Archief van categorie ‘Zeeuws’

Stadsvlag of stadsgeus? (deel 2 in de Middelburgse vlaggenkwestie)

dinsdag, 4 april 2017

Mijn weblog van gisteren maakte nogal wat los in het Middelburgse stadhuis en daarbuiten. Het was toch geenszins mijn bedoeling geweest er een sensatieverhaal van te maken,[1] hooguit de historische context wat beter te duiden.

Woordvoerster Trude Northolt van de Gemeente Middelburg reageerde gisteren adequaat op vragen van de provinciale krant en stelde: ‘Op 22 april 1974 is de rode vlag met de gouden burcht officieel als gemeentevlag vastgesteld. Op 30 april 1975, Koninginnedag, wapperde die voor het eerst vanaf openbare gebouwen.’ De vlag heeft thans dus een officiële status. Hoe de stad daartoe gekomen is valt te lezen in de Faam van 21 mei 1975. In de raadsvergadering van 30 november 1973 werd een voorstel aan de Hoge Raad van Adel besproken waarbij werd gesteld: ‘Momenteel is in gebruik een niet officiële vlag die drie horizontale banen telt, van boven naar beneden resp. geel, wit en rood gekleurd. In november 1963 heeft het toenmalige college van b. en w. al een verzoek gericht aan de Hoge Raad van Adel om van Advies te dienen over het voeren van een verantwoorde vlag, in het midden van de stad of broekzijde beladen met een burcht’. Dat laatste werd namelijk passend geacht. Die vlag, die er een jaar later kwam, is dus geënt op het stadswapen en wapen en vlag zijn twee verschillende zaken.

Uit het citaat komen echter twee interessante zaken naar voren: a) Middelburg heeft voor 1974 zijn vlag nooit officieel laten vaststellen en b) de stad heeft zelf het verzoek bij de Hoge Raad van Adel ingediend om een stadsvlag op basis van het stadswapen met de burcht te ontwerpen. Zeer benieuwd ben ik dan ook of de Hoge Raad van Adel in zijn rapport aandacht besteedt aan de geschiedenis van de stadsvlaggen die in de loop van de historie, met name in de tijd van eind zestiende eeuw tot en met de 20ste eeuw zijn gebruikt of dat hier alleen over de heraldische oorsprong van het stadswapen zelf wordt gesproken.

Een van de oudste voorbeelden van de stadsvlag (vlaggenboeken komen voor eind zeventiende eeuw niet voor) komt uit een manuscript gedateerd rond 1669-1670, dat beschreven is door K.L. Sierksma. De Middelburgse vlag heeft hier wederom drie banen, maar nu in de kleuren groen-wit-blauw! Omdat dit de enige bron met die kleuren is wordt er overigens sterk aan getwijfeld of deze vlag wel bij Middelburg hoort, maar Sierksma geeft in ieder geval als verklaring voor de kleuren dat de groene baan een tegenhanger voor het rood van de Hollandse vlag zou zijn en symbolisch zou verwijzen naar het gewest Zeeland of de Admiraliteit daarvan en daarom een algemene vlag voor koopvaardijschepen zou zijn.[2] Een nog curieuzere Middelburgse stadsvlag komt voor op de door B. Lens omstreeks 1700 uitgegeven A General view of the Flags which most Nations bear at Sea.[3] Het is de Nederlandse driekleur met in het midden de gouden burcht.

De bekendste wapenkaart van Zeeland, die uit Mattheus Smalleganges Nieuwe cronyk van Zeeland (officieel 1696, maar pas enkele jaren later verschenen) laat er geen misverstand over bestaan. Daar zitten de zes in de Zeeuwse Staten stemhebbende steden Veere, Zierikzee, Tholen, Middelburg, Goes en Vlissingen bijeen samen met de Eerste Edele. Aan het hoofd van het tafereel is de provinciale vlag en het provinciale wapen (waarover ook al veel te doen is geweest) zichtbaar. De stemhebbende steden houden alle zowel het wapen als de vlag van hun stad vast. Daarbij is duidelijk te zien dat wapen en vlag bij bijvoorbeeld Vlissingen overeen stemmen (zij het dan dat de kruik op de vlag zilver en in het wapen goudkleurig is), maar bij Middelburg duidelijk anders zijn; het wapen, de burcht op een rode achtergrond en de vlag het geel-wit-rood.

Op het anonieme schilderij ‘het retourschip Popkensburg van de kamer Middelburg van de VOC’ (Scheepvaartmuseum Amsterdam), uit 1775, zien we op het scheepsportret duidelijk de geel-wit-rode Middelburgse vlag vanaf de achtersteven waaien.

Op het van drie jaar eerder, uit 1772 daterende schoorsteenstuk ‘fregatschip Essequebo Sociëteit voor de rede van Vlissingen’, van de Zeeuwse schilder Engel Hoogerheyden (Scheepvaartmuseum, Amsterdam) zien we op de achtergrond van deze West-Indiëvaarder een interessante vlag op een ander schip. Daar waait de Middelburgse vlag, maar dan ondersteboven: rood-wit-geel, zoals kapitein Paulus van der Dussen (zie eerdere weblog) hem ook beschreef.

Op de vlaggenkaart ‘Schouw-park aller scheeps-vlaggen des geheelen water waerelds’, uitgegeven door Gerard van Keulen in Amsterdam in 1726 zien we wederom twee Middelburgse vlaggen. Na de provincievlag komt eerst de geel-wit-rode stadsvlag van Middelburg en dan de rode geuzenvlag van de stad. Vervolgens komen de vlaggen van Vlissingen en Veere, beide rood met het stadswapen er in. Bij die twee steden wordt slechts één vlag gegeven, maar ook daar staat expliciet vermeld dat het om de geuzenvlag gaat.

Sinds enkele jaren hangt in het Maritiem Muzeeum te Vlissingen een particulier schilderij dat zeer waarschijnlijk het kaperschip Profeet Elias van de reders Sautijn voorstelt. Het is een scheepsportret waarbij het schip voor de havenuitgang van Middelburg is geschilderd in drie verschillende aanzichten en stamt uit de tijd van de Spaanse Successieoorlog (1702-1713). Dit is het vroegste tot op heden bekende schilderij waarop een Middelburgs kaperschip zichtbaar is. Aan de achtersteven hangt duidelijk zichtbaar een rode vlag, maar wat daarop is afgebeeld en is niet duidelijk omdat de vlag slap neerhangt.

Van het jaar 1842 is een afbeelding bekend van Jacob Spin, van het Middelburgse barkschip Pauline (Maritiem Museum, Rotterdam), van kapitein J.J. Brouwer en rederij Boddaert & Co. Daarop is wel een rode vlag met het Middelburgse stadswapen, de burcht, te zien. Deze waait vanaf de fokkenmast. Het bijzondere aan dit schilderij is dat het hier een koopvaardijschip betreft dat die rode -of oorspronkelijk geuzenvlag- voert, maar dan zitten we inmiddels in de 19de eeuw en is het al sinds 1815 vrede.

Er zijn kortom in de loop van de geschiedenis meerdere Middelburgse stadsvlaggen gebruikt, maar duidelijk is toch wel dat de rode vlag met de burcht een oorsprong als bloedvlag of stadsgeus heeft dat weer was geënt op het stadswapen.

Er is trouwens nog ontkenning mogelijk voor eventuele vermeende aansprakelijkheid van Middelburgers op basis van gewelddadigheden op zee. De stadsvlag van Hamburg zag er in de achttiende eeuw net zo uit[4] als de geuzenvlag van Middelburg…

Johan Francke

[1] Zie PZC, 4 april 2017, pag. 2. De verslaggever ging er aan voorbij dat ik binnen ZB informatiespecialist ben, maar op een ander vakgebied ben opgeleid; namelijk dat van de maritieme geschiedenis.

[2] Sierksma, Flags of the World, 161.

[3] Wilson, Flags at Sea, 69.

[4] Ibidem, 69.

Middelburg verklaart bezoekers de oorlog

maandag, 3 april 2017

Vrolijk wappert de Middelburgse middenstand de toeristen toe vanaf de gevels van de monumentenstad. De helrode vlaggen die de viering van achthonderd jaar stadsrechten kleur moeten geven plooien langzaam in het zachte lentebriesje dat op zonovergoten aprildagen over de stad schijnt. Een lust voor het oog. Tenminste, voor de Middelburgers…

Want wat zou u ervan denken als van de Japanse ambassade niet de traditionele Hinomaru

maar deze vlag

zou waaien? Daar zou eenieder toch even raar van opkijken of zelfs een zeer ongemakkelijk gevoel van krijgen. Overlevenden van de Tweede Wereldoorlog in Zuid-Oost-Azië al helemaal. Nu gaat het hier om een wat verder verleden en zijn er waarschijnlijk geen mensen meer die zich hun jonge jaren voor 1800 nog kunnen heugen, maar die Middelburgse vlag heeft een soortgelijk verleden.

De rode vlag met de gouden burcht die nu overal in de stad wappert is namelijk niet de stadsvlag, maar de geuzen- of bloedvlag die in oorlogstijd gebruikt werd door schepen van de Admiraliteit en kapers die Middelburg als thuishaven hadden en zee en oceaan afstruinden op zoek naar vijanden om buit van te veroveren.

Deze bloedvlag waaide normaliter vanaf de bezaansmast. De prinsenwimpel (dus geen vlag) waaide vanaf de grote mast en vanaf de fokkenmast of de boegspriet waaide de officiële stadsvlag of een Zeeuwse vlag. Die indeling werd echter niet zo strikt gehanteerd, vaak genoeg werd er van afgeweken.

