziekweb.nl/luister

Rea Bensch,

Domeinspecialist muziek

Bron:

  • Muziekweb; Muzikale wereldreis: Syrië
  • Wikipedia
  • Youtube

Digitale duurzaamheid van publicaties

dinsdag, 7 februari 2017

Digitalisering speelt overal een steeds grotere rol
In de medische wetenschap, in de auto-industrie, van de huiskamer tot de uitgeverij, van bibliotheek tot wetgeving; overal wordt gebruik gemaakt van digitale technieken, digitale informatie en digitale weergave van die informatie. Deze digitalisering leidt tot steeds meer informatie. Het maken en vastleggen van grote hoeveelheden informatie is gemakkelijker in digitale en geautomatiseerde vorm dan het ooit was in papieren vorm. Maar digitale informatie is daarnaast ook erg kwetsbaar.

Kwetsbaarheid van digitale informatie
Digitale bestanden bestaan uit reeksen enen en nullen (010100001011110). Het zoekraken van een van die tekens, door bijvoorbeeld een storing, is genoeg om het hele bestand onbruikbaar te maken en de informatie onleesbaar te maken. Digitale bestanden zijn abracadabra zonder computers en software. Eigenlijk werken ze alleen goed met de computer en de software waarop ze gemaakt zijn. Bij het in gebruik nemen van een nieuwe computer, is er een kans dat de oude bestanden het niet meer doen. Natuurlijk proberen de leveranciers wel mogelijkheden te leveren om bestanden om te zetten naar de nieuwe computer, maar die technieken zijn nog verre van perfect en fouten zijn daardoor bijna onvermijdelijk.

Beperkte houdbaarheid van informatiedragers
Naast de kwetsbaarheid van de bestanden zelf is er de kwetsbaarheid van de dragers waarop de informatie bewaard wordt. Ze kunnen in onbruik raken (diskettes, floppy disks) of simpelweg kapot gaan. Ook informatie die op het internet staat, is in gevaar. Iedereen kent de foutmelding “404 – bestand kan niet gevonden worden”. De informatieketting breekt als een website verhuist of opgeheven wordt, en er wordt geen verhuisbericht bijgeleverd. Online informatie heeft vaak geen unieke vindplaats of uniek onveranderlijk nummer waarnaar je kan verwijzen. Dat is voor alle internetgebruikers vervelend, maar voor de wetenschappelijke wereld rampzalig: verwijzingen in wetenschappelijke artikelen kunnen niet meer worden geraadpleegd.

Duurzame toegang garanderen: ontwikkelingen in Nederland
Het bewerkstelligen van digitale duurzaamheid is een van de grootste uitdagingen van de huidige generatie. Wij zijn de eersten die methoden en grootschalige systemen hebben moeten ontwikkelen om digitale objecten in authentieke vorm voor de toekomst raadpleegbaar te houden. In de afgelopen jaren zijn er in Nederland flinke stappen gezet door het ontwikkelen van methoden en systemen voor duurzame opslag van en toegang tot digitale objecten. De Koninklijke Bibliotheek (KB) bijvoorbeeld liet in het begin van de 21ste eeuw een operationeel e-depot voor digitale publicaties bouwen. Beeld en Geluid behoort tot de internationale kopgroep op het gebied van beheer en behoud van digitaal audiovisueel erfgoed en het Nationaal Archief breidt haar huidige e-depotvoorziening uit tot een gemeenschappelijke infrastructuur voor de digitale archieven in Nederland. Tot slot beschikt DANS over een digitaal archief voor onderzoekdata dat terug gaat tot de jaren zestig van de 20e eeuw.

Als één ding voor alle betrokkenen duidelijk is, dan is het wel dat digitale duurzaamheid een activiteit is die alleen in een gezamenlijke aanpak tot goede resultaten kan leiden: het vergt simpelweg te veel verschillende kwaliteiten om door één instelling gedaan te worden. Doordat het digitale speelveld voortdurend wijzigt, is blijvend onderzoek en samenwerking nodig. (Bron: Nationale Coalitie Digitale Duurzaamheid)

Digitale duurzaamheid van eigen ZB publicaties
ZB| Planbureau heeft van oudsher veel opdrachten voor het doen van onderzoek en het publiceren daarover in rapporten. Naast de papieren uitgaven in de eigen boekcollectie en weergave van recente publicaties op de eigen website heeft ZB gezocht naar een duurzame opslag voor de digitale versies van deze rapporten. De digitale uitgaven van ZB en voorgangers zijn nu grotendeels met terugwerkende kracht opgenomen in het e-depot van de KB. Via dit kanaal zijn de publicaties van het Planbureau ook te vinden in diverse universiteits-, landelijke en internationale catalogi. Hiermee is het bereik en de digitale duurzaamheid van onze publicaties aanmerkelijk vergroot.

.

Voorbeeld in het e-depot van KB: De statistische atlas “Leven in Zeeland”.

Adriënne Withagen

Bijbels van H.F. Wolf

maandag, 12 december 2016

De bijzondere collecties van ZB zijn onlangs verrijkt met een serie bijbels uit de nalatenschap van de heer H.F. Wolf uit Alphen aan den Rijn. Deze is in augustus 2015 op 86-jarige leeftijd overleden. Hij bezat een verzameling van meer dan achthonderd voor het merendeel Nederlandstalige bijbels. Zijn nabestaanden besloten de collectie ten goede te laten komen aan Nederlandse bibliotheken. Een aantal van deze boeken is nu onlangs door schenking in het bezit van ZB gekomen.

Bijbels in soorten en maten

Flakkeesche bijbel uit 1904 (33 cm) met koperen sloten

Flakkeesche bijbel uit 1904 (33 cm) met koperen sloten

We hadden al enorm veel bijbels in alle soorten, maten en talen. Van alle Nederlandse vertalingen bezitten we menige druk en uitgave. Toch blijken er altijd nog aanvullingen mogelijk te zijn. Zo hadden wij nog steeds geen exemplaar van de zogenaamde ‘Flakkeesche bijbel’. En dat terwijl het Zuid-Hollandse eiland Goeree-Overflakkee tot het aandachtsgebied van de Zeelandcollectie behoort. Deze uitgave van de Statenvertaling kwam in 1895 tot stand bij de Flakkeesche Boekdrukkerij uit Middelharnis. In 1904 werd ze opnieuw uitgegeven door D. Bolle te Rotterdam. Ze is gevuld met illustraties in de vorm van afbeeldingen en kaarten. We hebben er nu twee stuks aan kunnen toevoegen, waarvan er een rijkelijk voorzien is van koperen sloten.

