Archief van categorie ‘Erfgoed’

Slotschrift : over hoe spinnetjes holden en knoopjes rolden en Loesje opnieuw gelijk kreeg: de weg loopt niet waar je ‘m verwacht

donderdag, 19 januari 2023

Hoe was het ook al weer

Op de kop af 9 jaar geleden begon ik met mijn zoektocht naar de oorsprong van de Zeeuwse knoop. Dat was na een bezoek in november 2013 aan de Foundation Beyeler in Basel, waar ik in de museumwinkel een boek vond over 25.000 jaar sieraden, uitgegeven door de gezamenlijke Berlijnse staatsmusea. De items op de coverfoto deden me sterk denken aan onze Zeeuwse knoop. Dit bracht me in de jaren erna virtueel de hele wereld over, maar het accent van deze reis lag aanvankelijk toch vooral in Europa. Ik schreef er dit blog over dat werd gepubliceerd op de site van de Zeeuwse Bibliotheek in Middelburg.

De aanleiding voor dit slotschrift, was een telefoontje in het voorjaar van 2020 van edelsmid Eva van Kempen uit Amsterdam. Een deel van haar werk richt zich op ambachtelijk erfgoed en filigrain en ze had mijn blog op internet gevonden.

Eva was op dat moment bezig met haar scriptie ter afronding van een Master aan het Sandberg Instituut (Rietveld Academie). Zij deed veldonderzoek naar de staat van filigrain in Nederland en in China.

De laatste Nederlandse filigrain-meester Cor Kuijf (Schoonhoven) gaat/ is inmiddels met pensioen, waarmee de techniek en bijbehorende vaardigheden in Nederland verloren dreigen te gaan.

Als reactie op het dreigend uitsterven van dit ambachtelijk vakmanschap in Nederland en voortbouwend op een recente heropleving van de belangstelling voor het ambacht, is Eva van plan een project te starten in de vorm van een online open source platform over filigrain (vooralsnog alleen op Instagram) onder de naam Filigree Embassy. Met als doel informatie over filigrain toegankelijker te maken voor Nederlandse vormgevers, kunstenaars, sieradenmakers en -dragers en om kennis te verzamelen en te delen.

Het filigrain als ambacht wordt gezien als een belangrijk deel van het Nederlandse immateriële erfgoed omdat de techniek veel gebruikt werd en wordt in traditionele Nederlandse streeksieraden, waaronder de Zeeuwse knoop in al zijn variaties.

Tijdens onze gedachtewisselingen kwamen we begin vorig jaar tot een conclusie over de oorsprong van filigrain in het algemeen en daarmee de techniek en ontwerp van de Zeeuwse knoop in het bijzonder. Een conclusie die naar mijn oordeel het vermelden waard is, al zal misschien niet iedereen die met evenveel enthousiasme ontvangen.

Het gaat daarbij onder meer om de spinnetjes, die zo kenmerkend zijn voor het ontwerp van de Zeeuwse knoop. Door wie, waar en wanneer werden ze voor het eerst gemaakt, waar duiken ze voor het eerst op? Tot nu is, of was de consensus dat de filigraintechniek (dus het draadwerk en de korrels door granulatie) werd ontwikkeld in het oude Mesopotamië, het Tweestromenland. Ook wel het Land van Eufraat en Tigris genoemd, “land van melk en honing”. Wat nu grofweg de landen Irak en Syrië zijn, de bakermat van onze Westerse beschaving, ontstaan meer dan 6000 jaar voor Christus, dus ongeveer 8000 jaar geleden.

Vandaaruit waren het met name (of is het onder meer?) de Etrusken (inwoners van Etrurië, het huidige Toscane, Umbrië en Latina in Italië) die de techniek importeerden naar Europa. Zij versierden hun sieraden soms ook met spinnetjes.

Maar… en het hiernavolgende is gebaseerd op de gesprekken die Eva van Kempen en ik vanaf maart 2021 over dit onderwerp voerden en op een artikel dat zij schreef voor het Engelse tijdschrift Journal of Jewellery Research, Volume 4 May 2021 – ISNN2516-337X.

Overigens, Wikipedia is en blijft natuurlijk de inmiddels bijna onuitputtelijke bron van talloze weetjes:


Het Holoceen is het geologische tijdvak van ca. 12.000 jaar geleden tot nu. Het is een relatief warme periode (ook Interglaciaal genoemd) vergeleken met de daaraan voorafgaande IJstijd, de koude periode aan het einde van het Pleistoceen.

De oude Steentijd eindigt officieel met het einde van het Pleistoceen. In de geschiedenis van de mens in Europa is het Holoceen de periode van de midden– en jonge steentijd, de kopertijd, de bronstijd en de ijzertijd, waarna de geschreven geschiedenis begint.

De midden Steentijd (vanaf bijna 12000 jaar geleden, het einde van de laatste ijstijd): culturen van jagers-verzamelaars

De jonge Steentijd vanaf 6000 voor Chr. (dus 8000 jaar geleden): begin van de landbouw

Kopertijd vanaf ca. 5500 voor Chr. (dus 7500 jaar geleden)

Bronstijd vanaf ca. 3500 voor Chr. (dus 5500 jaar geleden)

IJzertijd vanaf ca. 1200 voor Chr. (dus 3200 jaar geleden)

De Steentijd of het stenen tijdperk is de periode uit de prehistorie waarin mensen stenen en nog geen metalen werktuigen gebruikten. Helemaal aan het eind van de jonge steentijd, dus vanaf 8000 tot 7500 jaar geleden, werden van sommige metalen wel sieraden gemaakt.


China

Over China gesproken dus. Hoe het precies zit met de Chinese jonge Steentijd en Kopertijd is niet eenvoudig te achterhalen. Maar ook dit gebied kent klimatologische en ontwikkelingsperioden die min of meer vergelijkbaar zijn met die in Europa.

Er zijn geen Chinese schriftelijke bronnen uit de tijd voor 1300 v.Chr.. Pas vanaf 200 v.Chr. kunnen schriftelijke bronnen en archeologische vondsten met zekerheid aan elkaar worden gekoppeld.

Maar er is natuurlijk veel meer dan schriftelijk materiaal. Oeroude menselijke resten bijvoorbeeld. Zo las ik vorig jaar op de site van Scientias in een artikel van Rob Oele het volgende:

“In China liep al heel vroeg een ‘moderne’ mens(achtige) rond. Azië wordt steeds meer beschouwd als mede-brongebied van onze diepe roots. Als actueel voorbeeld moge een schedel uit China (Harbin) dienen. Die was al eerder gevonden maar hij werd pas in 2021 goed bekeken en voorts gedateerd op minstens 140.000 jaar oud, maar waarschijnlijk was hij nog een stuk ouder. De Drakenman (die naam kreeg hij) leek op een moderne mens want zijn herseninhoud was tenminste zo groot als die van een moderne mens en ook zijn aangezicht leek op dat van ons. Maar de rest van zijn langwerpige, plattere schedel duidt op andere genetische invloeden. Zou de ‘Afrikaanse’ Homo sapiens zich daar al zó vroeg vermengd hebben met een lokaal ontstane mens(achtige)? Of ontwikkelde de drakenman zich zonder die inmenging vanuit de Aziatische metapopulatie van mens(achtig)en? Wie het weet mag het zeggen.”

Homo Longi
Homo longi NT door Nobu Tamura, CC BY-SA 3.0 , via Wikimedia Commons Geraadpleegd op 10 januari 2023

En wat te denken van mogelijk millennialange overlevering van textiel- en kledingtradities en de edelsmeedkunst en sieraden. Juist en met name in Zuid-China wordt de filigraintechniek nog steeds van generatie op generatie overgedragen en volop toegepast. Hun filigrain is tot uiterste technische en artistieke perfectie ontwikkeld. *

Ik heb het hier met name over twee vrijheidslievende bergvolken, de Hmong (Miao) en Mien (Yao), met hun eigen nauw aan elkaar verwante taalfamilies. Met als meest waarschijnlijke thuisland Zuid-China, tussen de Yangtze- en de Mekongrivieren. Ze behoren tot of zijn de oudste volken in dit gebied, met hun eigen diaspora.

Volgens de Amerikaanse taalkundige Martha Ratliff is er taalkundig bewijs dat de Hmong/ Miao al meer dan 8000 jaar in Zuid-China leven. Ook de bevindingen uit het National Genographic Project (DNA-Haplogroepen) wijzen vermoedelijk in die richting (zie het rode gebied met haplogroep O3d-M7 (y-dna). Even googelen voor een grotere afbeelding).

Y-DNA van Haplogroepen
Chakazul, CC BY-SA 3.0 , via Wikimedia Commons. Geraadpleegd op 10 januari 2023 van https://commons.wikimedia.org/wiki/File:World_Map_of_Y-DNA_Haplogroups.png

*Een absolute aanrader: het boek “Zilver Het wonder uit het Oosten: filigrein van de Tsaren” door Maria Mensjikova en Jet Pijzel-Dommisse, uitgegeven in 2006 door Waanders Zwolle, Stichting De Hermitage aan de Amstel in Amsterdam en Staatsmuseum De Hermitage in Sint-Petersburg.

Dat ‘Oosten’ is voornamelijk China en voor een klein deel India (met medewerking van Chinese meesters?) en Batavia, 17e t/m 19e eeuw.

Voorzijde boek Zilver het wonder uit het Oosten filigrein van de tsaren door Maria Mensjikova en Jet Pijzel-Dommisse
Zilver het wonder uit het Oosten filigrein van de tsaren door Maria Mensjikova en Jet Pijzel-Dommisse

Oudste bron Hmong/Miao?

Een voorzichtige conclusie is dat de oudste bron van het filigrain als zodanig (de draad- en granulatietechnieken) Zuid-China zou kunnen zijn. In het bijzonder het Hmong/ Miao bergvolk. En dat van daaruit verspreiding plaatsvond over de rest van de wereld. Zoals Mesopotamië. Voor alle duidelijkheid: het is een mogelijkheid. Gebaseerd op de wat betreft techniek en artisticiteit uitzonderlijk verfijnde, hoogstaande objecten uit de collecties van de tsaren en het prachtige zilverwerk dat nog steeds gemaakt wordt door de Hmong/ Miao.

Baojing festival copyright Helga Peeters, bedrijfsleidster van reisfactorij Anubhuti in Moerbeke-Waas België

Chinese culturele revolutie

Tijdens de zogenaamde ‘grote proletarische culturele revolutie’ in China, van 1966 tot 1976 onder het regime van dictator Mao Zedong, vond massale vernietiging plaats van historisch cultureel erfgoed. De machthebbers zorgden voor vernietiging van de ‘Vier Ouden’ (oude cultuur, oude gewoontes, oude gebruiken en oude gedachten). In korte tijd werden veel gebouwen, voorwerpen, boeken en schilderijen vernield door hun Rode Gardes. Leden van etnische minderheden zoals de Boeddhistische Tibetanen en de Oeigoeren werden vervolgd omdat zij vasthielden aan hun oude gebruiken. Miljoenen Chinezen werden vervolgd, gemarteld en vermoord of stierven de hongerdood.

Ook textiel en sieraden werden vernietigd of omgesmolten. Het maken, dragen of bezitten van sieraden werd verboden. Maar omdat een bergvolk zoals de Hmong/ Miao zich vermoedelijk in elk geval ten dele aan deze destructie kon onttrekken, zijn hun oude kleding- en sieradentradities in stand gebleven. Inclusief het vakmanschap van hun meesteredelsmeden.