Op het beroemde schilderij van Adriaen Pieterszn. van de Venne, Gezicht op de haven van Middelburg uit 1615 (Rijksmuseum)

wappert de Middelburgse geus bijvoorbeeld aan de grote mast van het admiraliteitsschip Zeehond. Op de twee schilderijen die Cornelis Louw in 1714 (Scheepvaartmuseum Amsterdam) en 1725 (Maritiem Muzeeum Vlissingen) maakte van Vlissingse kaperschepen op de rede voor de stad zien we diezelfde bloedvlag terug op de boegspriet, maar nu met de Vlissingse kruik er op.

Gebruik van deze bloedvlag beperkte zich niet alleen tot zee. Conform het oorlogsrecht hoefden aanvallers geen ‘kwartier’ (genade of lijfsbehoud) te verlenen aan de andere partij indien deze weerstand bood bij een belegering of aanval, als vooraf tenminste de keuze voor overgave was gegeven. Om de intenties aan de vijand duidelijk te maken kon bijvoorbeeld de bloedvlag worden gehesen, ten teken dat geen ‘kwartier’ verleend of aanvaard zou worden.[1]

De meeste mensen die ooit een schip ontmoet hebben dat de rode vlag met de gouden burcht van Middelburg voerde zullen daar dus waarschijnlijk geen al te beste herinneringen aan over hebben gehouden, als ze het al na konden vertellen. Nu werd na overgave in de regel niet iedereen over de kling gejaagd, maar doorgaans gewoon krijgsgevangen gemaakt, al was ook dat in die tijd geen pretje.

De laatste keer dat de Middelburgse geus aan een scheepsdek van een kaperschip wapperde is waarschijnlijk in de Napoleontische tijd geweest; alweer meer dan tweehonderd jaar geleden. De laatste keer dat een dergelijke vlag op een admiraliteitsschip werd gevoerd dateert van nog verder terug, waarschijnlijk in de tijd van de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784). Meer dan 230 jaar geleden dus en tijd blijkt een helend begrip in de historie. Zo is het wel bon ton om grapjes over Napoleon te maken, maar kan er een ongemakkelijk spanningsveld ontstaan als je eenzelfde soort grap over Hitler maakt. Het verleden is daarvoor te tastbaar aanwezig omdat er nog mensen zijn die de oorlog zelf hebben meegemaakt of nog te maken hebben met de gevolgen daarvan.

Terug naar de geuzenvlag van Middelburg, want welke vlag moeten de Middelburgse grootgrutters dan wel uitsteken? Heel eenvoudig, de officiële Middelburgse vlag, die ziet er namelijk heel degelijk uit, zelfs een beetje saai. Deze heeft, net als de Nederlandse vlag, drie horizontale banen in de kleuren geel, wit en rood.[2]

Volgens Van der Dussen, een kapitein in dienst van de Admiraliteit, zou dit rond 1700 rood-wit-geel zijn geweest.[3] Uit overlevering is ons niets meer bekend over ’s mans drankgebruik, maar waarschijnlijk heeft hij de vlag ondersteboven gehangen. In de door Pieter Mortier uitgegeven Neptune François (Amsterdam, 1693) staat een afbeelding van de vlag, waarop de correcte volgorde te zien is: geel-wit-rood. Sterker nog, uitgever Mortier geeft twee afbeeldingen. Bij de bovenste staat de volgende tekst bij de officiële driekleur: ‘vlag van Middelburg in Zeeland, geel-wit-rood’ en bij de bloedvlag daaronder staat: ‘geus van Middelburg, rood met een goude burg.[4] Ook in tal van andere oude atlassen staat deze volgorde vermeld en worden zowel de officiële stadsvlag als de geus omschreven. De Neptune François echter, geeft er ook een ingekleurd voorbeeld bij.

Niet voor niets zijn de luiken van het oude stadhuis van de stad sinds jaar en dag geel-wit-rood geverfd. Misschien niet zo fleurig als die gouden burcht in dat helrode vlak die nu overal in de stad wappert, maar wel correct.

Johan Francke, informatiespecialist

*Maurits Sep schreef op 3 april 2017 een stukje in de PZC n.a.v. dit blog.
Hierin ook een reactie van de woordvoerster van de Gemeente Middelburg, Trude Northolt: “Op 22 april 1974 is de rode vlag met de gouden burcht officieel als gemeentevlag vastgesteld. Op 30 april 1975, Koninginnedag, wapperde die voor het eerst vanaf openbare gebouwen.”

Bronnen:

*J. Francke, Utiliteyt voor de gemeene saake; de Zeeuwse commissievaart en haar achterban tijdens de Negenjarige Oorlog, 1688-1697 (Middelburg, 2001) vlaggen, pag. 170-174.
*Charles Pené en Giovanni Domenico Cassini, De Fransche Neptunus, of nieuwe atlas van de zeekaarten, opgenomen en gegraveerd door uitdrukkelyke order des konings, tot het gebruik van zyne zeemachten: waar in men ziet de naauwkeurige beschryving van alle de kusten van den oceaan, en d’Oost-Zee, van Noorwegen af tot aan de Straat van Gibraltar (Amsterdam, 1693). (Zie: Duitse uitgave, 1977).
*K.L. Sierksma, Flags of the World, 1669-1670. A seventeenth century manuscript (Amsterdam, 1966).
*K.L. Sierksma, ‘Vlagge-boeck van den Heer Paulus van der Dussen, Capitein’, in: Spiegel Historiael. Maandblad voor geschiedenis en archeologie XIV (1979) 663-668.
*Timothy Wilson, Flags at sea; a guide to the flags flown at sea by British and some foreign ships, from the 16th century to the present day, illustrated from the collections of the National Maritime Museum (London, 1986).

 

[1] C.H. de Goeje, ‘Een verslag van den commandeur der kolonie Essequebo Pieter van der Heijden aan de kamer van Zeeland der West-Indische Compagnie over den aanval van Franse kapers in februari 1709’, in: West-Indische Gids 30 (1890) 36, 39.

[2] Wilson, Flags at Sea, 58, 68-69, 114-115 en Sierksma, Flags of the World, 155-162, 171-172.

[3] Sierksma, Vlagge-boeck, 668.

[4] Charles Pené en Giovanni Domenico Cassini, De Fransche Neptunus, of nieuwe atlas van de zeekaarten, opgenomen en gegraveerd door uitdrukkelyke order des konings, tot het gebruik van zyne zeemachten : waar in men ziet de naauwkeurige beschryving van alle de kusten van den oceaan, en d’Oost-Zee, van Noorwegen af tot aan de Straat van Gibraltar (Amsterdam, 1693).

Bijbels van H.F. Wolf

maandag, 12 december 2016

De bijzondere collecties van ZB zijn onlangs verrijkt met een serie bijbels uit de nalatenschap van de heer H.F. Wolf uit Alphen aan den Rijn. Deze is in augustus 2015 op 86-jarige leeftijd overleden. Hij bezat een verzameling van meer dan achthonderd voor het merendeel Nederlandstalige bijbels. Zijn nabestaanden besloten de collectie ten goede te laten komen aan Nederlandse bibliotheken. Een aantal van deze boeken is nu onlangs door schenking in het bezit van ZB gekomen.

Bijbels in soorten en maten

Flakkeesche bijbel uit 1904 (33 cm) met koperen sloten

Flakkeesche bijbel uit 1904 (33 cm) met koperen sloten

We hadden al enorm veel bijbels in alle soorten, maten en talen. Van alle Nederlandse vertalingen bezitten we menige druk en uitgave. Toch blijken er altijd nog aanvullingen mogelijk te zijn. Zo hadden wij nog steeds geen exemplaar van de zogenaamde ‘Flakkeesche bijbel’. En dat terwijl het Zuid-Hollandse eiland Goeree-Overflakkee tot het aandachtsgebied van de Zeelandcollectie behoort. Deze uitgave van de Statenvertaling kwam in 1895 tot stand bij de Flakkeesche Boekdrukkerij uit Middelharnis. In 1904 werd ze opnieuw uitgegeven door D. Bolle te Rotterdam. Ze is gevuld met illustraties in de vorm van afbeeldingen en kaarten. We hebben er nu twee stuks aan kunnen toevoegen, waarvan er een rijkelijk voorzien is van koperen sloten.

Gouden sluitingen

Nieuwe Testament uit 1856 (15 cm) met gouden slotje

Nieuwe Testament uit 1856 (15 cm) met gouden slotje

Bijzondere aanwinsten waren ook kleinere kerkboeken met metalen sluitingen. Wij hadden al enkele exemplaren met zilverwerk, maar dit rijtje is aanmerkelijk uitgebreid met nog mooier zilverwerk, en voor het eerst ook twee Nieuwe Testamenten met gouden sluitingen uit de beginjaren van de 20e eeuw.
Daarnaast is er een kerkboek met een ouderwets geborduurd omslag binnen gekomen, en een exemplaar met een zwart fluwelen bekleding. Dit laatste is ook om een andere reden bijzonder: het is afkomstig uit het bezit van de Walcherse familie Bierens, en door hen als teken van persoonlijke vriendschap aan de heer Wolf geschonken.

Kinderbijbels

Prenten voor Kerstmis in de ‘Huisbybel’ uit 1762

Prenten voor Kerstmis in de ‘Huisbybel’ uit 1762

Op het gebied van kinderbijbels valt er een mooie aanwinst te melden, namelijk vooral de ‘Vernieuwde en verbeterde school- en huisbybel’ uit 1762, een van de oudste Bijbelse geschiedenissen voor de jeugd. Het boek is gesteld in de vorm van vragen en antwoorden en voor die tijd rijkelijk voorzien van illustraties. Onze al aanwezige historische kinderboeken van de 19e en 20e eeuw komen vooral uit traditioneel protestants-christelijke kring; daarom is het aardig dat we er nu ook wat werkjes over de bijbel van rooms-katholieke signatuur bij gekregen hebben, en iets heel anders: de zeldzame ‘Bijbel voor de jeugd uit vrijzinnige kringen verteld’ uit nog maar 1929. Weer uit katholieke kring komt de ‘Geschiedenis van het Oude en Nieuwe Testament’ door H. Wolffenbuttel-Van Rooijen, voorzien van gravures door Gustave Doré.