Gouden sluitingen

Nieuwe Testament uit 1856 (15 cm) met gouden slotje

Nieuwe Testament uit 1856 (15 cm) met gouden slotje

Bijzondere aanwinsten waren ook kleinere kerkboeken met metalen sluitingen. Wij hadden al enkele exemplaren met zilverwerk, maar dit rijtje is aanmerkelijk uitgebreid met nog mooier zilverwerk, en voor het eerst ook twee Nieuwe Testamenten met gouden sluitingen uit de beginjaren van de 20e eeuw.
Daarnaast is er een kerkboek met een ouderwets geborduurd omslag binnen gekomen, en een exemplaar met een zwart fluwelen bekleding. Dit laatste is ook om een andere reden bijzonder: het is afkomstig uit het bezit van de Walcherse familie Bierens, en door hen als teken van persoonlijke vriendschap aan de heer Wolf geschonken.

Kinderbijbels

Prenten voor Kerstmis in de ‘Huisbybel’ uit 1762

Prenten voor Kerstmis in de ‘Huisbybel’ uit 1762

Op het gebied van kinderbijbels valt er een mooie aanwinst te melden, namelijk vooral de ‘Vernieuwde en verbeterde school- en huisbybel’ uit 1762, een van de oudste Bijbelse geschiedenissen voor de jeugd. Het boek is gesteld in de vorm van vragen en antwoorden en voor die tijd rijkelijk voorzien van illustraties. Onze al aanwezige historische kinderboeken van de 19e en 20e eeuw komen vooral uit traditioneel protestants-christelijke kring; daarom is het aardig dat we er nu ook wat werkjes over de bijbel van rooms-katholieke signatuur bij gekregen hebben, en iets heel anders: de zeldzame ‘Bijbel voor de jeugd uit vrijzinnige kringen verteld’ uit nog maar 1929. Weer uit katholieke kring komt de ‘Geschiedenis van het Oude en Nieuwe Testament’ door H. Wolffenbuttel-Van Rooijen, voorzien van gravures door Gustave Doré.

Gulle gever
Hendrik Frederik (Henk) Wolf is zijn loopbaan begonnen als huisschilder aan de Bloemgracht in Amsterdam. Later volgde hij een opleiding als verpleegkundige, en werd tenslotte directeur van een bejaardentehuis in Alphen. Zijn met veel plezier verzamelde bijbelcollectie had hij ondergebracht in zijn woonhuis aldaar. Van daaruit verzorgde hij lezingen en kleine exposities aan een divers publiek in kerken, bibliotheken, gemeenschapshuizen en scholen. Kleine groepen konden de collectie bij hem thuis bezichtigen.

Nieuwe Testament uit 1918 (12 cm) met gouden slotje

Nieuwe Testament uit 1918 (12 cm) met gouden slotje

Uiteindelijk heeft hij zijn rijke bezit ondergebracht in de ‘Stichting In de BibliAtheek bij H.F. Wolf’. Na zijn overlijden zag de Stichting geen mogelijkheid om de collectie blijvend te beheren. Daarom besloten de bestuursleden de Stichting te ontbinden en daarbij te handelen volgens de stichtingsakte en in de geest van de oprichter. Dat betekende dat de collectie zoveel als mogelijk aan het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG) afgestaan werd. Deze al zeer rijke bibliotheek toonde echter slechts interesse voor een klein deel. Daarom kwam de bibliothecaris van het NBG op het idee de restanten aan te bieden aan (universiteits)bibliotheken. Ondergetekende, als lid van de Vereniging voor het Theologisch Bibliothecariaat, kreeg de titellijst toegestuurd. Ik heb daar een keuze uit gemaakt. De voorzitter van de Stichting, Marysa Otte uit Amsterdam, tevens schoondochter van de heer Wolf, is de schenking zelf komen brengen. Het betekent voor ons een verrijking van de collectie en een bevestiging van onze functie als theologische bewaarbibliotheek.

Marinus Bierens
Vakreferent godsdienst

Foto’s: Ester van Dooren

Zee(uw)post

woensdag, 9 november 2016

Het kantelend beeld van historische dogma’s door brieven van de gewone man

In mijn vorige blog berichtte ik over de bijvangst van het project Zee(uw)post, ditmaal gaat het over daadwerkelijke vangst. In september zijn namelijk alle vrijwilligers aan de slag gegaan met het transcriberen en vertalen van de brieven en deze te voorzien van historische context. Met dat laatste wordt bedoeld dat de vrijwilligers nagaan wie de in de brief genoemde en geadresseerde personen zijn, wat er in de brief geschreven staat en waar dit mee te maken heeft.

Nu de eerste transcripties van brieven binnenkomen vielen mij enkele zaken op, waarvan ik een onderwerp wil uitlichten en de context verduidelijken. Globaal genomen bevat een persoonlijke brief uit de koloniën nieuws over wanneer men verwacht thuis te komen, de gezondheid van de schrijver en duizend-en-een groeten aan allerlei bekenden. Alleen al voor wat betreft die geadresseerden vielen enkele brieven op waarmee context geduid kon worden. Deze waren namelijk gericht aan zogenaamde logementshouders/sters.

Slaapbazen
Dat mensen een spreekwoordelijke poot uitgerukt wordt, daar waar financiële diensten worden verleend, is een gegeven zo oud als de mensheid. Vanuit de 17de en 18de eeuw hadden in dit verband de slaapbazen, logementhouders of volkhouders altijd een heel slechte naam. Dit waren mannen of vrouwen die er een logement voor zeelieden op na hielden (in het laatste geval vaak ook nog bordeelhoudsters!). In Middelburg bijvoorbeeld waren tussen 1730-1732 niet minder dan 49 logementen, waarvan er 43 door vrouwen werden gedreven.[1]

Aangezien veel zeelieden platzak waren, ofwel omdat ze hun verdiende geld verbrast hadden, ofwel vanuit het achterland kwamen om emplooi op zee te vinden en berooid van hun reis in de havenstad aankwamen, ofwel zo weinig hadden verdiend op zee (doordat de reder of kapitein hen gekapitteld had met allerlei straffen) dat ze zichzelf niet meer konden onderhouden, werd hen een slaapplaats aangeboden waar men ‘op de pof’ kon verblijven. U voelt hem natuurlijk al aankomen. Dat poffen kon achteraf nogal in de kosten lopen omdat mensen soms lang in een logement verbleven voordat ze emplooi vonden of omdat voor een vlooienbed Hiltontarieven werden gerekend.