Als ik Internet afstroop kom ik hedendaagse en vintage Hmong/ Miao sieraden tegen die versierd zijn met spinnetjes. Maar het zijn er niet heel veel. En meestal niet in de vorm van een knoop of iets dat daarop lijkt, uitgezonderd een enkele haarpin. En daarmee kom ik wat betreft onze Zeeuwse knoop toch weer, met een sprongetje achteruit, terecht in de Europese 16e en 17e eeuw. In de ons inmiddels bekende landen Spanje en Portugal. In de Nederlanden. En bij de Sefardische Joden.

Bekijk een een afbeelding van een Miao haarpin op Pinterest: nl.pinterest.com/pin/heart-beat-big-sur-carmel-treasure-chest-the-collection-of-treasures–748019819331789153/

Bekijk een afbeelding van een Miao haarpint op Pinterest: nl.pinterest.com/pin/610097080742389390/

Azië en Europa

“Vanaf de zestiende en zeventiende eeuw werd de filigreintechniek in bijna alle Europese en Aziatische landen toegepast (…).

Tijdens de verbanning van de Joden uit Spanje in de 16e eeuw en de verbanning van Hugenoten uit Frankrijk in de 17e eeuw, trokken veel edelsmeden weg uit hun geboorteland. In de nieuwe woonomgeving vond een uitwisseling plaats tussen de nieuwe en de lokale meesters. Zo mengden de hun bekende filigreintechnieken zich met de techniek van de autochtone meesters.

Andere belangrijke factoren voor de totstandkoming van een universele stijl waren de ontdekkingsreizen, de verbreding van de invloedsfeer van de Europese landen en de oprichting door Portugal, Spanje, de Nederlanden en (effectief veel later) Groot-Brittannië van hun Oost-Indische Compagnieën ter ontwikkeling van de zeehandel met India, Zuidoost-Azië en China. In de zestiende eeuw werd Portugal het belangrijkste Europese centrum voor de handel met China (…).

Kunstvoorwerpen werden meegenomen door reizigers of bemanningsleden zelf; daarbij voldeden ze aan bestellingen, kochten de voorwerpen voor zichzelf (zoals ook aldaar vervaardigde knopen? T.) of verkochten ze op veilingen om winst te maken. De Nederlanders handelden tot 1661 via Taiwan, daarna werd Batavia de belangrijkste handelspost voor de Republiek.” (Mensjikova 2006).

Zie het naschrift van onderhavig blog van februari 2018. Daar is bovenstaand feitelijk een onderbouwing van en aanvulling op.

Spanje en Portugal

Over onderbouwing gesproken. De Middelburgse edelsmid Bert van Wijk bericht me sinds twee jaar over zijn reizen naar Portugal, waar hij met zijn camper langs edelsmeden en musea trekt waar traditioneel filigrain gemaakt en tentoongesteld wordt. Overigens werd daar door een museumdirecteur ontkend dat het ontwerp van de Zeeuwse knoop uit Portugal komt. Terecht denk ik. Maar na zijn vakantie in Portugal van afgelopen voorjaar doet Bert boodschappen bij de supermarkt en of het zo moet zijn gebeurt daar iets bijzonders:

“Thuis gekomen van mijn vakantie naar AH en naast de nodige etenswaren een tijdschriftje gekocht National Geographic Historia Nummer 5/2022. Hierin staat een artikel over de Sefardim, Iberische Joden in de diaspora. En nou is er een regeltje in dat artikel wat mijn aandacht trok.
‘Ambachten in Fez (Marokko T.). ‘Maar bovenal blonken ze (de Sefardim T.) uit in het edelsmeden. Als geen ander beheersten ze de techniek van het trekken van goud en zilverdraad.’
Artikel geschreven door Rafael M. Giron-Pascual”.

Een prachtige toevalstreffer. Deze Spaanse auteur even gegoogeld natuurlijk. Hij is werkzaam aan de universiteit van Cordoba (aan de masteropleiding genealogie, heraldiek en archieven).

Wat ik bijzonder vind, is dat Bert direct na zijn vakantie in Portugal notabene bij AH in een tijdschrift van Nat Geo nog een bevestiging heeft gevonden van wat ik noteerde in de laatste alinea van het naschrift bij dit blog (2/2018) met foto van de Spaanse Charro-knoop:

“Van goudsmid Luis Mendez Lopez (met Portugese voorouders T.) uit Salamanca kreeg ik november vorig jaar een aantal teksten die hij weer kreeg van de gemeente Salamanca. Hij had eerst navraag gedaan bij het Regionale Centrum voor traditionele studies in de regio Castilië en León. In de teksten staat dat de Charro-knoop, behorend bij de regionale streekdracht, gemaakt en gedragen werd en wordt in Salamanca, Zamora en de grensstreek met Portugal. En dat lang geleden in de sieradenworkshops van Astorga, León en Salamanca invloeden te zien waren van Joodse en Moorse goudsmeden, met filigraan en granulaat, zoals toegepast in de Charro-knoop. Die op hun beurt zijn afgeleid van decoratieve knopen uit de zestiende en vroege zeventiende eeuw.”

De knopen van Willem van Oranje

Tenslotte kreeg ik eind augustus jl. een mail van Martin van Wallenburg, archeoloog en historicus uit Den Haag met Zeeuwse achtergrond. Hij is sinds vele jaren geïnteresseerd in ‘Zeeland en de West’, waarbij het doorgronden van de Zeeuwse cultuur en tradities een belangrijk onderdeel is gaan vormen van zijn onderzoeksgebied.

Hij oppert op basis van bestudering van een in Middelburg gemaakt schilderij van Willem van Oranje uit 1588 of 1589, dat op diens mantel de oudst bekende afbeelding te zien is van een filigrain-knoop in een Zeeuwse context, met duidelijk zichtbaar een korfje met bovenop een granule.

Op de tweede foto hieronder een ander, ouder portret van Willem van Oranje, uit 1579. Daarop zijn vergelijkbare knopen te zien, alleen lijken de granulen te ontbreken.

De foto’s zijn afkomstig van respectievelijk de sites van het Zeeuws Archief in Middelburg en het Rijksmuseum in Amsterdam. Martin nam ze op in een artikel waar hij aan werkt.

Een mooie ontdekking, waarmee we weer 100 jaar verder terug in de tijd zijn gegaan, naar de 16e eeuw, misschien zelfs einde 15e eeuw.

In een andere suggestie van Van Wallenburg, dat dit type knopen (korfje met granule) een voorloper zou zijn van de Zeeuwse knoop, kan ik niet meegaan. Naar mijn oordeel is het niet zozeer een voorloper maar een broertje, één van de verschillende toepassingen van filigrain.

En voor het schilderij van Van den Queborn uit 1588 heeft Willem van Oranje niet geposeerd. Hij werd immers in 1584 vermoord. Wanneer je goed kijkt naar de details, met name het hoofddeksel en de bontkraag onder de kanten kraag en daaronder de details van de sluitingen van de jas en de schouderstukken, dan lijkt het om dezelfde jas te gaan. Ik denk dat het schilderij uit 1588 voor de gelegenheid (1574 stadsrechten voor Arnemuiden) ‘postuum’ is geschilderd naar het portret uit 1579. De knopen (met granule) zijn wellicht nageschilderd van knopen die Van den Queborn ergens anders heeft gezien. Misschien op een ander schilderij van Willem van Oranje of van een tijdgenoot. Of in het echt.

Portret van Prins Willem I, in zwarte kleding met goud/zilver borduursel, staande naast links een tafel waarop document met rood lakzegel
Portret van Prins Willem I, in zwarte kleding met goud/zilver borduursel, staande naast links een tafel waarop document met rood lakzegel / Queborn, Daniël van den (c. 1552-1605), Antwerpen (c. 1552-1605), Gemeente Middelburg, Stadhuiscollectie Arnemuiden, nr 5, Geraadpleegd op 21 februari 2023 https://hdl.handle.net/21.12113/61A11151DFD64472ADB320CA3A57C6CD

“Niet vaak speelt een archiefstuk zo’n prominente rol als op dit schilderij van Willem I, prins van Oranje. De oorkonde met uithangend zegel bevat het stadsrecht dat de prins in 1574 aan het dappere Arnemuiden verleende.

In tegenstelling tot de stad Middelburg die trouw bleef aan Spanje (tot 1574 T.), koos het dorp Arnemuiden voor de kant van de opstandelingen en van Willem van Oranje (1533-1584). Het werd voor zijn moed beloond met het stadsrecht.”

Portret van Willem I, prins van Oranje Willem I (1533-84), prins van Oranje, genaamd Willem de Zwijger / Adriaen Thomasz. Key, ca. 1579 Collectie Rijksmuseum Amsterdam, geraadpleegd 10 januari 2023 http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.9542

“Onder de edelen die in de Nederlanden in opstand kwamen tegen het gezag van Filips II groeide Willem van Oranje uit tot de grote leider van de opstand. Hij kwam voor zijn eigen belangen op, streefde naar grotere zelfstandigheid en bepleitte vrijheid van godsdienst. In 1580 zette Filips II een prijs op zijn hoofd; vier jaar later werd hij vermoord.”

En kijk dan toch ook nog even naar de haarpinnen van de Chinese Miao (onderste van de twee foto’s). De bovenste helft is een combinatie van een korfje en de spinnetjes zoals behorend bij de Zeeuwse knoop. Hoe bijzonder is dat.

Tenslotte

Beste lezers, dit was het. Nu echt vermoed ik. De cirkel is rond. Mijn eerder geopperde hypothese van drie mogelijke routes die de spinnetjes holden en de knoopjes rolden worden toch weer bevestigd. 1 Het verre Oosten, 2 Mesopotamië richting Italië en Balkan. En 3 Spanje waar relatief recentelijk toch duidelijk de eerste met de Zeeuwse vergelijkbare knopen werden gemaakt.

Welke de meest waarschijnlijke is? Ik denk de route vanuit het verre oosten, waarbij naar mijn oordeel in elk geval de mogelijkheid van een Chinese oorsprong van de basistechniek van filigrain en granulatie serieus overwogen zou moeten worden. Het is zelfs niet uit te sluiten dat de spinnetjes daar ook voor het eerst werden gemaakt, al blijft Mesopotamië hiervoor natuurlijk kandidaat.

Maken we een grote sprong voorwaarts, naar de 16e en 17e eeuw waarin de eerste voor ons herkenbare knopen opduiken (Amsterdam, Middelburg), dan ga ik voor de Sefardim uit Spanje. Maar ze kunnen ook uit het verre oosten zijn meegenomen door onze scheepvaarders van de VOC. En wie weet was het een kwestie van beiden.

Dank

Met heel veel dank aan ieder die de afgelopen negen jaar een bijdrage leverde aan mijn zoektocht. Jullie zijn allen waardige leden van de Orde van de Zeeuwse Knoop.

Trude de Reij

Middelburg, 13 november 2022

Bekijk een afbeelding van Hmong oorbellen op Etsy www.etsy.com/nl/listing/668016078/hill-tribe-oude-zilveren-oorbellen-uit

Meer informatie:

Meer informatie:
Dit is een gastblog van een couch traveler. Trude de Reij heeft de verre geschiedenis van de Zeeuwse knop onderzocht. Zij publiceert dit onderzoek op uitnodiging van ZB Bibliotheek van Zeeland.
Lees ook:
Deel 1
Deel 2
Deel 3
Deel 4
Deel 5
Deel 6
Deel 7
Naschrift

Over de geschiedenis van de Zeeuwse knoop of: hoe een knoopje kan rollen : naschrift

woensdag, 21 juni 2017

In mei vorig jaar heb ik ‘De levens van Jan Six’ (2016, non-fictie) van Geert Mak gelezen. Voor mensen zoals ik die altijd op zoek zijn naar historische sensaties, is het een geweldig boek. Op de achterkant staat: “Dit is het verhaal van Jan Six, zijn familie en zijn vele levens. Zijn portret wordt beschouwd als het mooiste dat zijn vriend Rembrandt ooit heeft gemaakt. (…) De levens van Jan Six beschrijft de reis van een Amsterdamse elitefamilie door vier eeuwen geschiedenis. Het is tegelijk het verhaal van de stad en tijdgeest, van ambities en beperkingen, van grandeur en de eeuwige angst voor de neergang.”