Gulle gever
Hendrik Frederik (Henk) Wolf is zijn loopbaan begonnen als huisschilder aan de Bloemgracht in Amsterdam. Later volgde hij een opleiding als verpleegkundige, en werd tenslotte directeur van een bejaardentehuis in Alphen. Zijn met veel plezier verzamelde bijbelcollectie had hij ondergebracht in zijn woonhuis aldaar. Van daaruit verzorgde hij lezingen en kleine exposities aan een divers publiek in kerken, bibliotheken, gemeenschapshuizen en scholen. Kleine groepen konden de collectie bij hem thuis bezichtigen.

Nieuwe Testament uit 1918 (12 cm) met gouden slotje

Nieuwe Testament uit 1918 (12 cm) met gouden slotje

Uiteindelijk heeft hij zijn rijke bezit ondergebracht in de ‘Stichting In de BibliAtheek bij H.F. Wolf’. Na zijn overlijden zag de Stichting geen mogelijkheid om de collectie blijvend te beheren. Daarom besloten de bestuursleden de Stichting te ontbinden en daarbij te handelen volgens de stichtingsakte en in de geest van de oprichter. Dat betekende dat de collectie zoveel als mogelijk aan het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG) afgestaan werd. Deze al zeer rijke bibliotheek toonde echter slechts interesse voor een klein deel. Daarom kwam de bibliothecaris van het NBG op het idee de restanten aan te bieden aan (universiteits)bibliotheken. Ondergetekende, als lid van de Vereniging voor het Theologisch Bibliothecariaat, kreeg de titellijst toegestuurd. Ik heb daar een keuze uit gemaakt. De voorzitter van de Stichting, Marysa Otte uit Amsterdam, tevens schoondochter van de heer Wolf, is de schenking zelf komen brengen. Het betekent voor ons een verrijking van de collectie en een bevestiging van onze functie als theologische bewaarbibliotheek.

Marinus Bierens
Vakreferent godsdienst

Foto’s: Ester van Dooren

Zee(uw)post

woensdag, 9 november 2016

Het kantelend beeld van historische dogma’s door brieven van de gewone man

In mijn vorige blog berichtte ik over de bijvangst van het project Zee(uw)post, ditmaal gaat het over daadwerkelijke vangst. In september zijn namelijk alle vrijwilligers aan de slag gegaan met het transcriberen en vertalen van de brieven en deze te voorzien van historische context. Met dat laatste wordt bedoeld dat de vrijwilligers nagaan wie de in de brief genoemde en geadresseerde personen zijn, wat er in de brief geschreven staat en waar dit mee te maken heeft.

Nu de eerste transcripties van brieven binnenkomen vielen mij enkele zaken op, waarvan ik een onderwerp wil uitlichten en de context verduidelijken. Globaal genomen bevat een persoonlijke brief uit de koloniën nieuws over wanneer men verwacht thuis te komen, de gezondheid van de schrijver en duizend-en-een groeten aan allerlei bekenden. Alleen al voor wat betreft die geadresseerden vielen enkele brieven op waarmee context geduid kon worden. Deze waren namelijk gericht aan zogenaamde logementshouders/sters.

Slaapbazen
Dat mensen een spreekwoordelijke poot uitgerukt wordt, daar waar financiële diensten worden verleend, is een gegeven zo oud als de mensheid. Vanuit de 17de en 18de eeuw hadden in dit verband de slaapbazen, logementhouders of volkhouders altijd een heel slechte naam. Dit waren mannen of vrouwen die er een logement voor zeelieden op na hielden (in het laatste geval vaak ook nog bordeelhoudsters!). In Middelburg bijvoorbeeld waren tussen 1730-1732 niet minder dan 49 logementen, waarvan er 43 door vrouwen werden gedreven.[1]

Aangezien veel zeelieden platzak waren, ofwel omdat ze hun verdiende geld verbrast hadden, ofwel vanuit het achterland kwamen om emplooi op zee te vinden en berooid van hun reis in de havenstad aankwamen, ofwel zo weinig hadden verdiend op zee (doordat de reder of kapitein hen gekapitteld had met allerlei straffen) dat ze zichzelf niet meer konden onderhouden, werd hen een slaapplaats aangeboden waar men ‘op de pof’ kon verblijven. U voelt hem natuurlijk al aankomen. Dat poffen kon achteraf nogal in de kosten lopen omdat mensen soms lang in een logement verbleven voordat ze emplooi vonden of omdat voor een vlooienbed Hiltontarieven werden gerekend.

Een zeeman die eenmaal emplooi vond en uiteindelijk met een schip de Republiek verliet, moest een schuldbekentenis of zogenaamde schuldbrief tekenen bij de slaapbaas/vrouw van het logement waar deze verbleef. Deze kon met deze zogenaamde transportbrief naar de reder stappen om hiermee vervolgens het verschuldigde bedrag te innen. Tenminste, zodra de bewuste zeeman recht op uitbetaling van zijn gage had. Dat betekende uiteraard dat veel zeelieden pas na maanden of jaren werken op zee hun schulden hadden afgelost en pas dan zelf geld gingen verdienen. Reden waarom ze eenmaal aan wal, zich al snel opnieuw in de schulden moesten steken.

Zulke transportbrieven konden dus niet meteen worden geïnd en werden daarom ook wel doorverkocht voor een lager bedrag dan de nominale waarde. Dit soort verkopers werd ook wel zielverkoper genoemd, omdat ze daadwerkelijk de zielen van mensen verkochten. Zo’n opkoper van transportbrieven kon namelijk ook de reder zelf zijn, die zich daarmee goedkoop van personeel kon voorzien. De VOC sloot hiertoe zelfs contracten met logementhouders af die hun gasten verplicht dienst lieten nemen bij de ‘loffelijke compagnie.’[2]

aepjen

Voormalig logement ’t Aepjen in Amsterdam, bron: wikipedia

In de Aap gelogeerd
Nu stond hier natuurlijk tegenover dat zo een zielverkoper of logementhouder wel het risico liep dat een opvarende overleed, deserteerde of zich nooit meer in patria liet zien. Zeker niet als iemand afgezet was door een logement van bedenkelijk allooi, of om het op zijn 17de eeuws Amsterdams te zeggen: in de Aap gelogeerd zijn, want dit spreekwoord komt van het bedenkelijke logement ’t Aepjen. Dit was een 16de eeuwse houten herberg aan het begin van de Zeedijk dat je vandaag de dag, als café, nog steeds kunt bezoeken. Gezien de geschiedenis is het niet vreemd dat er nu geen slaapplaatsen meer aan de backpackers aangeboden worden.

Veel van die logementhouders hadden dus een kwalijke reputatie en het is dan ook niet vreemd dat veel voormalige gasten nooit meer iets van zich lieten horen. Uit de brieven van vele gewone zeelieden in Zee(uw)post blijkt nu dat er ook opvarenden zijn geweest die niet alleen bij hun logementhouder/ster terugkwamen, maar er zelfs vriendschappelijke banden mee onderhielden. Dit blijkt uit diverse brieven, al moet daarbij vermeld worden dat gezien de inhoud van één van de brieven de kans groot is dat dit logement ook als bordeel diende. De klaarblijkelijk nog jonge Pieter Tallenboom scheef op 28 januari 1781 namelijk vanuit Rio Demerary (Guinée) aan logementshouder Joseph Jansen, die buiten de Noordpoort van Middelburg een thans onbekend logement runde:

hca-30-331-aanhef-seer-waarde-slaapbaas

Seer warde en seer geagte slaa[p]bas en slaa[p]vrou, deese di[e]nt om u te laaten weeten als dat ik nog en een volmaa[k]te staat van gesontheijt ben. Dat Talleboom een gezonde jonge jongen was blijkt uit de wensen die hij aan zijn slaapbaas en -bazin voorlegt, voor het geval hij na zijn reis weer in Middelburg arriveren zou:

hca-30-331-meijt

´Ik ferso[e]ik seer vr[i]endeleijk als dat gey of u vrou[w] een ijonge meijt sult opso[e]ike teegen dat ik tuijs kom, want ik kan meijn maagtdom ni[e]t langer bewaare[3]
Daarna volgen nog enkele zeer scabreuze zinnen die we hier omwille van de jonge lezers niet vermelden zullen, maar ons wel voor de reputatie van de herberg -die wel niet voor niets buiten de stadsgrenzen gelegen zal hebben- doen vrezen. Binnen deze zelfde brief geeft de jonge Talleboom meermalen aan dat hij op een goede gezondheid hoopt voor het echtpaar. Ook de zeelieden Gerret Vervoort en Jan Romero groeten hun slaapbaas Jacobus van Dijk, die een logement op het Vlissingse Wagenplein in Middelburg drijft en noemen hem zelfs vriend:
Zeer waarde goede vrint en slaapbaas Jacobes van Dijk.’ Zij hopen ‘uw zeer goede vrint slaapbaas en vrouw en al uw kinder aankoomende zoomer in een gewenste staat te vinden.’[4]
Ook deden ze nadrukkelijk de ‘groetenisse’ aan ‘Betien [Betje] uijt het Goude Verken.

hca-30-362-betje

Dat Vlissingse Wagenplein bestaat thans niet meer, maar lag in het verlengde van de Vlissingse straat naar de Vlissingse poort (thans Schroebrug) en was vooral in de achttiende en negentiende eeuw een beruchte volkswijk met tal van herbergen en bordelen. Wellicht een goede reden voor beide zeelieden om na een lange reis toch naar hun vlooienbed terug te keren? Ook hier kennen we de naam van de herberg helaas niet, noch weten we met zekerheid of het ook hier een bordeel betrof.