Een zeeman die eenmaal emplooi vond en uiteindelijk met een schip de Republiek verliet, moest een schuldbekentenis of zogenaamde schuldbrief tekenen bij de slaapbaas/vrouw van het logement waar deze verbleef. Deze kon met deze zogenaamde transportbrief naar de reder stappen om hiermee vervolgens het verschuldigde bedrag te innen. Tenminste, zodra de bewuste zeeman recht op uitbetaling van zijn gage had. Dat betekende uiteraard dat veel zeelieden pas na maanden of jaren werken op zee hun schulden hadden afgelost en pas dan zelf geld gingen verdienen. Reden waarom ze eenmaal aan wal, zich al snel opnieuw in de schulden moesten steken.

Zulke transportbrieven konden dus niet meteen worden geïnd en werden daarom ook wel doorverkocht voor een lager bedrag dan de nominale waarde. Dit soort verkopers werd ook wel zielverkoper genoemd, omdat ze daadwerkelijk de zielen van mensen verkochten. Zo’n opkoper van transportbrieven kon namelijk ook de reder zelf zijn, die zich daarmee goedkoop van personeel kon voorzien. De VOC sloot hiertoe zelfs contracten met logementhouders af die hun gasten verplicht dienst lieten nemen bij de ‘loffelijke compagnie.’[2]

aepjen

Voormalig logement ’t Aepjen in Amsterdam, bron: wikipedia

In de Aap gelogeerd
Nu stond hier natuurlijk tegenover dat zo een zielverkoper of logementhouder wel het risico liep dat een opvarende overleed, deserteerde of zich nooit meer in patria liet zien. Zeker niet als iemand afgezet was door een logement van bedenkelijk allooi, of om het op zijn 17de eeuws Amsterdams te zeggen: in de Aap gelogeerd zijn, want dit spreekwoord komt van het bedenkelijke logement ’t Aepjen. Dit was een 16de eeuwse houten herberg aan het begin van de Zeedijk dat je vandaag de dag, als café, nog steeds kunt bezoeken. Gezien de geschiedenis is het niet vreemd dat er nu geen slaapplaatsen meer aan de backpackers aangeboden worden.

Veel van die logementhouders hadden dus een kwalijke reputatie en het is dan ook niet vreemd dat veel voormalige gasten nooit meer iets van zich lieten horen. Uit de brieven van vele gewone zeelieden in Zee(uw)post blijkt nu dat er ook opvarenden zijn geweest die niet alleen bij hun logementhouder/ster terugkwamen, maar er zelfs vriendschappelijke banden mee onderhielden. Dit blijkt uit diverse brieven, al moet daarbij vermeld worden dat gezien de inhoud van één van de brieven de kans groot is dat dit logement ook als bordeel diende. De klaarblijkelijk nog jonge Pieter Tallenboom scheef op 28 januari 1781 namelijk vanuit Rio Demerary (Guinée) aan logementshouder Joseph Jansen, die buiten de Noordpoort van Middelburg een thans onbekend logement runde:

hca-30-331-aanhef-seer-waarde-slaapbaas

Seer warde en seer geagte slaa[p]bas en slaa[p]vrou, deese di[e]nt om u te laaten weeten als dat ik nog en een volmaa[k]te staat van gesontheijt ben. Dat Talleboom een gezonde jonge jongen was blijkt uit de wensen die hij aan zijn slaapbaas en -bazin voorlegt, voor het geval hij na zijn reis weer in Middelburg arriveren zou:

hca-30-331-meijt

´Ik ferso[e]ik seer vr[i]endeleijk als dat gey of u vrou[w] een ijonge meijt sult opso[e]ike teegen dat ik tuijs kom, want ik kan meijn maagtdom ni[e]t langer bewaare[3]
Daarna volgen nog enkele zeer scabreuze zinnen die we hier omwille van de jonge lezers niet vermelden zullen, maar ons wel voor de reputatie van de herberg -die wel niet voor niets buiten de stadsgrenzen gelegen zal hebben- doen vrezen. Binnen deze zelfde brief geeft de jonge Talleboom meermalen aan dat hij op een goede gezondheid hoopt voor het echtpaar. Ook de zeelieden Gerret Vervoort en Jan Romero groeten hun slaapbaas Jacobus van Dijk, die een logement op het Vlissingse Wagenplein in Middelburg drijft en noemen hem zelfs vriend:
Zeer waarde goede vrint en slaapbaas Jacobes van Dijk.’ Zij hopen ‘uw zeer goede vrint slaapbaas en vrouw en al uw kinder aankoomende zoomer in een gewenste staat te vinden.’[4]
Ook deden ze nadrukkelijk de ‘groetenisse’ aan ‘Betien [Betje] uijt het Goude Verken.

hca-30-362-betje

Dat Vlissingse Wagenplein bestaat thans niet meer, maar lag in het verlengde van de Vlissingse straat naar de Vlissingse poort (thans Schroebrug) en was vooral in de achttiende en negentiende eeuw een beruchte volkswijk met tal van herbergen en bordelen. Wellicht een goede reden voor beide zeelieden om na een lange reis toch naar hun vlooienbed terug te keren? Ook hier kennen we de naam van de herberg helaas niet, noch weten we met zekerheid of het ook hier een bordeel betrof.