In dit boek, op pagina 37, staat een foto van ‘Chloris’, een klein portret van een onbekende dame, van Gerard ter Borch uit 1640 (Privé Collectie Six). Zij draagt een broche met hanger. Het beeld in het boek was te klein om exact te kunnen zien wat de hanger is. Maar het was heel verleidelijk een gelijkenis te ontwaren met het ontwerp van de Zeeuwse knoop.

Portret van Chloris door Gerard ter Borch, 1640

Chloris door Gerard ter Borch, 1640

Portret van Jan Six I door Gerard ter Borch, 1640

Jan Six I door Gerard ter Borch, 1640

Diezelfde maand schreef ik mij en mijn man in voor een rondleiding door het huis van de familie Six aan de Amstel in Amsterdam. Door het verschijnen van het boek van Geert Mak was de wachtlijst daarvoor opgelopen tot 8 maanden. Maandag 15 januari jl. was het zover. Na afloop adviseerde jhr. Six (X) om voor meer informatie over het sieraad op het portretje contact op te nemen met Bianca du Mortier, conservator kostuum bij het Rijksmuseum en met Marieke de Winkel, zelfstandig onderzoekster. Hij wilde zelf ook wel weten hoe het zat.

Ik heb contact gezocht met het Rijksmuseum en sprak uiteindelijk met Suzanne van Leeuwen, jr. conservator/ restaurator juwelen. Zij stuurde me onder meer de masterscriptie van haar collega en researchfellow Monique Rakhorst met de titel Gedragen en vastgelegd, uit 2013.
Haar onderwerp van studie is de authenticiteit van sieraden op portretten van welgestelde Amsterdamse inwoners uit de 17e eeuw. Hoewel Chloris geen specifiek onderwerp van haar onderzoek is, is over het sieraad dat zij draagt wel het nodige te zeggen.

Het is een broche met ronde hanger, bezet met diamanten, op de borst gedragen, gangbaar vanaf de jaren ’40 17e eeuw. In dit geval zijn de stenen gezet in een bloemmotief.
De reden waarom er een gelijkenis is met het voorwerp van mijn onderzoek, is dat ook de basis van het ontwerp van de Zeeuwse knoop een bloemmotief is, mogelijk Astrantia (Sterrenkruid), dat in Nederland tevens de naam Zeeuws knopje draagt.
Op de oude schilderijen worden de diamanten op dit type broche vaak in zwart afgebeeld, omdat de reflectie in de stenen door de toen nog toegepaste slijptechniek beperkt was.

Het type sieraad dat Chloris draagt wordt tegenwoordig een ‘Devant de corsage’ genoemd (term uit de 19e eeuw), hoewel dat meestal een grotere, zgn. strikbroche is, met of zonder hanger. De broche op het portretje van Chloris heeft geen strik. Dat geldt overigens ook voor de broche waarmee burgemeestersdochter Agatha Bas (geen familie van Elisabeth Bas) door Rembrandt in 1641 is afgebeeld. Het kunnen de eerste modellen zijn geweest. De hangers aan de broches van beide vrouwen lijken vrijwel identiek. Dat geeft te denken. Ze werden gemaakt vanaf eind jaren ’30 17e eeuw. In dit geval wellicht door dezelfde goudsmid of juwelier, wonend en werkzaam ergens aan de grachtengordel of dicht daar in de buurt.

Portret van Agatha Bas met broche

Agatha Bas / Rembrandt van Rijn, 1641 – Royal Collection Trust

Interessant is dat onder de 17e eeuwse, in Amsterdam gevestigde juweliers en diamantslijpers ook een aantal Zeeuwen was, waaronder de Middelburgers Pieter van den Abeele (juwelier) en Jasper Baackelijn (diamantsnijder). En veel personen afkomstig uit Antwerpen. Een deel van de diamantslijpers was waarschijnlijk tevens goudsmid. Juwelenkooplieden/ juweliers lieten sieraden maken voor de handel (en eigen gebruik) en ontwierpen deze sieraden soms ook zelf.

Op de site van het Rijksmuseum, in de Rijksstudio, vond ik een portret van Mattheus van den Broucke, Raad van Indië te Dordrecht, door Samuel van Hoogstraten, geschilderd in de jaren ’70 17e eeuw. Op zijn jas en vest rijen met gouden knopen die het ontwerp van de Zeeuwse knoop heel dicht benaderen. Er kan zelfs sprake zijn van filigrain of anders een techniek die er veel op lijkt. De knopen op het onderste deel van het rechter voorpand zijn van opzij afgebeeld waardoor hun structuur goed zichtbaar is. Ik ga er vooralsnog vanuit dat het om gouden knopen gaat. Knopen werden en worden ook gemaakt van messing, al dan niet verguld. Het portret van Van den Broucke is geschilderd na zijn terugkeer in de Nederlanden in 1670. Voor en na zijn missies voor WIC en VOC woonde hij in zijn geboortestad Dordrecht.

Portret van Mattheus van den Broucke door Samuel van Hoogstraten, 1670-1678

Mattheus van den Broucke door Samuel van Hoogstraten, 1670-1678

Sanne Roefs, destijds studente aan de RUG, schreef in 2013 een artikel over hem, met als onderwerp zijn ‘zelfpresentatie’ (zeg maar ‘persoonlijke pr’), n.a.v. drie in opdracht van hemzelf geschilderde portretten. Het is haar en ook mij helaas niet gelukt in het Dordrechts archief een boedelbeschrijving van deze man te vinden. Misschien is die er wel, maar nog niet gedigitaliseerd. In dergelijke beschrijvingen kunnen kostuums en knopen zijn opgenomen.
Het persoonlijk archief van Michiel de Ruyter werd in 2013 door nazaat Frits de Ruyter de Wildt overgedragen aan het Nationaal Archief. Op de site van het N.A. staan 48 scans van de boedelbeschrijvingen. Peter Blom, archivaris bij het Zeeuws Archief en Andrea van Boven, specialist infrastructuur bij de Zeeuwse Bibliotheek, vonden een papieren en een digitale vertaling naar modern Nederlands uit 1928 door het Historisch Genootschap. Helaas daarin geen vermelding van kostuums en knopen. De minutieuze beschrijving geeft wel een prachtig beeld van hoe het Amsterdamse huis van Michiel de Ruyter (aan de tegenwoordige Prins Hendrikkade 131) er qua inrichting uitgezien moet hebben. Frits de Ruyter heeft in zijn familie nog een paar vragen uitgezet. Het had gekund dat er tastbare zaken bewaard waren gebleven die nog in het bezit zijn van de familie. De kans was klein, en inderdaad, ook hier jammer genoeg geen resultaat.

Aanvankelijk leek het er op dat onze ‘Zeeuwse’ knoop vanaf 1700 in Nederland geïntroduceerd, gemaakt en gedragen werd. Met waarschijnlijk een Spaanse oorsprong, met mogelijk Joodse invloeden. Maar inmiddels lijkt het, op basis van wat op de diverse portretten te zien is, mogelijk dat de Zeeuwse knoop en voorlopers daarvan hier al in de 2e helft van de 17e eeuw in zwang raakte. Tussen 1670 en 1681 schilderde Gerard ter Borch ‘Jacob de Graeff in officiersuniform’. Op dit uniform zijn decoratieve zilveren knopen bevestigd die qua ontwerp een beetje in de buurt komen. Geen filigrain, maar wel met een granulen-achtige bovenkant.

Portret van Jacob de Graeff door Gerard ter Borch, 1670-1681

Jacob de Graeff door Gerard ter Borch, 1670-1681

Michiel de Ruyter als luitenant-admiraal Ferdinand Bol 1667

Rijen gouden en zilveren knopen te zien op het portret van Michiel de Ruyter, 1667

Op de kleding van Michiel de Ruyter en op die van zijn viceadmiraal Aert van Nes (portretten van Ferdinand Bol uit 1667 en Bartholomeus van der Helst uit 1668, Collectie Rijksmuseum Amsterdam) zien we eveneens rijen met gouden en zilveren knopen. Ze zijn het nog niet helemaal, maar gaan in de goede richting. Die van Van den Broucke lijken het meest.

Portret van Aert van Nes door Ferdinand Bol, 1667

Aert van Nes door Ferdinand Bol, 1667

Portret van Aert-van-Nes-door-Bartholomeus-van-der-Helst, 1668

Aert-van-Nes-door-Bartholomeus-van-der-Helst, 1668

De tweede helft van de 17e eeuw, onze Gouden Eeuw, lijkt de periode te zijn waarin verschillende soorten decoratieve (edel)metalen knopen mode werden voor degenen die het zich konden veroorloven. Ik vermoed dat er in die tijd weinig behoefte was om sieraden te dragen (inclusief gouden en zilveren knopen) die direct van de vroegere Spaanse bezetter afkwamen. De Tachtigjarige Oorlog eindigde immers nog maar kort tevoren, in 1648. Zij het dat het Plakkaat van Verlatinghe – ook wel de onafhankelijkheidsverklaring van Nederland genoemd en recentelijk verkozen tot Pronkstuk van Nederland – dateert uit 1581, waarmee een aantal provincies van de Habsburgse Nederlanden Filips II toen al afzetten als hun heerser (Wikipedia).

Er moeten in elk geval ook nieuwe ontwerpen zijn gemaakt. Het is goed mogelijk dat de waarschijnlijke voorloper van de Zeeuwse knoop, de Spaanse Charro knoop, vanaf de 60er of 70er jaren van de 17e eeuw via handelsactiviteiten werd geïntroduceerd door uit Spanje of Portugal gevluchte Sefardische Joden in onder meer Amsterdam en Middelburg, wellicht ook Rotterdam, en daar ook gemaakt werden, alsmede in Dordrecht en Schoonhoven.
En vervolgens evolueerde tot het streeksieraad zoals we dat nu kennen.
Door de Nederlandse boeren en vissers zouden in dit geval dus niet de hof kleding en -sieraden, maar die van onze zeehelden (zo blijf ik ze toch maar noemen…) kunnen zijn nagevolgd.

Van goudsmid Luis Mendez Lopez uit Salamanca kreeg ik november vorig jaar een aantal teksten die hij weer kreeg van de gemeente Salamanca. Hij had eerst navraag gedaan bij het Regionale Centrum voor traditionele studies in de regio Castilië en León.
In de teksten staat dat de Charro knoop, behorend bij de regionale streekdracht, gemaakt en gedragen werd en wordt in Salamanca, Zamora en de grensstreek met Portugal. En dat lang geleden in de sieradenworkshops van Astorga, León en Salamanca invloeden te zien waren van Joodse en Moorse goudsmeden, met filigraan en granulaat, zoals toegepast in de Charro-knoop. Die op hun beurt zijn afgeleid van decoratieve knopen uit de zestiende en vroege zeventiende eeuw.
Op naar Marokko en de Joodse gemeenschap daar? Misschien, ooit…

Trude de Reij

Middelburg, februari 2018

Spaanse Charroknoop gefotografeerd door Luis Mendez Salamanca

Spaanse Charroknoop gefotografeerd door Luis Mendez Salamanca


ordezeeuwseknop@zeelandnet.nl

English translation edition June 2017 : the-history-of-the-filigree-zeeland-button-by-trude-de-reij-epilogue (pdf-bestand)

Over de geschiedenis van de Zeeuwse knoop of: hoe een knoopje kan rollen : naschrift versie juni 2017 (pdf-bestand)

Meer informatie:
Dit is een gastblog van een couch traveler. Trude de Reij heeft de verre geschiedenis van de Zeeuwse knop onderzocht. Zij publiceert dit onderzoek op uitnodiging van ZB| Planbureau en Bibliotheek van Zeeland. Lees ook:
Deel 1
Deel 2
Deel 3
Deel 4
Deel 5
Deel 6
Deel 7

Stadsvlag of stadsgeus? (deel 2 in de Middelburgse vlaggenkwestie)

dinsdag, 4 april 2017

Mijn weblog van gisteren maakte nogal wat los in het Middelburgse stadhuis en daarbuiten. Het was toch geenszins mijn bedoeling geweest er een sensatieverhaal van te maken,[1] hooguit de historische context wat beter te duiden.