hca-30-322-aanhef-waarde-baas-en-vrou

In een andere brief gericht aan een logementshouder stond wel de naam van de herberg vermeld. J. Rolbers schreef op 22 november 1780 vanuit St. Eustatius aan Matthijs Artenaas, van Zeemans welvaren ‘op de dokke in Vlissingen, waarbij hij opende met ‘waarde baas en vrou.’ Dat duidt er op dat het ‘Zeemans welvaren’ bij het dok in Vlissingen (bedoeld zal hier zijn het Dokje van Perry) een verblijfplaats voor zeelieden of een logement is geweest. Hij was dus kennelijk van plan terug te keren en schreef dat ze zich niet ongerust moesten maken omdat de terugreis ernstige vertraging had opgelopen. Dat hij ook voordien in een goed logement ondergebracht was geweest, blijkt aan het slot van de brief waarin hij de groeten aan diverse mensen doet waaronder de ‘oude slaapvrouw van my van Middelburg.’[5]

hca-30-322-groeten-slaapvrouw-middelburg

Op basis van deze brieven kunnen we concluderen dat zeelieden ook vriendschappelijke banden onderhielden met hun slaapbazen/bazinnen en dit lang niet altijd uitzuigers zullen zijn geweest. Een beeld dat de afgelopen decennia wel was ontstaan in de vakliteratuur, maar door deze brieven van gewone mensen nu kan worden bijgesteld. Daar staat tegenover dat het beeld van het logement als bordeel eerder wordt bevestigd dan ontkracht. En dit is uiteraard nog maar het topje van de ijsberg, want met de inhoud van deze brieven uit Zee(uw)post liggen nog vele andere onderzoeksmogelijkheden open.

Johan Francke,
Informatiespecialist en eindredacteur Zee(uw)post

Bronnen:
The National Archives, Kew (TNA), High Court of Admiralty (HCA) 30, inv.nrs. 322, 331 en 362.
Jaap R. Bruijn, Zeegang. Zeevarend Nederland in de achttiende eeuw (Zutphen, 2016) 37-42.
Matthias van Rossum, Werkers van de wereld. Globalisering, arbeid en interculturele ontmoetingen tussen Aziatische en Europese zeelieden in dienst van de VOC, 1600-1800 (Hilversum, 2014) 190-196, 204-205.

Noten:

[1] Jaap R. Bruijn, Zeegang. Zeevarend Nederland in de achttiende eeuw (Zutphen, 2016) 38.

[2] Jaap R. Bruijn, Zeegang. Zeevarend Nederland in de achttiende eeuw (Zutphen, 2016) 40-42 en Matthias van Rossum, Werkers van de wereld. Globalisering, arbeid en interculturele ontmoetingen tussen Aziatische en Europese zeelieden in dienst van de VOC, 1600-1800 (Hilversum, 2014) 191-192.

[3] TNA, HCA 30, inv.nr. 331.

[4] TNA, HCA 30, inv.nr. 362.

[5] TNA, HCA 30, inv.nr. 322.

Bijvangst

dinsdag, 28 juni 2016

Bijvangst is volgens de Van Dale ‘de vangst van andere vissen dan waarop werd gevist.’ Meestal wordt die bijvangst weer overboord gekieperd, tenminste, als deze niet teveel waarde bezit. Als historicus, of liever als archiefonderzoeker, heb je soms ook zulke bijvangst. Zozeer zelfs dat de bijvangst soms belangrijker wordt dan de hoofdvangst. Graag laat ik hier wat van die vreemde, soms Zeeuwse, vissen zien die ik aan de oevers van de Thames naar boven hengelde.

Heron of Kew

Voor het Zee(uw)post project ben ik al enige malen in the National Archives (TNA) in Kew geweest. Daar wordt onder meer het archief van de High Court of Admiralty bewaard. Onderdeel daarvan zijn de zogenaamde Prize Papers: in oorlogstijd in beslag genomen papieren aan boord van buitenlandse of vijandelijke schepen. Aangezien De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in de 17de en 18de eeuw meerdere oorlogen met Engeland heeft uitgevochten, zijn er heel wat Nederlandse schepen door de Engelsen buitgemaakt. Daarbij werden niet alleen de scheepsjournalen in beslag genomen, maar werkelijk alle papierwerk aan boord: brieven, rekeningen, kasboeken, almanakken, beurzen met inhoud, kranten, romans tot zelfs de ganzenveren pennen aan toe. Voor dit project gaat het vooral om de persoonlijke brieven die mensen van overzee naar Zeeland stuurden of omgekeerd. Anders dan bij normale archiefaanvragen waarbij je doorgaans weet wat je aanvraagt, kom je hierbij ook aardig wat andere verrassingen tegen. Zaken die in Nederland verloren zijn gegaan in de loop van de geschiedenis omdat niemand ze belangrijk vond, maar daar weer opduiken omdat ze samen met al die brieven in een doos zijn gestopt.
Net als wij tegenwoordig onszelf goed informeren over wat er om ons heen gebeurt, wilden de 17de-eeuwers dat ook weten. Daarom werd niet alleen een brief geschreven, maar werden bijvoorbeeld ook de laatste kranten meegestuurd. Zo zaten bij een brief naar de West de bijna volledige maanden oktober en november 1673 van de Opregte Haerlemsche Courant en de Amsterdamsche Courant van 9 november 1673. Die laatste krant is in geen enkel archief of bibliotheek in Nederland meer te vinden.

OHC-7-oktober-1673-pag-2

In de ‘Opregte” van 7 november valt te lezen dat het op 4 oktober stormde voor de Zeeuwse kust en ‘verscheyde avonturiers’ [kaperschepen] naar binnen moesten komen. Aan boord van de Fenix moest al het geschut overboord gezet worden ‘om hem te salveeren’ en bij de Metaelman brak de fokkemast af. Dat is niet alleen voer voor historici maar ook voor meteorologen die zich met weergeschiedenis bezig houden. Op deze wijze kon bijvoorbeeld J. Buisman zijn befaamde zesdelige meteorologische magnum opus Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen schrijven.

AC-9november1673pag1

In de ‘Amsterdamse’ staat een kleine regel die ons Nederlanders er nog eens op wijst dat we ooit de meest roemruchte stad ter wereld bezaten, want op 3 november 1673 verneemt de redactie uit Engeland dat: ‘Den koningh heeft ordre gegeven voor het equiperen van een considerabel esquader oorlogh schepen … dat men voorheeft, Nieuw Jorck daer mede weder te vermeesteren.

De opnamen van deze kranten konden zodoende doorgegeven worden aan de KB voor hun krantenbank Delpher. Aan de kranten kunnen we al zien dat de mensen van toen, net als die van nu, bekenden graag wilden laten delen in het laatste nieuws, maar dat gold natuurlijk ook voor zeer persoonlijke zaken. Hoe laat je in de 18de eeuw aan iemand overzee weten wat voor nieuwe jurk je hebt gekocht, hoe de laatste mode in Parijs er uitziet of hoe je je eigen ontwerp wilt laten uitvoeren, zonder dat je over telefoon, mail of whatsapp beschikt? Simpel, je stuurt monstertjes op van de textiel, zoals deze jonge juffer uit West-Indië die met deze monsters vertelt wat zij voor het haar gezonden geld gekocht heeft: ‘dit is van de zwarte vouwjapon (het zwart-witte textiel). Dit is een present van Pietje (het blauw en bordeauxrode textiel). Dit is van mijn nieuwen japon die ik gekocht heb voor het geld dat u edele mijn voor een present gesonde heb.’ (het lichtblauwe en oranjerode textiel); zelfs de roestige speldjes zaten er nog bij, al had de Engelse archivaris die er van mij ook uit mogen halen -au.

HCA- 30-719 -katoenmonsters

Wie overzee verbleef wilde geliefden en familieleden natuurlijk ook graag op foto bij zich hebben; alleen zou dat eind 18de eeuw nog ruim een eeuw duren voordat dat wijdverspreid was. Omdat het schilderen van een medaillon ook de nodige centen kostte was er voor de minder gefortuneerden eind 18de eeuw een noviteit bedacht. Het uitknippen van schaduwportretten. Zo kreeg de heer Scheitz, de boekhouder en negotiehandelaar op het VOC kantoor te Cochin op de westkust van India rond 1780 silhouetportretten toegestuurd van zijn verwanten Ludwig, Magdalena, Margretha Gabriëlle, Maria Magdalena en Carl Ludwig.

HCA-30-722-portretten-Cochin

Of hij er ook van heeft kunnen genieten weten we natuurlijk niet, want op de heen- of terugreis werden de portretten in beslag genomen. Dat is natuurlijk het sneue verhaal van al deze brieven en paperassen: ze zijn allemaal verloren gegaan voor de eigenaar of degene voor wie het bestemd was.
Enigszins mysterieus zijn de sleutels die rond 1770 werden verstuurd. Een brief met sleutels…daar hoort ongetwijfeld een kist bij. En wat zat er dan in die kist dat die op slot gedaan werd? Deze sleutels werden natuurlijk separaat verzonden zodat tijdens transport de kist niet geopend kon worden. Of moeten we de fantasie de vrije loop laten en gaat het hier om een schat van een vrijbuiter waarbij de ontvanger van de sleutels naar een ander werelddeel of andere plaats moest reizen om de bijbehorende kist te kunnen openen? We zullen het nooit meer weten. Wat ik wel zeker weet is dat er tientallen portefeuilles zijn verstopt in de archieven van het TNA, maar ik daar nooit ofte nimmer geld in terug gevonden heb. Hooguit wisselbrieven; de voorloper van de cheque.