hca-30-322-aanhef-waarde-baas-en-vrou

In een andere brief gericht aan een logementshouder stond wel de naam van de herberg vermeld. J. Rolbers schreef op 22 november 1780 vanuit St. Eustatius aan Matthijs Artenaas, van Zeemans welvaren ‘op de dokke in Vlissingen, waarbij hij opende met ‘waarde baas en vrou.’ Dat duidt er op dat het ‘Zeemans welvaren’ bij het dok in Vlissingen (bedoeld zal hier zijn het Dokje van Perry) een verblijfplaats voor zeelieden of een logement is geweest. Hij was dus kennelijk van plan terug te keren en schreef dat ze zich niet ongerust moesten maken omdat de terugreis ernstige vertraging had opgelopen. Dat hij ook voordien in een goed logement ondergebracht was geweest, blijkt aan het slot van de brief waarin hij de groeten aan diverse mensen doet waaronder de ‘oude slaapvrouw van my van Middelburg.’[5]

hca-30-322-groeten-slaapvrouw-middelburg

Op basis van deze brieven kunnen we concluderen dat zeelieden ook vriendschappelijke banden onderhielden met hun slaapbazen/bazinnen en dit lang niet altijd uitzuigers zullen zijn geweest. Een beeld dat de afgelopen decennia wel was ontstaan in de vakliteratuur, maar door deze brieven van gewone mensen nu kan worden bijgesteld. Daar staat tegenover dat het beeld van het logement als bordeel eerder wordt bevestigd dan ontkracht. En dit is uiteraard nog maar het topje van de ijsberg, want met de inhoud van deze brieven uit Zee(uw)post liggen nog vele andere onderzoeksmogelijkheden open.

Johan Francke,
Informatiespecialist en eindredacteur Zee(uw)post

Bronnen:
The National Archives, Kew (TNA), High Court of Admiralty (HCA) 30, inv.nrs. 322, 331 en 362.
Jaap R. Bruijn, Zeegang. Zeevarend Nederland in de achttiende eeuw (Zutphen, 2016) 37-42.
Matthias van Rossum, Werkers van de wereld. Globalisering, arbeid en interculturele ontmoetingen tussen Aziatische en Europese zeelieden in dienst van de VOC, 1600-1800 (Hilversum, 2014) 190-196, 204-205.

Noten:

[1] Jaap R. Bruijn, Zeegang. Zeevarend Nederland in de achttiende eeuw (Zutphen, 2016) 38.

[2] Jaap R. Bruijn, Zeegang. Zeevarend Nederland in de achttiende eeuw (Zutphen, 2016) 40-42 en Matthias van Rossum, Werkers van de wereld. Globalisering, arbeid en interculturele ontmoetingen tussen Aziatische en Europese zeelieden in dienst van de VOC, 1600-1800 (Hilversum, 2014) 191-192.

[3] TNA, HCA 30, inv.nr. 331.

[4] TNA, HCA 30, inv.nr. 362.

[5] TNA, HCA 30, inv.nr. 322.

Bijvangst

dinsdag, 28 juni 2016

Bijvangst is volgens de Van Dale ‘de vangst van andere vissen dan waarop werd gevist.’ Meestal wordt die bijvangst weer overboord gekieperd, tenminste, als deze niet teveel waarde bezit. Als historicus, of liever als archiefonderzoeker, heb je soms ook zulke bijvangst. Zozeer zelfs dat de bijvangst soms belangrijker wordt dan de hoofdvangst. Graag laat ik hier wat van die vreemde, soms Zeeuwse, vissen zien die ik aan de oevers van de Thames naar boven hengelde.

Heron of Kew

Voor het Zee(uw)post project ben ik al enige malen in the National Archives (TNA) in Kew geweest. Daar wordt onder meer het archief van de High Court of Admiralty bewaard. Onderdeel daarvan zijn de zogenaamde Prize Papers: in oorlogstijd in beslag genomen papieren aan boord van buitenlandse of vijandelijke schepen. Aangezien De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in de 17de en 18de eeuw meerdere oorlogen met Engeland heeft uitgevochten, zijn er heel wat Nederlandse schepen door de Engelsen buitgemaakt. Daarbij werden niet alleen de scheepsjournalen in beslag genomen, maar werkelijk alle papierwerk aan boord: brieven, rekeningen, kasboeken, almanakken, beurzen met inhoud, kranten, romans tot zelfs de ganzenveren pennen aan toe. Voor dit project gaat het vooral om de persoonlijke brieven die mensen van overzee naar Zeeland stuurden of omgekeerd. Anders dan bij normale archiefaanvragen waarbij je doorgaans weet wat je aanvraagt, kom je hierbij ook aardig wat andere verrassingen tegen. Zaken die in Nederland verloren zijn gegaan in de loop van de geschiedenis omdat niemand ze belangrijk vond, maar daar weer opduiken omdat ze samen met al die brieven in een doos zijn gestopt.
Net als wij tegenwoordig onszelf goed informeren over wat er om ons heen gebeurt, wilden de 17de-eeuwers dat ook weten. Daarom werd niet alleen een brief geschreven, maar werden bijvoorbeeld ook de laatste kranten meegestuurd. Zo zaten bij een brief naar de West de bijna volledige maanden oktober en november 1673 van de Opregte Haerlemsche Courant en de Amsterdamsche Courant van 9 november 1673. Die laatste krant is in geen enkel archief of bibliotheek in Nederland meer te vinden.

OHC-7-oktober-1673-pag-2

In de ‘Opregte” van 7 november valt te lezen dat het op 4 oktober stormde voor de Zeeuwse kust en ‘verscheyde avonturiers’ [kaperschepen] naar binnen moesten komen. Aan boord van de Fenix moest al het geschut overboord gezet worden ‘om hem te salveeren’ en bij de Metaelman brak de fokkemast af. Dat is niet alleen voer voor historici maar ook voor meteorologen die zich met weergeschiedenis bezig houden. Op deze wijze kon bijvoorbeeld J. Buisman zijn befaamde zesdelige meteorologische magnum opus Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen schrijven.

AC-9november1673pag1

In de ‘Amsterdamse’ staat een kleine regel die ons Nederlanders er nog eens op wijst dat we ooit de meest roemruchte stad ter wereld bezaten, want op 3 november 1673 verneemt de redactie uit Engeland dat: ‘Den koningh heeft ordre gegeven voor het equiperen van een considerabel esquader oorlogh schepen … dat men voorheeft, Nieuw Jorck daer mede weder te vermeesteren.