Woordvoerster Trude Northolt van de Gemeente Middelburg reageerde gisteren adequaat op vragen van de provinciale krant en stelde: ‘Op 22 april 1974 is de rode vlag met de gouden burcht officieel als gemeentevlag vastgesteld. Op 30 april 1975, Koninginnedag, wapperde die voor het eerst vanaf openbare gebouwen.’ De vlag heeft thans dus een officiële status. Hoe de stad daartoe gekomen is valt te lezen in de Faam van 21 mei 1975. In de raadsvergadering van 30 november 1973 werd een voorstel aan de Hoge Raad van Adel besproken waarbij werd gesteld: ‘Momenteel is in gebruik een niet officiële vlag die drie horizontale banen telt, van boven naar beneden resp. geel, wit en rood gekleurd. In november 1963 heeft het toenmalige college van b. en w. al een verzoek gericht aan de Hoge Raad van Adel om van Advies te dienen over het voeren van een verantwoorde vlag, in het midden van de stad of broekzijde beladen met een burcht’. Dat laatste werd namelijk passend geacht. Die vlag, die er een jaar later kwam, is dus geënt op het stadswapen en wapen en vlag zijn twee verschillende zaken.

Uit het citaat komen echter twee interessante zaken naar voren: a) Middelburg heeft voor 1974 zijn vlag nooit officieel laten vaststellen en b) de stad heeft zelf het verzoek bij de Hoge Raad van Adel ingediend om een stadsvlag op basis van het stadswapen met de burcht te ontwerpen. Zeer benieuwd ben ik dan ook of de Hoge Raad van Adel in zijn rapport aandacht besteedt aan de geschiedenis van de stadsvlaggen die in de loop van de historie, met name in de tijd van eind zestiende eeuw tot en met de 20ste eeuw zijn gebruikt of dat hier alleen over de heraldische oorsprong van het stadswapen zelf wordt gesproken.

Een van de oudste voorbeelden van de stadsvlag (vlaggenboeken komen voor eind zeventiende eeuw niet voor) komt uit een manuscript gedateerd rond 1669-1670, dat beschreven is door K.L. Sierksma. De Middelburgse vlag heeft hier wederom drie banen, maar nu in de kleuren groen-wit-blauw! Omdat dit de enige bron met die kleuren is wordt er overigens sterk aan getwijfeld of deze vlag wel bij Middelburg hoort, maar Sierksma geeft in ieder geval als verklaring voor de kleuren dat de groene baan een tegenhanger voor het rood van de Hollandse vlag zou zijn en symbolisch zou verwijzen naar het gewest Zeeland of de Admiraliteit daarvan en daarom een algemene vlag voor koopvaardijschepen zou zijn.[2] Een nog curieuzere Middelburgse stadsvlag komt voor op de door B. Lens omstreeks 1700 uitgegeven A General view of the Flags which most Nations bear at Sea.[3] Het is de Nederlandse driekleur met in het midden de gouden burcht.

De bekendste wapenkaart van Zeeland, die uit Mattheus Smalleganges Nieuwe cronyk van Zeeland (officieel 1696, maar pas enkele jaren later verschenen) laat er geen misverstand over bestaan. Daar zitten de zes in de Zeeuwse Staten stemhebbende steden Veere, Zierikzee, Tholen, Middelburg, Goes en Vlissingen bijeen samen met de Eerste Edele. Aan het hoofd van het tafereel is de provinciale vlag en het provinciale wapen (waarover ook al veel te doen is geweest) zichtbaar. De stemhebbende steden houden alle zowel het wapen als de vlag van hun stad vast. Daarbij is duidelijk te zien dat wapen en vlag bij bijvoorbeeld Vlissingen overeen stemmen (zij het dan dat de kruik op de vlag zilver en in het wapen goudkleurig is), maar bij Middelburg duidelijk anders zijn; het wapen, de burcht op een rode achtergrond en de vlag het geel-wit-rood.

Op het anonieme schilderij ‘het retourschip Popkensburg van de kamer Middelburg van de VOC’ (Scheepvaartmuseum Amsterdam), uit 1775, zien we op het scheepsportret duidelijk de geel-wit-rode Middelburgse vlag vanaf de achtersteven waaien.

Op het van drie jaar eerder, uit 1772 daterende schoorsteenstuk ‘fregatschip Essequebo Sociëteit voor de rede van Vlissingen’, van de Zeeuwse schilder Engel Hoogerheyden (Scheepvaartmuseum, Amsterdam) zien we op de achtergrond van deze West-Indiëvaarder een interessante vlag op een ander schip. Daar waait de Middelburgse vlag, maar dan ondersteboven: rood-wit-geel, zoals kapitein Paulus van der Dussen (zie eerdere weblog) hem ook beschreef.

Op de vlaggenkaart ‘Schouw-park aller scheeps-vlaggen des geheelen water waerelds’, uitgegeven door Gerard van Keulen in Amsterdam in 1726 zien we wederom twee Middelburgse vlaggen. Na de provincievlag komt eerst de geel-wit-rode stadsvlag van Middelburg en dan de rode geuzenvlag van de stad. Vervolgens komen de vlaggen van Vlissingen en Veere, beide rood met het stadswapen er in. Bij die twee steden wordt slechts één vlag gegeven, maar ook daar staat expliciet vermeld dat het om de geuzenvlag gaat.

Sinds enkele jaren hangt in het Maritiem Muzeeum te Vlissingen een particulier schilderij dat zeer waarschijnlijk het kaperschip Profeet Elias van de reders Sautijn voorstelt. Het is een scheepsportret waarbij het schip voor de havenuitgang van Middelburg is geschilderd in drie verschillende aanzichten en stamt uit de tijd van de Spaanse Successieoorlog (1702-1713). Dit is het vroegste tot op heden bekende schilderij waarop een Middelburgs kaperschip zichtbaar is. Aan de achtersteven hangt duidelijk zichtbaar een rode vlag, maar wat daarop is afgebeeld en is niet duidelijk omdat de vlag slap neerhangt.

Van het jaar 1842 is een afbeelding bekend van Jacob Spin, van het Middelburgse barkschip Pauline (Maritiem Museum, Rotterdam), van kapitein J.J. Brouwer en rederij Boddaert & Co. Daarop is wel een rode vlag met het Middelburgse stadswapen, de burcht, te zien. Deze waait vanaf de fokkenmast. Het bijzondere aan dit schilderij is dat het hier een koopvaardijschip betreft dat die rode -of oorspronkelijk geuzenvlag- voert, maar dan zitten we inmiddels in de 19de eeuw en is het al sinds 1815 vrede.

Er zijn kortom in de loop van de geschiedenis meerdere Middelburgse stadsvlaggen gebruikt, maar duidelijk is toch wel dat de rode vlag met de burcht een oorsprong als bloedvlag of stadsgeus heeft dat weer was geënt op het stadswapen.

Er is trouwens nog ontkenning mogelijk voor eventuele vermeende aansprakelijkheid van Middelburgers op basis van gewelddadigheden op zee. De stadsvlag van Hamburg zag er in de achttiende eeuw net zo uit[4] als de geuzenvlag van Middelburg…

Johan Francke

[1] Zie PZC, 4 april 2017, pag. 2. De verslaggever ging er aan voorbij dat ik binnen ZB informatiespecialist ben, maar op een ander vakgebied ben opgeleid; namelijk dat van de maritieme geschiedenis.

[2] Sierksma, Flags of the World, 161.

[3] Wilson, Flags at Sea, 69.

[4] Ibidem, 69.

Middelburg verklaart bezoekers de oorlog

maandag, 3 april 2017

Vrolijk wappert de Middelburgse middenstand de toeristen toe vanaf de gevels van de monumentenstad. De helrode vlaggen die de viering van achthonderd jaar stadsrechten kleur moeten geven plooien langzaam in het zachte lentebriesje dat op zonovergoten aprildagen over de stad schijnt. Een lust voor het oog. Tenminste, voor de Middelburgers…

Want wat zou u ervan denken als van de Japanse ambassade niet de traditionele Hinomaru

maar deze vlag

zou waaien? Daar zou eenieder toch even raar van opkijken of zelfs een zeer ongemakkelijk gevoel van krijgen. Overlevenden van de Tweede Wereldoorlog in Zuid-Oost-Azië al helemaal. Nu gaat het hier om een wat verder verleden en zijn er waarschijnlijk geen mensen meer die zich hun jonge jaren voor 1800 nog kunnen heugen, maar die Middelburgse vlag heeft een soortgelijk verleden.

De rode vlag met de gouden burcht die nu overal in de stad wappert is namelijk niet de stadsvlag, maar de geuzen- of bloedvlag die in oorlogstijd gebruikt werd door schepen van de Admiraliteit en kapers die Middelburg als thuishaven hadden en zee en oceaan afstruinden op zoek naar vijanden om buit van te veroveren.

Deze bloedvlag waaide normaliter vanaf de bezaansmast. De prinsenwimpel (dus geen vlag) waaide vanaf de grote mast en vanaf de fokkenmast of de boegspriet waaide de officiële stadsvlag of een Zeeuwse vlag. Die indeling werd echter niet zo strikt gehanteerd, vaak genoeg werd er van afgeweken.

Op het beroemde schilderij van Adriaen Pieterszn. van de Venne, Gezicht op de haven van Middelburg uit 1615 (Rijksmuseum)

wappert de Middelburgse geus bijvoorbeeld aan de grote mast van het admiraliteitsschip Zeehond. Op de twee schilderijen die Cornelis Louw in 1714 (Scheepvaartmuseum Amsterdam) en 1725 (Maritiem Muzeeum Vlissingen) maakte van Vlissingse kaperschepen op de rede voor de stad zien we diezelfde bloedvlag terug op de boegspriet, maar nu met de Vlissingse kruik er op.

Gebruik van deze bloedvlag beperkte zich niet alleen tot zee. Conform het oorlogsrecht hoefden aanvallers geen ‘kwartier’ (genade of lijfsbehoud) te verlenen aan de andere partij indien deze weerstand bood bij een belegering of aanval, als vooraf tenminste de keuze voor overgave was gegeven. Om de intenties aan de vijand duidelijk te maken kon bijvoorbeeld de bloedvlag worden gehesen, ten teken dat geen ‘kwartier’ verleend of aanvaard zou worden.[1]

De meeste mensen die ooit een schip ontmoet hebben dat de rode vlag met de gouden burcht van Middelburg voerde zullen daar dus waarschijnlijk geen al te beste herinneringen aan over hebben gehouden, als ze het al na konden vertellen. Nu werd na overgave in de regel niet iedereen over de kling gejaagd, maar doorgaans gewoon krijgsgevangen gemaakt, al was ook dat in die tijd geen pretje.