HCA 30-719 portefeuille HCA 30-719 sleutels

Aangezien veel post uit West-Indië komt zitten daar ook de nodige paperassen tussen die ons herinneren aan de plantage-economie en de slavernij. Plantages waren vaak in eigendom bij Zeeuwse of Amsterdamse eigenaren die zelf nooit een stap in Suriname zouden zetten. De plantages werden gerund door een directeur die er enkele jaren zat en die werd bijgestaan door een boekhouder, of hij deed het secretariële werk zelf. Deze boekhouding werd ter controle naar de Republiek teruggezonden. Daardoor is het archief van de High Court of Admiralty een goudschat voor onderzoekers naar de plantagesamenleving en slavernij in Suriname in de 17de en 18de eeuw. In een archiefdoos zat bijvoorbeeld de complete boekhouding van de plantage Geertruijdenberg uit 1778-1779. De zwarte bladzijden van onze geschiedenis komen dan wel heel dichtbij. Tegelijkertijd besef je dat zo een plantage door de achttiende-eeuwse boekhouder zuiver bedrijfsmatig werd bezien, zelfs de slaven die er werkten werden op de balans gezet. Hij noteerde in het kasboek aan de debetzijde alle geboorten en aan de creditzijde alle overledenen onderverdeeld in ‘Mans, Weijven, Jongens en Meisjes.’ Zo lezen we op 30 januari 1779 ‘de neegerin Susanna gekraamt van een neegerjong genaamt Daniël’ en aan de creditzijde op 4 januari van datzelfde jaar ‘de neegerin Theresa aan een langduurende siekte, obiit [gestorven].

kasboek-plantage-geertruijdenberg HCA 30 725
Tot zover het rariteitenkabinet, want daar was je als visser niet naar op zoek. Naast de garnalen en de krabben in het net waar je platvis in vangen wilt hoop je bijvoorbeeld ook eens een mammoetkies aan te treffen. In dit geval drukwerk uit Zeeland wat nog onbekend is, want dat zijn items waar ZB voor de collectie Zelandica altijd naar op zoek is. Zoiets trof ik in mei aan.

Het is het welbekend dat er in de 17de en 18de eeuw in de Republiek al levensverzekeringen afgesloten konden worden, maar bij wie dat was en waar deze maatschappijen zaten is nog slecht bekend. Tijdens werkzaamheden voor Krantenbank Zeeland was ik enige tijd geleden al op de Vlissingse Lyfrete Sociëteit gestuit. In de Middelburgsche Courant van 27 juni 1776 valt te lezen dat een dergelijke maatschappij ook in Vlissingen was opgericht. Tenminste, een afdeling, want zoals uit de oprichtingsartikelen blijkt zat het hoofdbestuur in Amsterdam. Groot was dan ook de verrassing toen tussen enkele scheepspapieren uit 1780 de artikelen van deze maatschappij zaten. In Nederlandse archieven is slechts één aandeel in een dergelijke levensverzekeringsmaatschappij bekend die ouder is dan die van Lyfrente Sociëteit de Zekere Verwagting uit Vlissingen van 1776 en hier lag de volledige oprichtingsakte van de onderneming met intekenlijsten en al! De Vlissingse afdeling had sinds 17 juni 1776 haar obligaties opengesteld voor intekenaars. Opmerkelijk was dat werkelijk iedereen deel kon nemen aan levensverzekeringsmaatschappij de Zekere Verwagting. Nu moeten we dat niet te letterlijk nemen, want de inleg van honderd Pond Vlaams (€ 271,50) was natuurlijk voor de gewone man ruim een jaarinkomen, maar daaruit werd wel intrest en dividend genoten. Hoe vaak en wanneer er uitgekeerd werd, welke voorwaarden er aan verbonden waren en wie behalve de boekhouder Johannes Nortier allemaal bij deze levensverzekeringsmaatschappij betrokken waren is nu dus bekend. Het is natuurlijk archiefmateriaal, dus het origineel moet in Kew blijven, maar ZB heeft dit boekwerkje nu in ieder geval digitaal tot haar beschikking.

lyfrente-societeit

Het werd bij de Vlissingse uitgeversfamilie Corbeleyn uitgebracht. In Middelburg waren nog veel meer drukkers actief dan in Vlissingen, al was het alleen in verband met tal van officiële uitgaven die hier vandaan kwamen. Zo trof ik ook drukwerk van Pieter Gillissen uit Middelburg die het drukwerk voor de VOC kamer Zeeland verzorgde. Daaronder bevinden zich een ‘Artykel-brief’ en een ‘Extract uit de Ordre en reglement van de Vergadering van de Zeventiene, de Generale Geoctroyeerde Oost-Indische Compagnie representerende…’ uit 1771 die nog niet in bezit van ZB waren. Dat leert ons weer meer over de productie en bezigheden van de drukkers die hier actief waren.

HCA 30-722 Extract_Orde_en_ReglementVOC_Pieter_Gillissen_Middelburg_1771

Zo blijkt maar weer dat elk nadeel zijn voordeel heeft. Want hoewel uit oorlogshandelingen doorgaans weinig goeds voorkomt is door het massaal in beslag nemen van Nederlandse papieren door de Engelsen in de zeventiende en achttiende eeuw een belangrijke culturele schat bewaard gebleven die anders vrijwel zeker was verdwenen. Hoewel in dit blog de gewone vangst, de vele honderden brieven van en aan Zeeuwen, onbesproken bleven, gaat ZB met vele vrijwilligers hard werken om al die brieven die óók in Kew gevonden zijn te ontsluiten ín het project Zee(uw)post. Waarover later meer.

Johan Francke,

Informatiespecialist

Een aardige aanwinst

donderdag, 25 februari 2016

Bij beperkte middelen voor aanschaf, komen er gelukkig ook schenkingen van weldoeners binnen die de bijzondere collecties van ZB verrijken. Een van deze verzamelingen zijn de zogenaamde prijsbanden. In het verleden kregen leerlingen, die goed hun best gedaan hadden, een boek aangeboden door de onderwijsinstelling waar ze op school zaten. De leerkrachten lieten dat boek in een speciale luxe omslag inbinden. In het boek werd een inlegvel bijgebonden waar de opdracht aan de leerling en de handtekening van het hoofd der school op stonden.

OmslagZB heeft een behoorlijke collectie Zeeuwse, maar vooral Middelburgse prijsbanden. De oudste dateert van 1698. Het gebruik is in de tweede helft van de 19e eeuw verdwenen. Er waren verschillende instellingen die ze toekenden. De meest prestigieuze was de Latijnse School, die later gymnasium genoemd werd. De beste leerlingen uit een klas kregen dikwijls een klassiek Latijns literair werk aangeboden, gevat in een kalfsleren band, aan de voor- en achterzijde voorzien van het Middelburgse stadswapen in goudopdruk. Het waren lang niet altijd gloednieuwe boeken die geschonken werden. Wel liet men bij een boekbinder een nieuwe band om een kaal of tijdelijk ingebonden boekblok vervaardigen.
Maar er waren ook andere instellingen die goedkopere banden van halfleer, perkament of zelfs alleen maar papier lieten maken: bijvoorbeeld de (tegenwoordig zouden we zeggen openbare) scholen der stad, de doopsgezinde gemeente en armenscholen. Het gymnasium was alleen voor jongens toegankelijk, maar andere scholen stelden zich gaandeweg open voor meisjes. Er was een Franstalig instituut dat zich zelfs uitsluitend op de vorming van meisjes toelegde. Zeer fraaie prijsbanden, voorzien van een zegel, werden uitgereikt op de Tekenacademie: voor zover bekend, alleen aan jongens.
In de loop van de tijd heeft een deel van deze prijsbanden hun weg naar ZB gevonden, soms door aankoop, soms door schenking. Sommige banden zijn heel hun bestaan in Middelburg gebleven, andere zijn na tientallen jaren of zelfs eeuwen afwezigheid teruggekeerd naar de stad waar ze ooit uitgereikt werden. In veel gevallen is de opdracht eruit verdwenen, hetgeen het exemplaar als onderzoeksobject aanzienlijk minder waardevol maakt.

Onlangs kreeg ik van een mevrouw uit Den Haag een drietal prijsbanden geschonken, die nauw bij elkaar horen. Het eerste exemplaar bestaat uit een Franstalig leesboek, in 1805 door de “Écoles de la ville de Middelbourg” geschonken aan de toen elfjarige Petrus Ketner. Ofschoon het indertijd als jeugdboek beschouwd werd, is het niveau voor hedendaagse begrippen dat van een gevorderde student Frans. Ook in die tijd zal het boek eerder als aanmoediging bedoeld geweest zijn dan vanuit het idee dat dit kind het meteen zou kunnen lezen en bevatten. Petrus Ketner was de zoon van een Boheemse marktkoopman, die op een handelsreis verliefd was geworden op een Nederlands meisje, en zich in Middelburg vestigde.
Het tweede boek, dat Nederlandse korte verhalen bevat met bijbehorende moralistische vragen, werd in 1806 als prijs van naarstigheid door de “opzienders der schoolen der stad Middelburg” toegekend aan Maria Johanna van der Meer, nog maar zeven jaar oud. Nu treft het zo, dat de jonge heer Ketner en de jonge dame Van der Meer in 1825 met elkaar getrouwd zijn. De derde prijsband, eveneens een verzameling korte verhalen, werd in 1816 aan de dertienjarige Sara van der Meer, een zuster van Maria Johanna en altijd ongehuwd gebleven, overhandigd.

 

Inlegvellen in prijsbanden

Inlegvellen in prijsbanden

 

De familie Ketner heeft deze drie prijsbanden van vader op zoon overgedragen. De familie is later naar Rotterdam verhuisd. Nu heeft de achter-achterkleindochter van het echtpaar Ketner-Van der Meer dit dierbare familiebezit teruggebracht naar Middelburg en aan de bibliotheek geschonken. Haar overweging was, dat haar eigen nabestaanden wellicht de waarde van deze werken niet zouden inzien. ZB wordt daarmee nog sterker tot een schatkamer van de stad Middelburg. De prijzen voor de ijverige jongen, zijn (latere) vrouw en hun (schoon)zuster worden nu voor altijd naast elkaar in de kluis alhier bewaard.