De opnamen van deze kranten konden zodoende doorgegeven worden aan de KB voor hun krantenbank Delpher. Aan de kranten kunnen we al zien dat de mensen van toen, net als die van nu, bekenden graag wilden laten delen in het laatste nieuws, maar dat gold natuurlijk ook voor zeer persoonlijke zaken. Hoe laat je in de 18de eeuw aan iemand overzee weten wat voor nieuwe jurk je hebt gekocht, hoe de laatste mode in Parijs er uitziet of hoe je je eigen ontwerp wilt laten uitvoeren, zonder dat je over telefoon, mail of whatsapp beschikt? Simpel, je stuurt monstertjes op van de textiel, zoals deze jonge juffer uit West-Indië die met deze monsters vertelt wat zij voor het haar gezonden geld gekocht heeft: ‘dit is van de zwarte vouwjapon (het zwart-witte textiel). Dit is een present van Pietje (het blauw en bordeauxrode textiel). Dit is van mijn nieuwen japon die ik gekocht heb voor het geld dat u edele mijn voor een present gesonde heb.’ (het lichtblauwe en oranjerode textiel); zelfs de roestige speldjes zaten er nog bij, al had de Engelse archivaris die er van mij ook uit mogen halen -au.

HCA- 30-719 -katoenmonsters

Wie overzee verbleef wilde geliefden en familieleden natuurlijk ook graag op foto bij zich hebben; alleen zou dat eind 18de eeuw nog ruim een eeuw duren voordat dat wijdverspreid was. Omdat het schilderen van een medaillon ook de nodige centen kostte was er voor de minder gefortuneerden eind 18de eeuw een noviteit bedacht. Het uitknippen van schaduwportretten. Zo kreeg de heer Scheitz, de boekhouder en negotiehandelaar op het VOC kantoor te Cochin op de westkust van India rond 1780 silhouetportretten toegestuurd van zijn verwanten Ludwig, Magdalena, Margretha Gabriëlle, Maria Magdalena en Carl Ludwig.

HCA-30-722-portretten-Cochin

Of hij er ook van heeft kunnen genieten weten we natuurlijk niet, want op de heen- of terugreis werden de portretten in beslag genomen. Dat is natuurlijk het sneue verhaal van al deze brieven en paperassen: ze zijn allemaal verloren gegaan voor de eigenaar of degene voor wie het bestemd was.
Enigszins mysterieus zijn de sleutels die rond 1770 werden verstuurd. Een brief met sleutels…daar hoort ongetwijfeld een kist bij. En wat zat er dan in die kist dat die op slot gedaan werd? Deze sleutels werden natuurlijk separaat verzonden zodat tijdens transport de kist niet geopend kon worden. Of moeten we de fantasie de vrije loop laten en gaat het hier om een schat van een vrijbuiter waarbij de ontvanger van de sleutels naar een ander werelddeel of andere plaats moest reizen om de bijbehorende kist te kunnen openen? We zullen het nooit meer weten. Wat ik wel zeker weet is dat er tientallen portefeuilles zijn verstopt in de archieven van het TNA, maar ik daar nooit ofte nimmer geld in terug gevonden heb. Hooguit wisselbrieven; de voorloper van de cheque.

HCA 30-719 portefeuille HCA 30-719 sleutels

Aangezien veel post uit West-Indië komt zitten daar ook de nodige paperassen tussen die ons herinneren aan de plantage-economie en de slavernij. Plantages waren vaak in eigendom bij Zeeuwse of Amsterdamse eigenaren die zelf nooit een stap in Suriname zouden zetten. De plantages werden gerund door een directeur die er enkele jaren zat en die werd bijgestaan door een boekhouder, of hij deed het secretariële werk zelf. Deze boekhouding werd ter controle naar de Republiek teruggezonden. Daardoor is het archief van de High Court of Admiralty een goudschat voor onderzoekers naar de plantagesamenleving en slavernij in Suriname in de 17de en 18de eeuw. In een archiefdoos zat bijvoorbeeld de complete boekhouding van de plantage Geertruijdenberg uit 1778-1779. De zwarte bladzijden van onze geschiedenis komen dan wel heel dichtbij. Tegelijkertijd besef je dat zo een plantage door de achttiende-eeuwse boekhouder zuiver bedrijfsmatig werd bezien, zelfs de slaven die er werkten werden op de balans gezet. Hij noteerde in het kasboek aan de debetzijde alle geboorten en aan de creditzijde alle overledenen onderverdeeld in ‘Mans, Weijven, Jongens en Meisjes.’ Zo lezen we op 30 januari 1779 ‘de neegerin Susanna gekraamt van een neegerjong genaamt Daniël’ en aan de creditzijde op 4 januari van datzelfde jaar ‘de neegerin Theresa aan een langduurende siekte, obiit [gestorven].

kasboek-plantage-geertruijdenberg HCA 30 725
Tot zover het rariteitenkabinet, want daar was je als visser niet naar op zoek. Naast de garnalen en de krabben in het net waar je platvis in vangen wilt hoop je bijvoorbeeld ook eens een mammoetkies aan te treffen. In dit geval drukwerk uit Zeeland wat nog onbekend is, want dat zijn items waar ZB voor de collectie Zelandica altijd naar op zoek is. Zoiets trof ik in mei aan.