De laatste keer dat de Middelburgse geus aan een scheepsdek van een kaperschip wapperde is waarschijnlijk in de Napoleontische tijd geweest; alweer meer dan tweehonderd jaar geleden. De laatste keer dat een dergelijke vlag op een admiraliteitsschip werd gevoerd dateert van nog verder terug, waarschijnlijk in de tijd van de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784). Meer dan 230 jaar geleden dus en tijd blijkt een helend begrip in de historie. Zo is het wel bon ton om grapjes over Napoleon te maken, maar kan er een ongemakkelijk spanningsveld ontstaan als je eenzelfde soort grap over Hitler maakt. Het verleden is daarvoor te tastbaar aanwezig omdat er nog mensen zijn die de oorlog zelf hebben meegemaakt of nog te maken hebben met de gevolgen daarvan.

Terug naar de geuzenvlag van Middelburg, want welke vlag moeten de Middelburgse grootgrutters dan wel uitsteken? Heel eenvoudig, de officiële Middelburgse vlag, die ziet er namelijk heel degelijk uit, zelfs een beetje saai. Deze heeft, net als de Nederlandse vlag, drie horizontale banen in de kleuren geel, wit en rood.[2]

Volgens Van der Dussen, een kapitein in dienst van de Admiraliteit, zou dit rond 1700 rood-wit-geel zijn geweest.[3] Uit overlevering is ons niets meer bekend over ’s mans drankgebruik, maar waarschijnlijk heeft hij de vlag ondersteboven gehangen. In de door Pieter Mortier uitgegeven Neptune François (Amsterdam, 1693) staat een afbeelding van de vlag, waarop de correcte volgorde te zien is: geel-wit-rood. Sterker nog, uitgever Mortier geeft twee afbeeldingen. Bij de bovenste staat de volgende tekst bij de officiële driekleur: ‘vlag van Middelburg in Zeeland, geel-wit-rood’ en bij de bloedvlag daaronder staat: ‘geus van Middelburg, rood met een goude burg.[4] Ook in tal van andere oude atlassen staat deze volgorde vermeld en worden zowel de officiële stadsvlag als de geus omschreven. De Neptune François echter, geeft er ook een ingekleurd voorbeeld bij.

Niet voor niets zijn de luiken van het oude stadhuis van de stad sinds jaar en dag geel-wit-rood geverfd. Misschien niet zo fleurig als die gouden burcht in dat helrode vlak die nu overal in de stad wappert, maar wel correct.

Johan Francke, informatiespecialist

*Maurits Sep schreef op 3 april 2017 een stukje in de PZC n.a.v. dit blog.
Hierin ook een reactie van de woordvoerster van de Gemeente Middelburg, Trude Northolt: “Op 22 april 1974 is de rode vlag met de gouden burcht officieel als gemeentevlag vastgesteld. Op 30 april 1975, Koninginnedag, wapperde die voor het eerst vanaf openbare gebouwen.”

Bronnen:

*J. Francke, Utiliteyt voor de gemeene saake; de Zeeuwse commissievaart en haar achterban tijdens de Negenjarige Oorlog, 1688-1697 (Middelburg, 2001) vlaggen, pag. 170-174.
*Charles Pené en Giovanni Domenico Cassini, De Fransche Neptunus, of nieuwe atlas van de zeekaarten, opgenomen en gegraveerd door uitdrukkelyke order des konings, tot het gebruik van zyne zeemachten: waar in men ziet de naauwkeurige beschryving van alle de kusten van den oceaan, en d’Oost-Zee, van Noorwegen af tot aan de Straat van Gibraltar (Amsterdam, 1693). (Zie: Duitse uitgave, 1977).
*K.L. Sierksma, Flags of the World, 1669-1670. A seventeenth century manuscript (Amsterdam, 1966).
*K.L. Sierksma, ‘Vlagge-boeck van den Heer Paulus van der Dussen, Capitein’, in: Spiegel Historiael. Maandblad voor geschiedenis en archeologie XIV (1979) 663-668.
*Timothy Wilson, Flags at sea; a guide to the flags flown at sea by British and some foreign ships, from the 16th century to the present day, illustrated from the collections of the National Maritime Museum (London, 1986).

 

[1] C.H. de Goeje, ‘Een verslag van den commandeur der kolonie Essequebo Pieter van der Heijden aan de kamer van Zeeland der West-Indische Compagnie over den aanval van Franse kapers in februari 1709’, in: West-Indische Gids 30 (1890) 36, 39.

[2] Wilson, Flags at Sea, 58, 68-69, 114-115 en Sierksma, Flags of the World, 155-162, 171-172.

[3] Sierksma, Vlagge-boeck, 668.

[4] Charles Pené en Giovanni Domenico Cassini, De Fransche Neptunus, of nieuwe atlas van de zeekaarten, opgenomen en gegraveerd door uitdrukkelyke order des konings, tot het gebruik van zyne zeemachten : waar in men ziet de naauwkeurige beschryving van alle de kusten van den oceaan, en d’Oost-Zee, van Noorwegen af tot aan de Straat van Gibraltar (Amsterdam, 1693).

Syrische muziek

woensdag, 22 februari 2017

Uit het nieuws kan afgeleid worden dat de vrede in Syrië ver weg is. De machtigste landen op de wereld weten geen vrede af te dwingen bij de strijdende partijen. Syrië ligt op een kruispunt van culturen waar de belangen maximaal zijn en waar vaak om werd gevochten. Het land kende echter ook vreedzame bloeiperiodes.

Om zijn woede en onmacht over de oorlog in Syrië kenbaar te maken besloot Jordi Savall dat hij de wereld wilde laten horen hoe mooi Syrische muziek was. Jordi Savall (1941) is een Spaans-Catalaans gambist, dirigent en componist. Hij geldt als een van de leidende figuren in de wereld van de Oude muziek. Jordi stelde een internationaal ensemble samen om daarmee de klassieke Syrische muziek te spelen. Syrië beleefde een gouden eeuw tussen 661 en 774, toen Damascus de hoofdstad was van een groot rijk dat zich uitstrekte van Spanje tot Pakistan. Dichtkunst en muziek stonden in hoog aanzien en Savall liet zich inspireren door dit repertoire. Het is te beluisteren op de cd Hesperion XXI- O aube ya fair.

Voor het uitbreken van de Syrische burgeroorlog was 10% van de Syriërs christen.
Hoewel het gebied vanaf de 7e eeuw vooral islamitisch werd, bleef er die eeuwen een christelijke minderheid in Syrië wonen. De Assyriërs leven op het grensgebied van Turkije en Syrië en zijn voor het grootste deel christelijk. De liturgie van de Syriërs behoort tot de oudste christelijke muziek. De muziek van deze psalmen grijpt waarschijnlijk zelfs terug naar de periode van vóór het christendom.  Een luistertip hierbij is Koor van de Mor Yakub-kerk-Haleluya.

Een van de redenen van de huidige oorlog is dat mensen met verschillende afkomst en geloof samen in een land werden gestopt. De Fransen en de Britten hebben het Midden-Oosten in 1922 opgedeeld. Er werden nieuwe grenzen ingesteld die geen rekening hielden met de lokale gevoeligheden.


Ibrahim Keivo

 

Er wonen Arabieren, Koerden,Yezidi’s, Assyriërs en Armeniërs in Syrië. De Armeniërs kwamen Syrië binnen als vluchtelingen naar aanleiding van de Eerste Wereldoorlog en de Armeense genocide. Een bekende musicus is Ibrahim Keivo, hij speelt liederen van alle volkeren die in de omgeving van Hasakah leven in Noord-Syrië. Een luistertip hierbij is Ibrahim Keivo – Az Khalfem. Keivo woont tegenwoordig in Duitsland.


Basel Rajoub

 

Ook Basel Rajoub woont niet meer in Syrië. Rajoub, woonde in Zwitserland toen de burgeroorlog uitbrak. Een luistertip is het album The Queen of Turquoise. Rajoub bewijst dat het geluid van de sax zich prima mengt met de traditionele Arabische instrumenten zoals de qanun en de oed.

Omar Souleyman

De bekendste Syrische muzikant in het Westen is Omar Souleyman. Hij speelde op grote popfestivals en is een opvallende verschijning.  Aanbevolen: Omar Souleyman-Wenu wenu.

Reden tot dansen is er in Syrië al vele jaren niet meer. Ik ben zelf vaak in Syrië geweest en het doet mij heel veel verdriet als ik zie hoe de bevolking moet lijden en hoe kapot het land nu is. Voorlopig zie ik nog geen lichtpunten hierin…

Met muziek proberen musici hun kwelling te uiten over extreme beestachtigheid die de bijna drie jaar durende oorlog in Syrië tekent. Bij de verschrikkelijke dingen die de mensen meemaken kan muziek heel belangrijk zijn, het is een universele taal die mensen verbindt. Het helpt om afleiding en hoop te vinden.

“Muziek geeft ware vrijheid” is een uitspraak van Omar Nurran, een Syrische musicus die momenteel in een vluchtelingenkamp in Jordanië woont.

De muziek die ik in dit schrijven aanbeveel is in de ZB te beluisteren in de strandhokjes op de begane grond. Bron: www.muziekweb.nl/luister

Rea Bensch,

Domeinspecialist muziek

Bron:

  • Muziekweb; Muzikale wereldreis: Syrië
  • Wikipedia
  • Youtube

Digitale duurzaamheid van publicaties

dinsdag, 7 februari 2017

Digitalisering speelt overal een steeds grotere rol
In de medische wetenschap, in de auto-industrie, van de huiskamer tot de uitgeverij, van bibliotheek tot wetgeving; overal wordt gebruik gemaakt van digitale technieken, digitale informatie en digitale weergave van die informatie. Deze digitalisering leidt tot steeds meer informatie. Het maken en vastleggen van grote hoeveelheden informatie is gemakkelijker in digitale en geautomatiseerde vorm dan het ooit was in papieren vorm. Maar digitale informatie is daarnaast ook erg kwetsbaar.

Kwetsbaarheid van digitale informatie
Digitale bestanden bestaan uit reeksen enen en nullen (010100001011110). Het zoekraken van een van die tekens, door bijvoorbeeld een storing, is genoeg om het hele bestand onbruikbaar te maken en de informatie onleesbaar te maken. Digitale bestanden zijn abracadabra zonder computers en software. Eigenlijk werken ze alleen goed met de computer en de software waarop ze gemaakt zijn. Bij het in gebruik nemen van een nieuwe computer, is er een kans dat de oude bestanden het niet meer doen. Natuurlijk proberen de leveranciers wel mogelijkheden te leveren om bestanden om te zetten naar de nieuwe computer, maar die technieken zijn nog verre van perfect en fouten zijn daardoor bijna onvermijdelijk.

Beperkte houdbaarheid van informatiedragers
Naast de kwetsbaarheid van de bestanden zelf is er de kwetsbaarheid van de dragers waarop de informatie bewaard wordt. Ze kunnen in onbruik raken (diskettes, floppy disks) of simpelweg kapot gaan. Ook informatie die op het internet staat, is in gevaar. Iedereen kent de foutmelding “404 – bestand kan niet gevonden worden”. De informatieketting breekt als een website verhuist of opgeheven wordt, en er wordt geen verhuisbericht bijgeleverd. Online informatie heeft vaak geen unieke vindplaats of uniek onveranderlijk nummer waarnaar je kan verwijzen. Dat is voor alle internetgebruikers vervelend, maar voor de wetenschappelijke wereld rampzalig: verwijzingen in wetenschappelijke artikelen kunnen niet meer worden geraadpleegd.