Marinus Bierens
Conservator

De Zeeuwse taele

vrijdag, 31 juli 2015

Het Zeeuws is aan het verdwijnen. In 2003 werd nog in één op de vijf gezinnen thuis meestal Zeeuws gesproken. Nu is dat nog maar bij één op de zeven gezinnen het geval en dan vooral in reformatorische gezinnen en in de gemeenten Reimerswaal, Tholen en Borsele.

In 2003 was het ook onder volwassenen nog heel gangbaar om Zeeuws te spreken want de meerderheid van de Zeeuwen gaf toen aan regelmatig Zeeuws te spreken. Daarnaast zijn de gezinnen waar nog wel Zeeuws gesproken wordt heel specifiek; in bijna de helft van de reformatorische gezinnen wordt Zeeuws gesproken en gezinnen wonend in de gemeenten Reimerswaal (61%), Tholen (38%) en Borsele (30%). De afname van het Zeeuws vindt vooral plaats onder kinderen die op een protestant-christelijke school (7% in 2014 en 13% in 2006) en openbare school zitten (7%) in 2014 en 12% in 2006). Dit blijkt uit de in 2014 voor de vierde keer gehouden Jeugdmonitor enquête basisonderwijs onder leerlingen van de Zeeuwse groepen 6, vooral 9- en 10-jarigen. Aan de enquête in 2014 werd meegedaan door 2026 kinderen wat neerkomt op een respons van 46%.

Factsheet thuissituatie jeugdmonitor Zeeland 2014

Factsheet thuissituatie jeugdmonitor Zeeland

Op de stelling op de website van de PZC “Alle kinderen moeten Zeeuwse les krijgen” zijn de reacties exact fifty-fifty. Na publicatie van een paginagroot artikel in de PZC van woensdag 29 juli volgden veel reacties en vandaag, 31 juli, een heerlijke column van Maan Leo, die uiteindelijk waardering heeft voor de voorstanders van het dialect.

Nijntje an zee

Nijntje an zee

In de collectie van de Zeeuwse Bibliotheek zijn voor liefhebbers van de Zeeuwse taele mooie boeken te vinden. Voor de allerjongsten Kleine pluus, Nijntje ân zee en Opa en oma pluus van Dick Bruna in het Zeeuws. Ook boeken met aansprekende titels als: Uutstuuksels: spreuken en uitdrukkingen van Leuntje en Merien, Goed Zeeuws, goed rond, Oekse Praot, Mee smaek verteld. En natuurlijk het Woordenboek der Zeeuwse dialecten voor als je wilt weten wat bijvoorbeeld “flausjes” zijn en in welke dorpen of steden ze flausjes zeggen in plaats van smoesjes.

Vanaf nu tot eind augustus 2015 vind je in het Zeelandpaviljoen op de 1e verdieping van de Zeeuwse Bibliotheek/SCOOP een selectie van allerlei boeken, luisterboeken en CD’s met Zeeuwse muziek van de Lamaketta’s, Piet Brakman, Engel Reinhoudt en nog veel meer om te lenen of eens in te zien.

Bronnen:
Factsheet Thuissituatie van Zeeuwse Bibliotheek/SCOOP, 2015
PZC van woensdag 29 juli 2015 en 31 juli
• Boeken over Zeeuws in de Zeeuwse bibliotheken

Zeeuwse vlag

Zeeuwse vlag

Adriënne Withagen

Smakelijk rondje Zeeland

donderdag, 23 april 2015

terroirwalcherenennoordbeveland
Op 22 april verscheen Terroir Walcheren en Noord Beveland. Een boek over bijzondere, lokale producten van Walcheren en Noord-Beveland met adressen, recepten, fietsroutes en tips voor onderweg.

De rode draad is steeds bijzondere, smakelijke en eerlijke producten en de adressen waar je deze producten kunt zien groeien, proeven en ervaren. Maar ook adressen van ondernemers die graag met deze mooie producten werken.

De presentatie van het boek vond plaats bij het Aspergepunt aan de Abeelseweg in Middelburg. In het boek staan dan bijvoorbeeld een aantal restaurants waar je deze asperges kunt eten. En andere producten die bij het aspergepunt te koop zijn zoals aspergewijn en zoute boter van boerderij Hoogelande.zeeuwseknop

De Zeeuwse Bibliotheek heeft in het Zeelandpaviljoen een ruim aanbod met boeken over Zeeuwse koks en recepten. Van het Zeeuws Archief een boekje met oude familierecepten. Als je wilt weten wat ‘Pannevis mi wanten’ is, kijk dan in dit boekje met de titel Aan tafel!

Het Zeeuwse Knop Bakboek mag natuurlijk niet ontbreken in dit rijtje. Tinka Leene verzamelde recepten en verhalen uit Zeeland en de rest van de wereld. Wat dacht je van een Griekse yoghurttaart? Uiteraard in de vorm van de Zeeuwse Knop.

Over Zeeuwse zilte zaligheden verscheen Het oesterboek oesterboeken voor liefhebbers van zoetigheden is er Zeeuws zoet.

Zeeland kent veel goede restaurants, met en zonder Michelinsterren. Edwin Vinke van De Kromme Watergang bracht een boek met recepten uit: Zilt en een boek met verhalen en  foto’s van Zeeland afgewisseld met recepten: Zilte klei.

Ludo Haers schreef een culinaire biografie Bloewoste mee juun en een boek met korte verhalen en gerechten van (h)eerlijke producten: #meermoetaniezijn.

puurzeelandVan de hand van Sergio Herman zijn er inmiddels veel boeken verschenen. Puur Zeeland is er één van. Hierin neemt hij ons mee op een culinaire ontdekkingsreis langs lokale ingrediënten uit de duinen, schorren en polders en natuurlijk uit de zee en de Oosterschelde.

Adriënne Withagen,
Informatiespecialist

 

Over de geschiedenis van de Zeeuwse knoop of: hoe een knoopje kan rollen : deel 7: voorlopig slot

donderdag, 2 oktober 2014

Loesje kreeg inderdaad weer gelijk : de weg liep niet waar ik hem verwachtte

Gladde ring met stukje tekst zichtbaar: et emergo copyright Marielle Overdulve

Gladde ring. Zichtbaar is de gravure: ET EMERGO Copyright 2006-2014 Marielle Overdulve alle rechten voorbehouden

Ontknoping
De ontknoping van dit verhaal diende zich onverwacht snel aan.
Twee vragen waren blijven liggen. Over de ‘spider trail’, of hoe het oorspronkelijke ontwerp van de Zeeuwse knoop, met de spinnetjes, naar de Nederlanden liep. En wanneer we het plantje Astrantia ‘Zeeuws Knopje’ zijn gaan noemen.

Plant
Om met die laatste vraag te beginnen. In reactie op dit blog mailde Ans Kloet uit Borssele: ‘Als kweker van de plant Zeeuwse knoop kan ik je melden dat het vroeger de naam Sterrekruid droeg (uit een tuinboek van 1873). Kennelijk is daarna pas de naam Zeeuws Knoopje ontstaan. In de ons omringende landen heet het sterrenbloem of sterrenkruid’.
Mysterie opgelost. Dank je wel Ans. Met de naamgeving van het plantje is dus later hetzelfde gebeurd als eerder met de naamgeving van de knoop. De knoop kreeg rond 1915 zijn huidige naam. Het plantje op enig moment daarna, dus ergens de afgelopen 100 jaar. Wie precies weet wanneer mag het zeggen.

Spidertrail
Nu de eerste en belangrijkste vraag. De meest plausibele hypothese tot nu toe was dat de knoop in de 16e of 17e eeuw werd meegenomen naar de Nederlanden door de Spaanse bezetter tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Dat Spaanse klopt waarschijnlijk wel. Maar het was niet de Spaanse bezetter die hem meebracht. Een vriendin van een vriendin (dank Machteld en Magda) las het blog en vertelde dat in haar familie altijd is gezegd dat de Zeeuwse knoop ooit is meegekomen met Sefardisch Joodse vluchtelingen (Sefardim) uit Portugal/ Spanje.
Iets zei me dat dit waar zou kunnen zijn. Dus de virtuele koffers weer gepakt en op zoek gegaan naar parallellen in migratieroutes van de Sefardim en productieplaatsen van de knoop in Nederland.
Dit is het verhaal, met een volgens mij aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid.

Dank
Met dank aan het Joods Historisch Museum in Amsterdam (conservator mevrouw M. Knotter, en site); Zeeuwse Ankers/ Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (site); juwelier A. Rikkoert uit Schoonhoven; Historische Vereniging Schoonhoven (en site): de heren D. Mentink, L. Ouweneel en R. Kappers; meester-edelsmid C. Kuijf uit Schoonhoven – al meer dan 60 jaar ambachtelijk maker van de meest verfijnde Zeeuwse filigrainknopen – en edelsmid Marielle Overdulve/ Galerie Het Moment in Zierikzee. En hulpbron Wikipedia natuurlijk.

Het oude land, de oude tijd

Het land Kanaän

Het land Kanaän

De Joodse geschiedenis is uiterst complex. Dit blog leent zich niet voor een uitgebreide beschrijving. Maar het komt er op neer dat Joden uit het oude land van Kanaän waarschijnlijk al handelscontacten hadden met Spanje/ Portugal, men denkt vanaf 950 voor Chr. (De naam Kanaän komt behalve in religieuze geschriften, ook al voor in Egyptisch teksten uit de 16e eeuw voor Christus). Daadwerkelijke migratie naar Spanje vond plaats vanaf de Romeinse verovering van Israël in de 2e eeuw voor Chr. Toen de Romeinen de Joodse natie veroverden, werd een groot deel van de bevolking verbannen naar het Iberisch schiereiland (Spanje en Portugal), dat bekend werd door het Hebreeuwse woord SEPHARD, dat “ver weg” betekent. Daar komt ook de benaming Sefardisch en Sefardim vandaan.