Het is het welbekend dat er in de 17de en 18de eeuw in de Republiek al levensverzekeringen afgesloten konden worden, maar bij wie dat was en waar deze maatschappijen zaten is nog slecht bekend. Tijdens werkzaamheden voor Krantenbank Zeeland was ik enige tijd geleden al op de Vlissingse Lyfrete Sociëteit gestuit. In de Middelburgsche Courant van 27 juni 1776 valt te lezen dat een dergelijke maatschappij ook in Vlissingen was opgericht. Tenminste, een afdeling, want zoals uit de oprichtingsartikelen blijkt zat het hoofdbestuur in Amsterdam. Groot was dan ook de verrassing toen tussen enkele scheepspapieren uit 1780 de artikelen van deze maatschappij zaten. In Nederlandse archieven is slechts één aandeel in een dergelijke levensverzekeringsmaatschappij bekend die ouder is dan die van Lyfrente Sociëteit de Zekere Verwagting uit Vlissingen van 1776 en hier lag de volledige oprichtingsakte van de onderneming met intekenlijsten en al! De Vlissingse afdeling had sinds 17 juni 1776 haar obligaties opengesteld voor intekenaars. Opmerkelijk was dat werkelijk iedereen deel kon nemen aan levensverzekeringsmaatschappij de Zekere Verwagting. Nu moeten we dat niet te letterlijk nemen, want de inleg van honderd Pond Vlaams (€ 271,50) was natuurlijk voor de gewone man ruim een jaarinkomen, maar daaruit werd wel intrest en dividend genoten. Hoe vaak en wanneer er uitgekeerd werd, welke voorwaarden er aan verbonden waren en wie behalve de boekhouder Johannes Nortier allemaal bij deze levensverzekeringsmaatschappij betrokken waren is nu dus bekend. Het is natuurlijk archiefmateriaal, dus het origineel moet in Kew blijven, maar ZB heeft dit boekwerkje nu in ieder geval digitaal tot haar beschikking.

lyfrente-societeit

Het werd bij de Vlissingse uitgeversfamilie Corbeleyn uitgebracht. In Middelburg waren nog veel meer drukkers actief dan in Vlissingen, al was het alleen in verband met tal van officiële uitgaven die hier vandaan kwamen. Zo trof ik ook drukwerk van Pieter Gillissen uit Middelburg die het drukwerk voor de VOC kamer Zeeland verzorgde. Daaronder bevinden zich een ‘Artykel-brief’ en een ‘Extract uit de Ordre en reglement van de Vergadering van de Zeventiene, de Generale Geoctroyeerde Oost-Indische Compagnie representerende…’ uit 1771 die nog niet in bezit van ZB waren. Dat leert ons weer meer over de productie en bezigheden van de drukkers die hier actief waren.

HCA 30-722 Extract_Orde_en_ReglementVOC_Pieter_Gillissen_Middelburg_1771

Zo blijkt maar weer dat elk nadeel zijn voordeel heeft. Want hoewel uit oorlogshandelingen doorgaans weinig goeds voorkomt is door het massaal in beslag nemen van Nederlandse papieren door de Engelsen in de zeventiende en achttiende eeuw een belangrijke culturele schat bewaard gebleven die anders vrijwel zeker was verdwenen. Hoewel in dit blog de gewone vangst, de vele honderden brieven van en aan Zeeuwen, onbesproken bleven, gaat ZB met vele vrijwilligers hard werken om al die brieven die óók in Kew gevonden zijn te ontsluiten ín het project Zee(uw)post. Waarover later meer.

Johan Francke,

Informatiespecialist

Een aardige aanwinst

donderdag, 25 februari 2016

Bij beperkte middelen voor aanschaf, komen er gelukkig ook schenkingen van weldoeners binnen die de bijzondere collecties van ZB verrijken. Een van deze verzamelingen zijn de zogenaamde prijsbanden. In het verleden kregen leerlingen, die goed hun best gedaan hadden, een boek aangeboden door de onderwijsinstelling waar ze op school zaten. De leerkrachten lieten dat boek in een speciale luxe omslag inbinden. In het boek werd een inlegvel bijgebonden waar de opdracht aan de leerling en de handtekening van het hoofd der school op stonden.

OmslagZB heeft een behoorlijke collectie Zeeuwse, maar vooral Middelburgse prijsbanden. De oudste dateert van 1698. Het gebruik is in de tweede helft van de 19e eeuw verdwenen. Er waren verschillende instellingen die ze toekenden. De meest prestigieuze was de Latijnse School, die later gymnasium genoemd werd. De beste leerlingen uit een klas kregen dikwijls een klassiek Latijns literair werk aangeboden, gevat in een kalfsleren band, aan de voor- en achterzijde voorzien van het Middelburgse stadswapen in goudopdruk. Het waren lang niet altijd gloednieuwe boeken die geschonken werden. Wel liet men bij een boekbinder een nieuwe band om een kaal of tijdelijk ingebonden boekblok vervaardigen.
Maar er waren ook andere instellingen die goedkopere banden van halfleer, perkament of zelfs alleen maar papier lieten maken: bijvoorbeeld de (tegenwoordig zouden we zeggen openbare) scholen der stad, de doopsgezinde gemeente en armenscholen. Het gymnasium was alleen voor jongens toegankelijk, maar andere scholen stelden zich gaandeweg open voor meisjes. Er was een Franstalig instituut dat zich zelfs uitsluitend op de vorming van meisjes toelegde. Zeer fraaie prijsbanden, voorzien van een zegel, werden uitgereikt op de Tekenacademie: voor zover bekend, alleen aan jongens.
In de loop van de tijd heeft een deel van deze prijsbanden hun weg naar ZB gevonden, soms door aankoop, soms door schenking. Sommige banden zijn heel hun bestaan in Middelburg gebleven, andere zijn na tientallen jaren of zelfs eeuwen afwezigheid teruggekeerd naar de stad waar ze ooit uitgereikt werden. In veel gevallen is de opdracht eruit verdwenen, hetgeen het exemplaar als onderzoeksobject aanzienlijk minder waardevol maakt.

Onlangs kreeg ik van een mevrouw uit Den Haag een drietal prijsbanden geschonken, die nauw bij elkaar horen. Het eerste exemplaar bestaat uit een Franstalig leesboek, in 1805 door de “Écoles de la ville de Middelbourg” geschonken aan de toen elfjarige Petrus Ketner. Ofschoon het indertijd als jeugdboek beschouwd werd, is het niveau voor hedendaagse begrippen dat van een gevorderde student Frans. Ook in die tijd zal het boek eerder als aanmoediging bedoeld geweest zijn dan vanuit het idee dat dit kind het meteen zou kunnen lezen en bevatten. Petrus Ketner was de zoon van een Boheemse marktkoopman, die op een handelsreis verliefd was geworden op een Nederlands meisje, en zich in Middelburg vestigde.
Het tweede boek, dat Nederlandse korte verhalen bevat met bijbehorende moralistische vragen, werd in 1806 als prijs van naarstigheid door de “opzienders der schoolen der stad Middelburg” toegekend aan Maria Johanna van der Meer, nog maar zeven jaar oud. Nu treft het zo, dat de jonge heer Ketner en de jonge dame Van der Meer in 1825 met elkaar getrouwd zijn. De derde prijsband, eveneens een verzameling korte verhalen, werd in 1816 aan de dertienjarige Sara van der Meer, een zuster van Maria Johanna en altijd ongehuwd gebleven, overhandigd.