Duurzame toegang garanderen: ontwikkelingen in Nederland
Het bewerkstelligen van digitale duurzaamheid is een van de grootste uitdagingen van de huidige generatie. Wij zijn de eersten die methoden en grootschalige systemen hebben moeten ontwikkelen om digitale objecten in authentieke vorm voor de toekomst raadpleegbaar te houden. In de afgelopen jaren zijn er in Nederland flinke stappen gezet door het ontwikkelen van methoden en systemen voor duurzame opslag van en toegang tot digitale objecten. De Koninklijke Bibliotheek (KB) bijvoorbeeld liet in het begin van de 21ste eeuw een operationeel e-depot voor digitale publicaties bouwen. Beeld en Geluid behoort tot de internationale kopgroep op het gebied van beheer en behoud van digitaal audiovisueel erfgoed en het Nationaal Archief breidt haar huidige e-depotvoorziening uit tot een gemeenschappelijke infrastructuur voor de digitale archieven in Nederland. Tot slot beschikt DANS over een digitaal archief voor onderzoekdata dat terug gaat tot de jaren zestig van de 20e eeuw.

Als één ding voor alle betrokkenen duidelijk is, dan is het wel dat digitale duurzaamheid een activiteit is die alleen in een gezamenlijke aanpak tot goede resultaten kan leiden: het vergt simpelweg te veel verschillende kwaliteiten om door één instelling gedaan te worden. Doordat het digitale speelveld voortdurend wijzigt, is blijvend onderzoek en samenwerking nodig. (Bron: Nationale Coalitie Digitale Duurzaamheid)

Digitale duurzaamheid van eigen ZB publicaties
ZB| Planbureau heeft van oudsher veel opdrachten voor het doen van onderzoek en het publiceren daarover in rapporten. Naast de papieren uitgaven in de eigen boekcollectie en weergave van recente publicaties op de eigen website heeft ZB gezocht naar een duurzame opslag voor de digitale versies van deze rapporten. De digitale uitgaven van ZB en voorgangers zijn nu grotendeels met terugwerkende kracht opgenomen in het e-depot van de KB. Via dit kanaal zijn de publicaties van het Planbureau ook te vinden in diverse universiteits-, landelijke en internationale catalogi. Hiermee is het bereik en de digitale duurzaamheid van onze publicaties aanmerkelijk vergroot.

.

Voorbeeld in het e-depot van KB: De statistische atlas “Leven in Zeeland”.

Adriënne Withagen

Bijbels van H.F. Wolf

maandag, 12 december 2016

De bijzondere collecties van ZB zijn onlangs verrijkt met een serie bijbels uit de nalatenschap van de heer H.F. Wolf uit Alphen aan den Rijn. Deze is in augustus 2015 op 86-jarige leeftijd overleden. Hij bezat een verzameling van meer dan achthonderd voor het merendeel Nederlandstalige bijbels. Zijn nabestaanden besloten de collectie ten goede te laten komen aan Nederlandse bibliotheken. Een aantal van deze boeken is nu onlangs door schenking in het bezit van ZB gekomen.

Bijbels in soorten en maten

Flakkeesche bijbel uit 1904 (33 cm) met koperen sloten

Flakkeesche bijbel uit 1904 (33 cm) met koperen sloten

We hadden al enorm veel bijbels in alle soorten, maten en talen. Van alle Nederlandse vertalingen bezitten we menige druk en uitgave. Toch blijken er altijd nog aanvullingen mogelijk te zijn. Zo hadden wij nog steeds geen exemplaar van de zogenaamde ‘Flakkeesche bijbel’. En dat terwijl het Zuid-Hollandse eiland Goeree-Overflakkee tot het aandachtsgebied van de Zeelandcollectie behoort. Deze uitgave van de Statenvertaling kwam in 1895 tot stand bij de Flakkeesche Boekdrukkerij uit Middelharnis. In 1904 werd ze opnieuw uitgegeven door D. Bolle te Rotterdam. Ze is gevuld met illustraties in de vorm van afbeeldingen en kaarten. We hebben er nu twee stuks aan kunnen toevoegen, waarvan er een rijkelijk voorzien is van koperen sloten.

Gouden sluitingen

Nieuwe Testament uit 1856 (15 cm) met gouden slotje

Nieuwe Testament uit 1856 (15 cm) met gouden slotje

Bijzondere aanwinsten waren ook kleinere kerkboeken met metalen sluitingen. Wij hadden al enkele exemplaren met zilverwerk, maar dit rijtje is aanmerkelijk uitgebreid met nog mooier zilverwerk, en voor het eerst ook twee Nieuwe Testamenten met gouden sluitingen uit de beginjaren van de 20e eeuw.
Daarnaast is er een kerkboek met een ouderwets geborduurd omslag binnen gekomen, en een exemplaar met een zwart fluwelen bekleding. Dit laatste is ook om een andere reden bijzonder: het is afkomstig uit het bezit van de Walcherse familie Bierens, en door hen als teken van persoonlijke vriendschap aan de heer Wolf geschonken.

Kinderbijbels

Prenten voor Kerstmis in de ‘Huisbybel’ uit 1762

Prenten voor Kerstmis in de ‘Huisbybel’ uit 1762

Op het gebied van kinderbijbels valt er een mooie aanwinst te melden, namelijk vooral de ‘Vernieuwde en verbeterde school- en huisbybel’ uit 1762, een van de oudste Bijbelse geschiedenissen voor de jeugd. Het boek is gesteld in de vorm van vragen en antwoorden en voor die tijd rijkelijk voorzien van illustraties. Onze al aanwezige historische kinderboeken van de 19e en 20e eeuw komen vooral uit traditioneel protestants-christelijke kring; daarom is het aardig dat we er nu ook wat werkjes over de bijbel van rooms-katholieke signatuur bij gekregen hebben, en iets heel anders: de zeldzame ‘Bijbel voor de jeugd uit vrijzinnige kringen verteld’ uit nog maar 1929. Weer uit katholieke kring komt de ‘Geschiedenis van het Oude en Nieuwe Testament’ door H. Wolffenbuttel-Van Rooijen, voorzien van gravures door Gustave Doré.

Gulle gever
Hendrik Frederik (Henk) Wolf is zijn loopbaan begonnen als huisschilder aan de Bloemgracht in Amsterdam. Later volgde hij een opleiding als verpleegkundige, en werd tenslotte directeur van een bejaardentehuis in Alphen. Zijn met veel plezier verzamelde bijbelcollectie had hij ondergebracht in zijn woonhuis aldaar. Van daaruit verzorgde hij lezingen en kleine exposities aan een divers publiek in kerken, bibliotheken, gemeenschapshuizen en scholen. Kleine groepen konden de collectie bij hem thuis bezichtigen.

Nieuwe Testament uit 1918 (12 cm) met gouden slotje

Nieuwe Testament uit 1918 (12 cm) met gouden slotje

Uiteindelijk heeft hij zijn rijke bezit ondergebracht in de ‘Stichting In de BibliAtheek bij H.F. Wolf’. Na zijn overlijden zag de Stichting geen mogelijkheid om de collectie blijvend te beheren. Daarom besloten de bestuursleden de Stichting te ontbinden en daarbij te handelen volgens de stichtingsakte en in de geest van de oprichter. Dat betekende dat de collectie zoveel als mogelijk aan het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG) afgestaan werd. Deze al zeer rijke bibliotheek toonde echter slechts interesse voor een klein deel. Daarom kwam de bibliothecaris van het NBG op het idee de restanten aan te bieden aan (universiteits)bibliotheken. Ondergetekende, als lid van de Vereniging voor het Theologisch Bibliothecariaat, kreeg de titellijst toegestuurd. Ik heb daar een keuze uit gemaakt. De voorzitter van de Stichting, Marysa Otte uit Amsterdam, tevens schoondochter van de heer Wolf, is de schenking zelf komen brengen. Het betekent voor ons een verrijking van de collectie en een bevestiging van onze functie als theologische bewaarbibliotheek.

Marinus Bierens
Vakreferent godsdienst

Foto’s: Ester van Dooren

Zee(uw)post

woensdag, 9 november 2016

Het kantelend beeld van historische dogma’s door brieven van de gewone man

In mijn vorige blog berichtte ik over de bijvangst van het project Zee(uw)post, ditmaal gaat het over daadwerkelijke vangst. In september zijn namelijk alle vrijwilligers aan de slag gegaan met het transcriberen en vertalen van de brieven en deze te voorzien van historische context. Met dat laatste wordt bedoeld dat de vrijwilligers nagaan wie de in de brief genoemde en geadresseerde personen zijn, wat er in de brief geschreven staat en waar dit mee te maken heeft.

Nu de eerste transcripties van brieven binnenkomen vielen mij enkele zaken op, waarvan ik een onderwerp wil uitlichten en de context verduidelijken. Globaal genomen bevat een persoonlijke brief uit de koloniën nieuws over wanneer men verwacht thuis te komen, de gezondheid van de schrijver en duizend-en-een groeten aan allerlei bekenden. Alleen al voor wat betreft die geadresseerden vielen enkele brieven op waarmee context geduid kon worden. Deze waren namelijk gericht aan zogenaamde logementshouders/sters.

Slaapbazen
Dat mensen een spreekwoordelijke poot uitgerukt wordt, daar waar financiële diensten worden verleend, is een gegeven zo oud als de mensheid. Vanuit de 17de en 18de eeuw hadden in dit verband de slaapbazen, logementhouders of volkhouders altijd een heel slechte naam. Dit waren mannen of vrouwen die er een logement voor zeelieden op na hielden (in het laatste geval vaak ook nog bordeelhoudsters!). In Middelburg bijvoorbeeld waren tussen 1730-1732 niet minder dan 49 logementen, waarvan er 43 door vrouwen werden gedreven.[1]

Aangezien veel zeelieden platzak waren, ofwel omdat ze hun verdiende geld verbrast hadden, ofwel vanuit het achterland kwamen om emplooi op zee te vinden en berooid van hun reis in de havenstad aankwamen, ofwel zo weinig hadden verdiend op zee (doordat de reder of kapitein hen gekapitteld had met allerlei straffen) dat ze zichzelf niet meer konden onderhouden, werd hen een slaapplaats aangeboden waar men ‘op de pof’ kon verblijven. U voelt hem natuurlijk al aankomen. Dat poffen kon achteraf nogal in de kosten lopen omdat mensen soms lang in een logement verbleven voordat ze emplooi vonden of omdat voor een vlooienbed Hiltontarieven werden gerekend.

Een zeeman die eenmaal emplooi vond en uiteindelijk met een schip de Republiek verliet, moest een schuldbekentenis of zogenaamde schuldbrief tekenen bij de slaapbaas/vrouw van het logement waar deze verbleef. Deze kon met deze zogenaamde transportbrief naar de reder stappen om hiermee vervolgens het verschuldigde bedrag te innen. Tenminste, zodra de bewuste zeeman recht op uitbetaling van zijn gage had. Dat betekende uiteraard dat veel zeelieden pas na maanden of jaren werken op zee hun schulden hadden afgelost en pas dan zelf geld gingen verdienen. Reden waarom ze eenmaal aan wal, zich al snel opnieuw in de schulden moesten steken.

Zulke transportbrieven konden dus niet meteen worden geïnd en werden daarom ook wel doorverkocht voor een lager bedrag dan de nominale waarde. Dit soort verkopers werd ook wel zielverkoper genoemd, omdat ze daadwerkelijk de zielen van mensen verkochten. Zo’n opkoper van transportbrieven kon namelijk ook de reder zelf zijn, die zich daarmee goedkoop van personeel kon voorzien. De VOC sloot hiertoe zelfs contracten met logementhouders af die hun gasten verplicht dienst lieten nemen bij de ‘loffelijke compagnie.’[2]

aepjen

Voormalig logement ’t Aepjen in Amsterdam, bron: wikipedia

In de Aap gelogeerd
Nu stond hier natuurlijk tegenover dat zo een zielverkoper of logementhouder wel het risico liep dat een opvarende overleed, deserteerde of zich nooit meer in patria liet zien. Zeker niet als iemand afgezet was door een logement van bedenkelijk allooi, of om het op zijn 17de eeuws Amsterdams te zeggen: in de Aap gelogeerd zijn, want dit spreekwoord komt van het bedenkelijke logement ’t Aepjen. Dit was een 16de eeuwse houten herberg aan het begin van de Zeedijk dat je vandaag de dag, als café, nog steeds kunt bezoeken. Gezien de geschiedenis is het niet vreemd dat er nu geen slaapplaatsen meer aan de backpackers aangeboden worden.