Moorse overheersing
Ten tijde van de Moorse heerschappij over Spanje (vanaf 712 na Chr.) leefden de Joodse ballingen er in relatieve vrijheid. De situatie verslechterde als gevolg van de herovering (reconquista) van Spanje door de katholieke christenen op de Moren. In 1492 werden de Sefardim gedwongen Spanje te verlaten, dan wel zich tot het christendom te bekeren. Wie zich niet tot het christendom bekeerde vluchtte naar Portugal, het Ottomaanse Rijk of Noord-Afrika. Een kleinere groep vluchtte naar de Nederlanden, Frankrijk, Italië en Engeland. Overigens waren sommige Sefardim al vanaf 1391 naar elders, waaronder de Nederlanden getrokken.

Maranen
In tegenstelling tot de Spaanse joden die tussen 1391 en 1492 individueel hun keus tussen dood, doop of verdrijving hadden moeten maken, bleef de Portugese Joodse gemeenschap één geheel. Velen bleven in het geheim trouw aan hun Joodse traditie. Zij worden Maranen genoemd.
Een deel van de Joden in Portugal probeerde vanaf 1497 het land te verlaten, en zeker na de invoering van de Inquisitie in 1536 en de inlijving bij Spanje in 1580. De meeste Maranen vestigden zich in Brazilië, Italië, Zuid-Frankrijk, het Ottomaanse Rijk, maar ook in opkomende handelssteden als Antwerpen, Amsterdam, Hamburg en Londen. En in Middelburg.

Middelburg
In het Middelburgse huis van Marcus Perez kwam in september 1566 een verzoekschrift tot stand waarin koning Philips II om godsdienstvrijheid voor de Joden werd gevraagd. De koning werd een vermogen geboden in ruil voor godsdienstvrijheid. Omdat hij daar niet op in ging, werd het geld ingezet voor de gewapende opstand tegen Spanje. Op 18 februari 1574 gaf de Spaanse bevelhebber Mondragon Middelburg over aan de prins van Oranje. Vanaf 1588 waren de Joden vrij om hun eigen godsdienst in de stad te beoefenen.

Joodse geloofsgemeenten in de Nederlanden
In de nieuwe vestigingslanden kwamen de Sefardim gewoontegetrouw veelal in de handel terecht (geld, goud en zilver, diamant). In Nederland mede omdat de gilden (verbonden van ambachtslieden) tot 1792 geen Joden toelieten en er dus geen Joodse ambachtslieden werkzaam waren.
In de 17e eeuw ontstonden bloeiende Joodse geloofsgemeenten in het noordelijk deel van Europa. Ook in de 18e eeuw vestigden zich in de Nederlanden Joden in verschillende plaatsen.
De Sefardische geloofsgemeenten in onder andere Den Haag, Rotterdam en Middelburg ontwikkelden zich volgens het voorbeeld van de Amsterdamse ‘moedergemeente’.

Schoonhoven
Naast Sefardische Joden, kwamen Asjkenazische Joden naar Nederland. Zij waren vooral uit Duitsland afkomstig. Zilverstad Schoonhoven is één van de steden waar zij vanaf 1750 een gemeenschap vestigden. Naast het beroep van marskramer/ koopman (een kwart van de geregistreerde kooplieden in Schoonhoven was Joods) waren zij slachter en vleeshouwer. Enkelen van hen verdienden de kost in de goud- en zilverhandel en in de textiel.

Edelambachtshuys
Tegen het einde van de 19e eeuw nam het aantal Joden in Schoonhoven af. Eind jaren dertig van de 20e eeuw hield de Joodse geloofsgemeente in feite op te bestaan en werd in 1947 formeel opgeheven. De synagoge is verkocht en kreeg diverse bestemmingen. Sinds 1983 is in het gebouw het Edelambachtshuys, het museum voor zilversmeedkunst, gevestigd. De oude Joodse begraafplaats wordt zorgvuldig onderhouden. Schoonhoven is zuinig op wat ooit een heilige plaats was. Of eigenlijk nog is…

Zeeuwse knoop in opdracht

Zilveren knoopje met spinnetjes, uit 1700-1725 copyright P. Minderhoud

Oudst ons bekend ‘Zeeuws’ knoopje met spinnetjes, ca. 1700
copyright P. Minderhoud

Het waren tot de 19e eeuw dus noch de Spaans/ Portugese Sefardim noch de Duitse Asjkenazi die de ‘Zeeuwse’ knoop produceerden. Zij mochten immers tot 1792 het ambacht van edelsmid niet uitoefenen. Maar het is wel aannemelijk dat edelsmeden in onder meer Amsterdam, Schoonhoven en Middelburg deze knopen maakten in opdracht van Sefardisch Joodse stadsgenoten en/of geïnspireerd werden door wat er door marskramers/ kooplieden aan zilverhandel werd aangeboden.
De edelsmeden die zich gedurende de 19e, 18e en wellicht ook 17e eeuw in Middelburg vestigden waren veelal afkomstig uit Schoonhoven.

Tussen 1400 en 1700
Op basis van de migratie-jaartallen moet de eerste wat nu Zeeuwse knoop heet, dan ergens tussen 1400 en 1700 met de Sefardim mee naar de Nederlanden zijn gekomen en in hun opdracht door niet-Joodse edelsmeden zijn vervaardigd. Voor eigen gebruik en/ of als handelswaar.

Schoonhovense edelsmeden
René Kappers van de Historische Vereniging Schoonhoven bevestigt desgevraagd nog eens dat de Schoonhovense edelsmeden meesters waren en zijn in het namaken en vervolmaken van succesvolle bestaande sieraadontwerpen zoals de Zeeuwse knoop. En dat er in de Nederlanden een fijn vertakt handelsnetwerk was via Joodse familieverbanden.

Zeeuwse keelknopen copyright Ria Overbeeke

Zeeuwse keelknopen copyright Ria Overbeeke

Vervoerd over water
Edelsmid Cor Kuijf uit Schoonhoven vertelt dat al in de 16e en 17e eeuw Schoonhovense marskramers stad en land afliepen met buidels vol zilver. Middelburg was via het water relatief eenvoudig bereikbaar. Amsterdam idem. Antwerpen, Westfalen, de noordelijke provincies. Hij vertelt over met name Zeeuwse beurtschippers (een eufemisme voor jatgrage vissers) die nog wel eens het door hen gebeurde geld van naar Zeeland geleverde waren niet afdroegen aan de Schoonhovense kooplieden. Plaatsvervangend bied ik hierbij m’n excuses aan voor deze wandaden.
Kuijf maakt de sieraden nog steeds. Ze worden verkocht in de galerie in Zierikzee van edelsmid Marielle Overdulve, waar zij zelf aan een nieuwe generatie Zeeuwse sieraden werkt.

Salamanca
In de Spaanse stad Salamanca zijn 19e eeuwse knoopjes gevonden die veel lijken op de oudst bekende knoopjes in Nederland. In een reactie op dit blog, waarvoor dank, schrijft Flip Nieuwenhuize uit Middelburg dat hij enige tijd geleden tijdens een vakantietrip door Spanje, in Salamanca getroffen werd door de gelijkenis van de daar gemaakte sieraden met onze Zeeuwse knoop (en andere Zeeuwse sieraden). Hij noemt met name het atelier van Luis Mendez. In een folder van dit atelier wordt vermeld dat de technieken die zij gebruiken geïntroduceerd werden door “Greek and Phoenician colonisers of Spain and Portugal”.

De Etrusken, Syriërs en Joden worden in die folder, waarschijnlijk ten onrechte, niet genoemd. Het eerder genoemde land Kanaän waar al deze volkeren leefden, omvatte (delen van) het huidige grondgebied van Turkije (waar mogelijk ook de Etrusken oorspronkelijk vandaan kwamen), Syrië, Libanon, Israël en Jordanië, met een immens handelsnetwerk. Het gebied ligt op de overlappingszone van vier oude culturen: de Mesopotamische in het oosten, de Anatolische in het noorden, Minoïsch Kreta in het westen en de Egyptische in het zuiden. De invloed van deze culturen op elkaar laat zich raden. Iedereen dreef handel. Dus allemaal kunnen ze het basisontwerp met de spinnetjes uit het oude land hebben meegenomen naar Spanje. Ik vind het aannemelijk dat de Sefardim het als knoopje meenamen naar de Nederlanden en dan ergens eerste of tweede helft 17e eeuw. Ik baseer dat laatste op het in Nederland oudst bekende exemplaar dat is gedateerd ca. 1700 (zie foto op blz. 4 van P. Minderhoud). Uit de 16e eeuw en daarvoor zijn knoopjes met dit ontwerp vooralsnog niet bekend/ gedateerd. Wie meer of beter weet, mag het zeggen.

Zeeuwse knop, gladde ring met Zeeuwse knop gravure en ring met daarop Zeeuws knoopje copyright Marielle Overdulve en Cor Kuijf

Drie generaties Zeeuwse knoop copyright Cor Kuijf en copyright 2006 – 2014 galerie het moment Marielle Overdulve alle rechten voorbehouden

Het nieuwe land, de nieuwe tijd

In de nieuwe tijd maakt men in het oude land tijdens sektarische stammenoorlogen de ander nog steeds een kopje kleiner. Oude gewoonten zijn erg taai. Het debat en de dialoog ver weg. Plato en de zijnen kwamen uit oude stammen voort, leerden wat beschaving ook kan zijn, maar hun lessen bereikten het oude land nog niet.