 

Inlegvellen in prijsbanden

Inlegvellen in prijsbanden

 

De familie Ketner heeft deze drie prijsbanden van vader op zoon overgedragen. De familie is later naar Rotterdam verhuisd. Nu heeft de achter-achterkleindochter van het echtpaar Ketner-Van der Meer dit dierbare familiebezit teruggebracht naar Middelburg en aan de bibliotheek geschonken. Haar overweging was, dat haar eigen nabestaanden wellicht de waarde van deze werken niet zouden inzien. ZB wordt daarmee nog sterker tot een schatkamer van de stad Middelburg. De prijzen voor de ijverige jongen, zijn (latere) vrouw en hun (schoon)zuster worden nu voor altijd naast elkaar in de kluis alhier bewaard.

Marinus Bierens
Conservator

De Zeeuwse taele

vrijdag, 31 juli 2015

Het Zeeuws is aan het verdwijnen. In 2003 werd nog in één op de vijf gezinnen thuis meestal Zeeuws gesproken. Nu is dat nog maar bij één op de zeven gezinnen het geval en dan vooral in reformatorische gezinnen en in de gemeenten Reimerswaal, Tholen en Borsele.

In 2003 was het ook onder volwassenen nog heel gangbaar om Zeeuws te spreken want de meerderheid van de Zeeuwen gaf toen aan regelmatig Zeeuws te spreken. Daarnaast zijn de gezinnen waar nog wel Zeeuws gesproken wordt heel specifiek; in bijna de helft van de reformatorische gezinnen wordt Zeeuws gesproken en gezinnen wonend in de gemeenten Reimerswaal (61%), Tholen (38%) en Borsele (30%). De afname van het Zeeuws vindt vooral plaats onder kinderen die op een protestant-christelijke school (7% in 2014 en 13% in 2006) en openbare school zitten (7%) in 2014 en 12% in 2006). Dit blijkt uit de in 2014 voor de vierde keer gehouden Jeugdmonitor enquête basisonderwijs onder leerlingen van de Zeeuwse groepen 6, vooral 9- en 10-jarigen. Aan de enquête in 2014 werd meegedaan door 2026 kinderen wat neerkomt op een respons van 46%.

Factsheet thuissituatie jeugdmonitor Zeeland 2014

Factsheet thuissituatie jeugdmonitor Zeeland

Op de stelling op de website van de PZC “Alle kinderen moeten Zeeuwse les krijgen” zijn de reacties exact fifty-fifty. Na publicatie van een paginagroot artikel in de PZC van woensdag 29 juli volgden veel reacties en vandaag, 31 juli, een heerlijke column van Maan Leo, die uiteindelijk waardering heeft voor de voorstanders van het dialect.

Nijntje an zee

Nijntje an zee

In de collectie van de Zeeuwse Bibliotheek zijn voor liefhebbers van de Zeeuwse taele mooie boeken te vinden. Voor de allerjongsten Kleine pluus, Nijntje ân zee en Opa en oma pluus van Dick Bruna in het Zeeuws. Ook boeken met aansprekende titels als: Uutstuuksels: spreuken en uitdrukkingen van Leuntje en Merien, Goed Zeeuws, goed rond, Oekse Praot, Mee smaek verteld. En natuurlijk het Woordenboek der Zeeuwse dialecten voor als je wilt weten wat bijvoorbeeld “flausjes” zijn en in welke dorpen of steden ze flausjes zeggen in plaats van smoesjes.

Vanaf nu tot eind augustus 2015 vind je in het Zeelandpaviljoen op de 1e verdieping van de Zeeuwse Bibliotheek/SCOOP een selectie van allerlei boeken, luisterboeken en CD’s met Zeeuwse muziek van de Lamaketta’s, Piet Brakman, Engel Reinhoudt en nog veel meer om te lenen of eens in te zien.

Bronnen:
Factsheet Thuissituatie van Zeeuwse Bibliotheek/SCOOP, 2015
PZC van woensdag 29 juli 2015 en 31 juli
• Boeken over Zeeuws in de Zeeuwse bibliotheken

Zeeuwse vlag

Zeeuwse vlag

Adriënne Withagen

How to act at a distance in the early modern world

dinsdag, 26 mei 2015

The case of the Commercie Compagnie Middelburg

Op de vrijdag na Hemelvaartsdag vond in de Aula van de Zeeuwse Bibliotheek het eerste door de University College Roosevelt binnen onze muren georganiseerde symposium plaats. Dit symposium werd georganiseerd in het kader van de afronding van het werkcollege dat Dr. Arjan van Dixhoorn zijn derdejaars gaf. Dat werkcollege, ‘Zeeland and the Early Modern World’, had als doel het informatienetwerk van de Middelburgse Commercie Compagnie (MCC) te onderzoeken. Alle studenten (en dat waren er acht) gaven daartoe een presentatie.

TH vanuit Opal (Large)

Voor diegenen onder u die in 2014 in een grot in Tora Bora verbleven: de Middelburgsche Commercie Compagnie was in opzet een rederij die in 1720 tijdens de zogenaamde South Sea Bubble (een kredietcrisis op basis van verkoop van luchtkastelen) werd gesticht en pas in 1889 geliquideerd zou worden. Het bedrijf is vooral beroemd geworden omdat het complete archief van de bedrijfsadministratie bewaard is gebleven in het Zeeuws Archief (en inmiddels op de werelderfgoed lijst van de Unesco staat) en de MCC tussen 1734 en 1809 113 slavenreizen heeft ondernomen. Nu de opgewaaide bladeren in de vorm van het vraagstuk van de slavenhandel na vorig jaar weer rustig op de grond geland zijn, was het tijd om te bezien wat je zoal nog meer kan doen met een dergelijk bedrijfsarchief. Onder andere onderzoeken hoe de directie het klaarspeelde om wereldwijd haar ogen en oren open te houden en over de gehele globe haar kapiteins probeerde te dirigeren.