Veel van die logementhouders hadden dus een kwalijke reputatie en het is dan ook niet vreemd dat veel voormalige gasten nooit meer iets van zich lieten horen. Uit de brieven van vele gewone zeelieden in Zee(uw)post blijkt nu dat er ook opvarenden zijn geweest die niet alleen bij hun logementhouder/ster terugkwamen, maar er zelfs vriendschappelijke banden mee onderhielden. Dit blijkt uit diverse brieven, al moet daarbij vermeld worden dat gezien de inhoud van één van de brieven de kans groot is dat dit logement ook als bordeel diende. De klaarblijkelijk nog jonge Pieter Tallenboom scheef op 28 januari 1781 namelijk vanuit Rio Demerary (Guinée) aan logementshouder Joseph Jansen, die buiten de Noordpoort van Middelburg een thans onbekend logement runde:

hca-30-331-aanhef-seer-waarde-slaapbaas

Seer warde en seer geagte slaa[p]bas en slaa[p]vrou, deese di[e]nt om u te laaten weeten als dat ik nog en een volmaa[k]te staat van gesontheijt ben. Dat Talleboom een gezonde jonge jongen was blijkt uit de wensen die hij aan zijn slaapbaas en -bazin voorlegt, voor het geval hij na zijn reis weer in Middelburg arriveren zou:

hca-30-331-meijt

´Ik ferso[e]ik seer vr[i]endeleijk als dat gey of u vrou[w] een ijonge meijt sult opso[e]ike teegen dat ik tuijs kom, want ik kan meijn maagtdom ni[e]t langer bewaare[3]
Daarna volgen nog enkele zeer scabreuze zinnen die we hier omwille van de jonge lezers niet vermelden zullen, maar ons wel voor de reputatie van de herberg -die wel niet voor niets buiten de stadsgrenzen gelegen zal hebben- doen vrezen. Binnen deze zelfde brief geeft de jonge Talleboom meermalen aan dat hij op een goede gezondheid hoopt voor het echtpaar. Ook de zeelieden Gerret Vervoort en Jan Romero groeten hun slaapbaas Jacobus van Dijk, die een logement op het Vlissingse Wagenplein in Middelburg drijft en noemen hem zelfs vriend:
Zeer waarde goede vrint en slaapbaas Jacobes van Dijk.’ Zij hopen ‘uw zeer goede vrint slaapbaas en vrouw en al uw kinder aankoomende zoomer in een gewenste staat te vinden.’[4]
Ook deden ze nadrukkelijk de ‘groetenisse’ aan ‘Betien [Betje] uijt het Goude Verken.

hca-30-362-betje

Dat Vlissingse Wagenplein bestaat thans niet meer, maar lag in het verlengde van de Vlissingse straat naar de Vlissingse poort (thans Schroebrug) en was vooral in de achttiende en negentiende eeuw een beruchte volkswijk met tal van herbergen en bordelen. Wellicht een goede reden voor beide zeelieden om na een lange reis toch naar hun vlooienbed terug te keren? Ook hier kennen we de naam van de herberg helaas niet, noch weten we met zekerheid of het ook hier een bordeel betrof.

hca-30-322-aanhef-waarde-baas-en-vrou

In een andere brief gericht aan een logementshouder stond wel de naam van de herberg vermeld. J. Rolbers schreef op 22 november 1780 vanuit St. Eustatius aan Matthijs Artenaas, van Zeemans welvaren ‘op de dokke in Vlissingen, waarbij hij opende met ‘waarde baas en vrou.’ Dat duidt er op dat het ‘Zeemans welvaren’ bij het dok in Vlissingen (bedoeld zal hier zijn het Dokje van Perry) een verblijfplaats voor zeelieden of een logement is geweest. Hij was dus kennelijk van plan terug te keren en schreef dat ze zich niet ongerust moesten maken omdat de terugreis ernstige vertraging had opgelopen. Dat hij ook voordien in een goed logement ondergebracht was geweest, blijkt aan het slot van de brief waarin hij de groeten aan diverse mensen doet waaronder de ‘oude slaapvrouw van my van Middelburg.’[5]

hca-30-322-groeten-slaapvrouw-middelburg

Op basis van deze brieven kunnen we concluderen dat zeelieden ook vriendschappelijke banden onderhielden met hun slaapbazen/bazinnen en dit lang niet altijd uitzuigers zullen zijn geweest. Een beeld dat de afgelopen decennia wel was ontstaan in de vakliteratuur, maar door deze brieven van gewone mensen nu kan worden bijgesteld. Daar staat tegenover dat het beeld van het logement als bordeel eerder wordt bevestigd dan ontkracht. En dit is uiteraard nog maar het topje van de ijsberg, want met de inhoud van deze brieven uit Zee(uw)post liggen nog vele andere onderzoeksmogelijkheden open.

Johan Francke,
Informatiespecialist en eindredacteur Zee(uw)post

Bronnen:
The National Archives, Kew (TNA), High Court of Admiralty (HCA) 30, inv.nrs. 322, 331 en 362.
Jaap R. Bruijn, Zeegang. Zeevarend Nederland in de achttiende eeuw (Zutphen, 2016) 37-42.
Matthias van Rossum, Werkers van de wereld. Globalisering, arbeid en interculturele ontmoetingen tussen Aziatische en Europese zeelieden in dienst van de VOC, 1600-1800 (Hilversum, 2014) 190-196, 204-205.

Noten:

[1] Jaap R. Bruijn, Zeegang. Zeevarend Nederland in de achttiende eeuw (Zutphen, 2016) 38.

[2] Jaap R. Bruijn, Zeegang. Zeevarend Nederland in de achttiende eeuw (Zutphen, 2016) 40-42 en Matthias van Rossum, Werkers van de wereld. Globalisering, arbeid en interculturele ontmoetingen tussen Aziatische en Europese zeelieden in dienst van de VOC, 1600-1800 (Hilversum, 2014) 191-192.

[3] TNA, HCA 30, inv.nr. 331.

[4] TNA, HCA 30, inv.nr. 362.

[5] TNA, HCA 30, inv.nr. 322.

Bijvangst

dinsdag, 28 juni 2016

Bijvangst is volgens de Van Dale ‘de vangst van andere vissen dan waarop werd gevist.’ Meestal wordt die bijvangst weer overboord gekieperd, tenminste, als deze niet teveel waarde bezit. Als historicus, of liever als archiefonderzoeker, heb je soms ook zulke bijvangst. Zozeer zelfs dat de bijvangst soms belangrijker wordt dan de hoofdvangst. Graag laat ik hier wat van die vreemde, soms Zeeuwse, vissen zien die ik aan de oevers van de Thames naar boven hengelde.

Heron of Kew

Voor het Zee(uw)post project ben ik al enige malen in the National Archives (TNA) in Kew geweest. Daar wordt onder meer het archief van de High Court of Admiralty bewaard. Onderdeel daarvan zijn de zogenaamde Prize Papers: in oorlogstijd in beslag genomen papieren aan boord van buitenlandse of vijandelijke schepen. Aangezien De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in de 17de en 18de eeuw meerdere oorlogen met Engeland heeft uitgevochten, zijn er heel wat Nederlandse schepen door de Engelsen buitgemaakt. Daarbij werden niet alleen de scheepsjournalen in beslag genomen, maar werkelijk alle papierwerk aan boord: brieven, rekeningen, kasboeken, almanakken, beurzen met inhoud, kranten, romans tot zelfs de ganzenveren pennen aan toe. Voor dit project gaat het vooral om de persoonlijke brieven die mensen van overzee naar Zeeland stuurden of omgekeerd. Anders dan bij normale archiefaanvragen waarbij je doorgaans weet wat je aanvraagt, kom je hierbij ook aardig wat andere verrassingen tegen. Zaken die in Nederland verloren zijn gegaan in de loop van de geschiedenis omdat niemand ze belangrijk vond, maar daar weer opduiken omdat ze samen met al die brieven in een doos zijn gestopt.
Net als wij tegenwoordig onszelf goed informeren over wat er om ons heen gebeurt, wilden de 17de-eeuwers dat ook weten. Daarom werd niet alleen een brief geschreven, maar werden bijvoorbeeld ook de laatste kranten meegestuurd. Zo zaten bij een brief naar de West de bijna volledige maanden oktober en november 1673 van de Opregte Haerlemsche Courant en de Amsterdamsche Courant van 9 november 1673. Die laatste krant is in geen enkel archief of bibliotheek in Nederland meer te vinden.

OHC-7-oktober-1673-pag-2

In de ‘Opregte” van 7 november valt te lezen dat het op 4 oktober stormde voor de Zeeuwse kust en ‘verscheyde avonturiers’ [kaperschepen] naar binnen moesten komen. Aan boord van de Fenix moest al het geschut overboord gezet worden ‘om hem te salveeren’ en bij de Metaelman brak de fokkemast af. Dat is niet alleen voer voor historici maar ook voor meteorologen die zich met weergeschiedenis bezig houden. Op deze wijze kon bijvoorbeeld J. Buisman zijn befaamde zesdelige meteorologische magnum opus Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen schrijven.

AC-9november1673pag1

In de ‘Amsterdamse’ staat een kleine regel die ons Nederlanders er nog eens op wijst dat we ooit de meest roemruchte stad ter wereld bezaten, want op 3 november 1673 verneemt de redactie uit Engeland dat: ‘Den koningh heeft ordre gegeven voor het equiperen van een considerabel esquader oorlogh schepen … dat men voorheeft, Nieuw Jorck daer mede weder te vermeesteren.

De opnamen van deze kranten konden zodoende doorgegeven worden aan de KB voor hun krantenbank Delpher. Aan de kranten kunnen we al zien dat de mensen van toen, net als die van nu, bekenden graag wilden laten delen in het laatste nieuws, maar dat gold natuurlijk ook voor zeer persoonlijke zaken. Hoe laat je in de 18de eeuw aan iemand overzee weten wat voor nieuwe jurk je hebt gekocht, hoe de laatste mode in Parijs er uitziet of hoe je je eigen ontwerp wilt laten uitvoeren, zonder dat je over telefoon, mail of whatsapp beschikt? Simpel, je stuurt monstertjes op van de textiel, zoals deze jonge juffer uit West-Indië die met deze monsters vertelt wat zij voor het haar gezonden geld gekocht heeft: ‘dit is van de zwarte vouwjapon (het zwart-witte textiel). Dit is een present van Pietje (het blauw en bordeauxrode textiel). Dit is van mijn nieuwen japon die ik gekocht heb voor het geld dat u edele mijn voor een present gesonde heb.’ (het lichtblauwe en oranjerode textiel); zelfs de roestige speldjes zaten er nog bij, al had de Engelse archivaris die er van mij ook uit mogen halen -au.

HCA- 30-719 -katoenmonsters

Wie overzee verbleef wilde geliefden en familieleden natuurlijk ook graag op foto bij zich hebben; alleen zou dat eind 18de eeuw nog ruim een eeuw duren voordat dat wijdverspreid was. Omdat het schilderen van een medaillon ook de nodige centen kostte was er voor de minder gefortuneerden eind 18de eeuw een noviteit bedacht. Het uitknippen van schaduwportretten. Zo kreeg de heer Scheitz, de boekhouder en negotiehandelaar op het VOC kantoor te Cochin op de westkust van India rond 1780 silhouetportretten toegestuurd van zijn verwanten Ludwig, Magdalena, Margretha Gabriëlle, Maria Magdalena en Carl Ludwig.