Ondertussen proberen we in het nieuwe land onze kop erbij en boven water te houden. We worstelen en proberen te ontkomen, bijvoorbeeld aan het door eigen toedoen stijgende water. Een tweede uitspraak van Loesje hangt aan de muur achter mijn bureau. Ze zegt: ‘Ik twijfel en kom boven’. Loesje is een wijs meisje, ik hoop dat ze weer gelijk krijgt.

Tenslotte drie auteurs. Baruch Spinoza, ofwel Benedictus de Spinoza in Latijn, Bento de Espinosa of d’Espinosa in het Portugees. Nederlands filosoof, wiskundige, politiek denker en lenzenslijper uit de vroege Verlichting. Hij was de in Amsterdam in 1632 geboren zoon van Portugees Joodse vluchtelingen. De Amerikaanse psychiater en romanschrijver Irvin Yalom schreef een boek (roman) over hem: Het raadsel Spinoza (2012).
De derde auteur: Frans de Waal. Waarom? Daar mag u zelf achter zien te komen.

Sefardim en bolus
Wist u trouwens dat de Zeeuwse bolus, zoete lekkernij van deeg, bruine suiker en kaneel, zijn naam (en bestaan) waarschijnlijk (ook) te danken heeft aan de aanwezigheid van de Sefardim in onze provincie? Het Jiddische bole (dat ‘fijn gebak’ betekent) is afgeleid van het Spaans-Portugees bollo, dat fijn broodje betekent (Bron: Zeeuwse Ankers).

Ik herhaal mezelf toen ik april 2005 op het voorblad van een andere geschiedenis schreef: In the end this is (in de betekenis van ‘uiteindelijk is dit toch’) One world One people. Je kunt net zo goed zeggen ‘In the beginning this was…’. Dat weten we inmiddels dankzij het National Genographic Project. Kent u dat? Het bevestigt ook dat het metaforisch verhaal over Adam en Eva een kern van historische betekenis heeft. Erg interessant hoor. Google!

Trude de Reij, 1 september 2014
ordezeeuwseknop@zeelandnet.nl

NB Ik zou graag willen dat van dit laatste deeltje (7) een vertaling wordt gemaakt in het Engels en in het Spaans. Is er iemand die dat voor mij kan en wil doen? Mail dan s.v.p. naar het adres hierboven.

Meer informatie:
Dit is een gastblog van een couch-traveler. Trude de Reij heeft de verre geschiedenis van de Zeeuwse knop onderzocht. Zij publiceert dit onderzoek op uitnodiging van de Zeeuwse Bibliotheek. Lees ook:
Deel 1
Deel 2
Deel 3
Deel 4
Deel 5
Deel 6

Over de geschiedenis van de Zeeuwse knoop of: hoe een knoopje kan rollen : deel 6

maandag, 7 juli 2014

Bestemming nog niet helemaal bereikt

Ik ben nu op de kop af zes maanden onderweg. En deze zoektocht naar de verre oorsprong van de Zeeuwse knoop is nog niet afgerond. Een duidelijke plot laat namelijk voorlopig op zich wachten. Dat heeft te maken met een gebrek aan overtuigend bewijs voor één van de drie voorgestelde spidertrail-opties. Wat is het probleem.

Op organisch materiaal kun je koolstofdatering toepassen. Op metalen niet. Dus wanneer op sieraden meestertekens ontbreken (meestertekens maken datering van een sieraad mogelijk), kan er hooguit sprake zijn van indirect bewijs. Met andere woorden: wanneer metalen sieraden worden opgegraven samen met andere, wel via koolstof te dateren voorwerpen, dan kun je daar uit afleiden wat de vermoedelijke leeftijd van de in de buurt gevonden sieraden is. Wanneer die andere voorwerpen zijn vergaan en niet meer te dateren, dan is dus ook de leeftijd van de metalen vaak niet meer te achterhalen.

Maar er is hoop. Op Wetenschap24 las ik dat al meer dan tien jaar geleden Israëlische wetenschappers een manier hebben gevonden om de leeftijd van lood te bepalen. Oude loden objecten kunnen nu dus vrij nauwkeurig gedateerd worden. Het lijkt me een kwestie van tijd vooraleer dit ook mogelijk wordt met voorwerpen van goud, zilver, koper, brons en andere metalen.
Dan zal Loesje misschien haar gelijk weer eens krijgen met haar uitspraak dat de weg niet loopt waar je hem verwacht. Misschien zal dan blijken dat de spinnetjes geen van de drie voorgestelde routes hebben gelopen en dat het allemaal heel anders is gegaan.

Ik weet evengoed nu veel meer dan toen, in november 2013, in dat schitterende museum in Basel. Dat is onder meer dankzij de medewerking van een aantal al even enthousiaste als deskundige mensen uit verschillende Europese landen, die door hun kennis te delen me hielpen zelf ook een klein beetje deskundig te worden. En het mogelijk maakten deze kennis op mijn beurt weer met anderen te delen.
Ik hoop dat het effect van dit blog zal zijn, dat mensen zich melden die hiaten kunnen opvullen. Die meer kunnen zeggen over de bij wijze van hypothese voorgestelde ‘spidertrails’ in de 16e/ 17e eeuw van Noord-Italië naar de Nederlanden. (Dat zijn er tot nu toe dus drie. Via Spanje. Via één of meer midden Europese landen, waarbij mijns inziens Tsjechië en Slowakije in aanmerking komen. Of via de bovengenoemde langere derde route.)

Astrantia

En de mooie Astrantia van de bergweiden? Was zij de muze van een goudsmid? Ik ben het helaas niet te weten gekomen. Misschien blijft dat wel voor altijd een geheim. Het is in elk geval een niet-inheems plantje, dat het hier in Nederland heel goed doet. In al haar variëteiten. Er leeft in Nederland heel veel dat niet-inheems is en het in allerlei variëteiten heel goed doet. Het Zeeuwse knoopje mag daar wat mij betreft in het vervolg symbool voor staan.

Namenbank / netwerk

Ik wil graag een namenbank en netwerk/ kennisnet opzetten van mensen die over een beetje of veel kennis beschikken over de Zeeuwse knoop en andere klassieke of moderne Zeeuwse streeksieraden. Of die de traditionele Zeeuwse sieraden op één of andere manier, direct of indirect, een warm hart toedragen. Deze namenbank, dit netwerk doop ik met een knipoog de ‘Orde van de Zeeuwse Knoop’.
Je kunt je via het e-emailadres ordezeeuwseknop@zeelandnet.nl alvast aanmelden met je naam, woonplaats, telefoonnummer en reden van aanmelding. Een website is in de maak.
Je kunt er geen andere rechten aan ontlenen dan het lidmaatschap zelf. De enige ‘plichten’ die je hebt zijn het op feest- en hoogtijdagen dragen van een Zeeuws sieraad. En je kennis en enthousiasme delen met iedereen die dat wil.

Voor de mannen die de traditionele Zeeuwse knoop – ooit het toppunt van mannelijkheid en welstand – inmiddels te vrouwelijk vinden, een paar tips. Manchetknopen, naar het ontwerp van de oudhollandse holle keelknopen zoals eerder beschreven, of naar een karakteristieke Middelburgse knoop (die zowel op Walcheren als Zuid-Beveland werd gedragen en daarmee een echte Zeeuwse knoop is).

Zilveren knoop, niet opengewerkt 1828-1849, Zuid-Beveland of Walcheren

Zilveren knoop, vervaardigd 1828-1844 door de Middelburgse edelsmid C. Wendels
Bron: Nederlands openlucht museum, Arnhem

Een andere optie: een riem met een klassiek zilveren broekstuk als sluiting. Of een leren polsband met daarop een zilveren klepstuk bevestigd.

Mijn dochter heeft vorig jaar een grote zilveren Zeeuwse knoop laten ombouwen tot ring, waarbij de middelste dop is vervangen door een kleine blauwzwarte parel.

Zeeuwse knoop met in het midden een zwarte parel. Het is een moderne zilveren ring.

Voorkant ring met Zeeuwse knoop
copyrigth G.J. de Reij

Achterkant ring met Zeeuwse knoop in moderne setting

Achterkant ring met Zeeuwse knop
copyright G.J. de Reij

Trude de Reij, Middelburg, mei 2014

PS Nog een kijktip voor ouders, grootouders en leraren van opgroeiende kinderen,
van de week gezien:

De film Extremely Loud & Incredibly Close (2011). Een prachtig verhaal over willen weten, de magie van het zoeken, niet opgeven en de voldoening van het vinden. Over een jongen die op eigen benen leert staan, in het voetspoor en – aan het slot van de film – letterlijk in de schoenen van z’n vader.

Naschrift
In een reactie op het concept van dit blog reageert Jane Perry op de beschreven mogelijkheid van een Tsjechische en/of Slowaakse basis van de Zeeuwse knoop. Er blijken twee boeken te zijn waarin aannemelijk wordt gemaakt dat ook de knopen uit deze landen een Duitse, en daarmee feitelijk Nederlandse basis hebben. Ze trekt de claim van het Knopenmuseum in Baernau in twijfel: dat hun knoop een 16e eeuwse Bohemen achtergrond heeft. Ik heb haar geantwoord dat de optie van een Spaanse basis daarmee aannemelijker is geworden. Hoewel tot nu toe ook voor die theorie het bewijs ontbreekt.

De genoemde boeken:

Meer informatie:
Dit is het gastblog van een couch-traveller. Trude de Reij heeft de verre geschiedenis van de Zeeuwse knop onderzocht. Zij publiceert dit onderzoek op uitnodiging van de Zeeuwse Bibliotheek. Lees ook:
Deel 1
Deel 2
Deel 3
Deel 4
Deel 5
Deel 7