ZB9 100_3716

Om dat te onderzoeken werden de studenten in het diepe gegooid om voor het eerst in hun leven zelfstandig een wetenschappelijk onderzoek op te zetten en uit te voeren. Daarmee is enerzijds aangegeven dat de verwachtingen niet te hoog gespannen mogen zijn. Het gaat hier immers niet om volwaardige geschiedenisstudenten, maar om studenten die in de toekomst én nog moeten kiezen of ze wel onderzoeker willen worden én -indien ze dit pad van de alfawetenschappen bewandelen- ze dan ook nog geschiedenis willen gaan studeren. Anderzijds is van de UCR studenten hun bevlogenheid en bovengemiddelde intelligentie bekend. Aldus zie je op zo’n middag vaak rijp en groen voorbij komen.

100_3721

Anders dan bij andere symposia was het hier vaak wel een zaak van herkauwen. Daarmee bedoel ik dat de studenten door hun docent dan wel het bos in werden gestuurd, maar niet zonder allen een identieke picknickmand mee te geven. Dat betekent dat driekwart van hen de luisteraars in de Aula vergaapt op het gegeven dat in dat mandje is genuttigd uit Wolfgang Krohns, The dynamics of science and technology: social values, technical norms and scientific criteria in the development of knowledge. Dit met als doel het onderzochte te kunnen toetsen aan de theoretische onderbouwing en uitgangspunten.

Gelukkig blijft er nog genoeg unieks over om er toch een boeiende middag van te maken.

Hermanus van de Putte2

Hermanus van de Putte (1661 – 1724 ), regent en slavenhandelaar

Het aardige aan dit werkcollege is dat studenten van nu, die zijn opgegroeid met smartphones, tablets, internet en sociale media als twitter en facebook gaan onderzoeken hoe onze voorouders driehonderd jaar geleden hun informatienetwerk opzetten. De, althans voor historici, niet-verrassende uitkomst is dat wij weliswaar in een informatie- en communicatie samenleving wonen, maar deze niet uniek is voor onze eeuw. Deze bestond namelijk al bij aanvang van de Nieuwe Tijd, zo rond 1600. De MCC, zo bleek die middag, heeft handelsagenten  gehad in alle grote havens ter wereld in Rusland, Noorwegen, Engeland, Frankrijk, Spanje,  Afrika, de Caraïben, de Kaapverdische Eilanden, Madeira, de Azoren tot St. Helena toe. Deze wereldgeschiedenis van een Middelburgs bedrijf leent zich uitstekend voor een geschiedeniscollege van de UCR, want daar wordt ‘glocal history’ onderwezen vanuit het idee dat alles wat in de wereld gebeurt ook vanuit het lokale perspectief bekeken kan worden. Met andere woorden: om een systeem te begrijpen hoef je niet naar het ageren van staten te kijken, maar is het bestuderen van kleinere instituties, gemeenschappen, bedrijven en netwerken voldoende om het geheel te overzien.

MCC de Hoop Nieuwepoortstraat e

MCC De Hoop, Nieuwepoortstraat Middelburg

Het programma bestond uit een inleiding en slotopmerking van Prof. Dr. Arjan van Dixhoorn, zeven presentaties van twintig minuten door de studenten van het werkcollege en een korte film over het onderwerp. Daarmee was het een middag vullend programma dat van half twee tot kwart voor zes duurde. Net zoals met goede wijn in bijbelverhalen, werd ook hier het beste tot het laatst bewaard. Vooral de presentatie van Gina Leyva Freundt (de enige niet Nederlandstalige studente) over een handelsagent op Jamaica tussen 1738-1744 en die van Sjors Coenen over de correspondentie tussen het hoofdkantoor en kooplieden uit Marseille in de maanden maart tot en met juni 1733 brachten nieuwe zaken aan het licht.

Nestor Romero Clemente en Lewis Dean sloten af en brachten een geheel eigen bijdrage aan dit programma in de vorm van een korte film of teaser, waarin het betreffende werkcollege wordt aangeprezen. Eerder al bedacht Nestor een teaser voor een college van Prof. Dr. Albert Clement en een teaser voor de N8 van de n8 in Middelburg. Wat Nestor maakt met zijn huis-tuin-en-keukenapparatuur overstijgt het niveau van de gemiddelde documentairemaker van de NPO nu al. Wie de teaser van het college zag, weet dat Nestor in de voetsporen van David Attenborough treedt. We kunnen alleen maar hopen dat deze regisseur in spé niet geheel voor Zeeland verloren zal gaan, aangezien zijn opleiding, net als die van alle andere studenten van deze middag, is afgerond.

100_3718

Onder de pakweg vijftig aanwezigen bevond zich ook een afvaardiging van het Familiefonds Snouck Hurgronje. Met de leerstoel van Prof. Dr. Arjan van Dixhoorn is namelijk iets vreemds aan de hand; het is de enige leerstoel in Nederland die wordt bekostigd uit de opbrengst van een nalatenschap die in zijn geheel is geroofd van de Staat, of in dit geval de Staten van Zeeland, want de fraude werd al driehonderd jaar geleden gepleegd. Achteraf kunnen we er blij om zijn dat Isaac Hurgronje op deze wijze zijn rijkdommen alsnog teruggeeft aan hen van wie dit geld gestolen was: de gemeenschap, want het gaat om een niet onaanzienlijk bedrag van rond de zes ton in guldens.

Nu zijn er graaiers die daar tegenwoordig hun hand niet voor omdraaien, maar als we dit naar hedendaagse valuta omrekenen hebben we het toch over tenminste € 13,6 miljoen. Dat geld werd door de toenmalige vendumeester en later burgemeester van Vlissingen, achterovergedrukt uit de verkoop van tijdens de Negenjarige- en Spaanse Successieoorlog buitgemaakte schepen. Het Familiefonds houdt er thans toezicht op dat dit geld nuttig wordt besteed. Dat is wat mij betreft het geval, want hoe anders krijgt Zeeland ooit nog de kans toekomstige internationale wetenschappers bekend en enthousiast te maken voor de geschiedenis van dit gewest? Die kans mogen we na 1575 niet nog een keer door onze handen laten glippen.

 

Johan Francke, Informatiespecialist