HCA-30-722-portretten-Cochin

Of hij er ook van heeft kunnen genieten weten we natuurlijk niet, want op de heen- of terugreis werden de portretten in beslag genomen. Dat is natuurlijk het sneue verhaal van al deze brieven en paperassen: ze zijn allemaal verloren gegaan voor de eigenaar of degene voor wie het bestemd was.
Enigszins mysterieus zijn de sleutels die rond 1770 werden verstuurd. Een brief met sleutels…daar hoort ongetwijfeld een kist bij. En wat zat er dan in die kist dat die op slot gedaan werd? Deze sleutels werden natuurlijk separaat verzonden zodat tijdens transport de kist niet geopend kon worden. Of moeten we de fantasie de vrije loop laten en gaat het hier om een schat van een vrijbuiter waarbij de ontvanger van de sleutels naar een ander werelddeel of andere plaats moest reizen om de bijbehorende kist te kunnen openen? We zullen het nooit meer weten. Wat ik wel zeker weet is dat er tientallen portefeuilles zijn verstopt in de archieven van het TNA, maar ik daar nooit ofte nimmer geld in terug gevonden heb. Hooguit wisselbrieven; de voorloper van de cheque.

HCA 30-719 portefeuille HCA 30-719 sleutels

Aangezien veel post uit West-Indië komt zitten daar ook de nodige paperassen tussen die ons herinneren aan de plantage-economie en de slavernij. Plantages waren vaak in eigendom bij Zeeuwse of Amsterdamse eigenaren die zelf nooit een stap in Suriname zouden zetten. De plantages werden gerund door een directeur die er enkele jaren zat en die werd bijgestaan door een boekhouder, of hij deed het secretariële werk zelf. Deze boekhouding werd ter controle naar de Republiek teruggezonden. Daardoor is het archief van de High Court of Admiralty een goudschat voor onderzoekers naar de plantagesamenleving en slavernij in Suriname in de 17de en 18de eeuw. In een archiefdoos zat bijvoorbeeld de complete boekhouding van de plantage Geertruijdenberg uit 1778-1779. De zwarte bladzijden van onze geschiedenis komen dan wel heel dichtbij. Tegelijkertijd besef je dat zo een plantage door de achttiende-eeuwse boekhouder zuiver bedrijfsmatig werd bezien, zelfs de slaven die er werkten werden op de balans gezet. Hij noteerde in het kasboek aan de debetzijde alle geboorten en aan de creditzijde alle overledenen onderverdeeld in ‘Mans, Weijven, Jongens en Meisjes.’ Zo lezen we op 30 januari 1779 ‘de neegerin Susanna gekraamt van een neegerjong genaamt Daniël’ en aan de creditzijde op 4 januari van datzelfde jaar ‘de neegerin Theresa aan een langduurende siekte, obiit [gestorven].

kasboek-plantage-geertruijdenberg HCA 30 725
Tot zover het rariteitenkabinet, want daar was je als visser niet naar op zoek. Naast de garnalen en de krabben in het net waar je platvis in vangen wilt hoop je bijvoorbeeld ook eens een mammoetkies aan te treffen. In dit geval drukwerk uit Zeeland wat nog onbekend is, want dat zijn items waar ZB voor de collectie Zelandica altijd naar op zoek is. Zoiets trof ik in mei aan.

Het is het welbekend dat er in de 17de en 18de eeuw in de Republiek al levensverzekeringen afgesloten konden worden, maar bij wie dat was en waar deze maatschappijen zaten is nog slecht bekend. Tijdens werkzaamheden voor Krantenbank Zeeland was ik enige tijd geleden al op de Vlissingse Lyfrete Sociëteit gestuit. In de Middelburgsche Courant van 27 juni 1776 valt te lezen dat een dergelijke maatschappij ook in Vlissingen was opgericht. Tenminste, een afdeling, want zoals uit de oprichtingsartikelen blijkt zat het hoofdbestuur in Amsterdam. Groot was dan ook de verrassing toen tussen enkele scheepspapieren uit 1780 de artikelen van deze maatschappij zaten. In Nederlandse archieven is slechts één aandeel in een dergelijke levensverzekeringsmaatschappij bekend die ouder is dan die van Lyfrente Sociëteit de Zekere Verwagting uit Vlissingen van 1776 en hier lag de volledige oprichtingsakte van de onderneming met intekenlijsten en al! De Vlissingse afdeling had sinds 17 juni 1776 haar obligaties opengesteld voor intekenaars. Opmerkelijk was dat werkelijk iedereen deel kon nemen aan levensverzekeringsmaatschappij de Zekere Verwagting. Nu moeten we dat niet te letterlijk nemen, want de inleg van honderd Pond Vlaams (€ 271,50) was natuurlijk voor de gewone man ruim een jaarinkomen, maar daaruit werd wel intrest en dividend genoten. Hoe vaak en wanneer er uitgekeerd werd, welke voorwaarden er aan verbonden waren en wie behalve de boekhouder Johannes Nortier allemaal bij deze levensverzekeringsmaatschappij betrokken waren is nu dus bekend. Het is natuurlijk archiefmateriaal, dus het origineel moet in Kew blijven, maar ZB heeft dit boekwerkje nu in ieder geval digitaal tot haar beschikking.

lyfrente-societeit

Het werd bij de Vlissingse uitgeversfamilie Corbeleyn uitgebracht. In Middelburg waren nog veel meer drukkers actief dan in Vlissingen, al was het alleen in verband met tal van officiële uitgaven die hier vandaan kwamen. Zo trof ik ook drukwerk van Pieter Gillissen uit Middelburg die het drukwerk voor de VOC kamer Zeeland verzorgde. Daaronder bevinden zich een ‘Artykel-brief’ en een ‘Extract uit de Ordre en reglement van de Vergadering van de Zeventiene, de Generale Geoctroyeerde Oost-Indische Compagnie representerende…’ uit 1771 die nog niet in bezit van ZB waren. Dat leert ons weer meer over de productie en bezigheden van de drukkers die hier actief waren.

HCA 30-722 Extract_Orde_en_ReglementVOC_Pieter_Gillissen_Middelburg_1771

Zo blijkt maar weer dat elk nadeel zijn voordeel heeft. Want hoewel uit oorlogshandelingen doorgaans weinig goeds voorkomt is door het massaal in beslag nemen van Nederlandse papieren door de Engelsen in de zeventiende en achttiende eeuw een belangrijke culturele schat bewaard gebleven die anders vrijwel zeker was verdwenen. Hoewel in dit blog de gewone vangst, de vele honderden brieven van en aan Zeeuwen, onbesproken bleven, gaat ZB met vele vrijwilligers hard werken om al die brieven die óók in Kew gevonden zijn te ontsluiten ín het project Zee(uw)post. Waarover later meer.

Johan Francke,

Informatiespecialist

Een aardige aanwinst

donderdag, 25 februari 2016

Bij beperkte middelen voor aanschaf, komen er gelukkig ook schenkingen van weldoeners binnen die de bijzondere collecties van ZB verrijken. Een van deze verzamelingen zijn de zogenaamde prijsbanden. In het verleden kregen leerlingen, die goed hun best gedaan hadden, een boek aangeboden door de onderwijsinstelling waar ze op school zaten. De leerkrachten lieten dat boek in een speciale luxe omslag inbinden. In het boek werd een inlegvel bijgebonden waar de opdracht aan de leerling en de handtekening van het hoofd der school op stonden.

OmslagZB heeft een behoorlijke collectie Zeeuwse, maar vooral Middelburgse prijsbanden. De oudste dateert van 1698. Het gebruik is in de tweede helft van de 19e eeuw verdwenen. Er waren verschillende instellingen die ze toekenden. De meest prestigieuze was de Latijnse School, die later gymnasium genoemd werd. De beste leerlingen uit een klas kregen dikwijls een klassiek Latijns literair werk aangeboden, gevat in een kalfsleren band, aan de voor- en achterzijde voorzien van het Middelburgse stadswapen in goudopdruk. Het waren lang niet altijd gloednieuwe boeken die geschonken werden. Wel liet men bij een boekbinder een nieuwe band om een kaal of tijdelijk ingebonden boekblok vervaardigen.
Maar er waren ook andere instellingen die goedkopere banden van halfleer, perkament of zelfs alleen maar papier lieten maken: bijvoorbeeld de (tegenwoordig zouden we zeggen openbare) scholen der stad, de doopsgezinde gemeente en armenscholen. Het gymnasium was alleen voor jongens toegankelijk, maar andere scholen stelden zich gaandeweg open voor meisjes. Er was een Franstalig instituut dat zich zelfs uitsluitend op de vorming van meisjes toelegde. Zeer fraaie prijsbanden, voorzien van een zegel, werden uitgereikt op de Tekenacademie: voor zover bekend, alleen aan jongens.
In de loop van de tijd heeft een deel van deze prijsbanden hun weg naar ZB gevonden, soms door aankoop, soms door schenking. Sommige banden zijn heel hun bestaan in Middelburg gebleven, andere zijn na tientallen jaren of zelfs eeuwen afwezigheid teruggekeerd naar de stad waar ze ooit uitgereikt werden. In veel gevallen is de opdracht eruit verdwenen, hetgeen het exemplaar als onderzoeksobject aanzienlijk minder waardevol maakt.

Onlangs kreeg ik van een mevrouw uit Den Haag een drietal prijsbanden geschonken, die nauw bij elkaar horen. Het eerste exemplaar bestaat uit een Franstalig leesboek, in 1805 door de “Écoles de la ville de Middelbourg” geschonken aan de toen elfjarige Petrus Ketner. Ofschoon het indertijd als jeugdboek beschouwd werd, is het niveau voor hedendaagse begrippen dat van een gevorderde student Frans. Ook in die tijd zal het boek eerder als aanmoediging bedoeld geweest zijn dan vanuit het idee dat dit kind het meteen zou kunnen lezen en bevatten. Petrus Ketner was de zoon van een Boheemse marktkoopman, die op een handelsreis verliefd was geworden op een Nederlands meisje, en zich in Middelburg vestigde.
Het tweede boek, dat Nederlandse korte verhalen bevat met bijbehorende moralistische vragen, werd in 1806 als prijs van naarstigheid door de “opzienders der schoolen der stad Middelburg” toegekend aan Maria Johanna van der Meer, nog maar zeven jaar oud. Nu treft het zo, dat de jonge heer Ketner en de jonge dame Van der Meer in 1825 met elkaar getrouwd zijn. De derde prijsband, eveneens een verzameling korte verhalen, werd in 1816 aan de dertienjarige Sara van der Meer, een zuster van Maria Johanna en altijd ongehuwd gebleven, overhandigd.

 

Inlegvellen in prijsbanden

Inlegvellen in prijsbanden

 

De familie Ketner heeft deze drie prijsbanden van vader op zoon overgedragen. De familie is later naar Rotterdam verhuisd. Nu heeft de achter-achterkleindochter van het echtpaar Ketner-Van der Meer dit dierbare familiebezit teruggebracht naar Middelburg en aan de bibliotheek geschonken. Haar overweging was, dat haar eigen nabestaanden wellicht de waarde van deze werken niet zouden inzien. ZB wordt daarmee nog sterker tot een schatkamer van de stad Middelburg. De prijzen voor de ijverige jongen, zijn (latere) vrouw en hun (schoon)zuster worden nu voor altijd naast elkaar in de kluis alhier bewaard.

Marinus Bierens
Conservator