Auteur Archief

Vlissingse Courant op krantenbankzeeland.nl

donderdag, 1 oktober 2009
Logo Krantenbank Zeeland

Logo Krantenbank Zeeland

De Vlissingse Courant is sinds enkele weken opgenomen in www.krantenbankzeeland.nl.
De krant verscheen –weliswaar aanvankelijk onder een andere naam- vanaf 1802 en werd in 1940 opgenomen in de Middelburgsche Courant, die enkele jaren daarna werd omgedoopt in Provinciale Zeeuwsche Courant. Met de plaatsing van de Vlissingse Courant (ruim 120.000 pagina’s) is www.krantenbankzeeland.nl de op één na grootste krantenbank van Nederland en telt ruim 384.000 pagina’s. Beschikbaar zijn de jaargangen 1835 t/m 1849 en 1872 t/m 1938.

Vlissingse Courant

Vlissingse Courant

De (Zeetijdingen en de) Vlissingse Courant verscheen vanaf 1802, maar zou pas vanaf 1835 regelmatig, twee maal per week, verschijnen. Aanvankelijk bestond de inhoud uit mededelingen van de stadsregering, nieuwstijdingen, mengelingen, advertenties en zeetijdingen over de vaart op Antwerpen. Vanaf 1839 kreeg de courant een uitgesproken politiek karakter. Zo werd er geprotesteerd tegen de wijze waarop de grondwet tot stand kwam en kregen de Middelburgsche- en de Goessche Courant er van langs in de commentaren. Wel leverden die beledigingen de krant enige processen op.

In 1843 en later jaren was de krant een spreekbuis van liberalen zoals D. Donker Curtius en P.L.F. Blussé. In 1849 hield de krant opnieuw op te bestaan, maar in 1861 werd, onder ultra-katholieke signatuur, het Vlissingsch Weekblad opgericht. Vanaf 1872 werd het weekblad opnieuw onder de naam Vlissingsche Courant voortgezet en werd het weer een krant.

Links:
www.krantenbankzeeland.nl
http://zoeken.krantenbankzeeland.nl/?krant=vco (zoeken in de Vlissingse Courant)

Johan Francke, Zeeuws Documentatiecentrum.

Henry Hudson en Zeeland

woensdag, 23 september 2009

De feestelijkheden met betrekking tot 400 jaar relaties tussen Amerika en Nederland zijn in volle gang.

Ook in Zeeland worden de nodige activiteiten georganiseerd om de aandacht te richten op de historische betrekkingen met de Nieuwe Wereld. Voor een overzicht van activiteiten kunt u de website Zeeland herontdekt Amerika bezoeken.

 Henry Hudson maakte in 1609 geschiedenis door met het schip De Halve Maen de monding van de rivier – de latere Hudsonrivier –  te verkennen en gunstige locaties voor handel langs de rivier vast te stellen. Hij was hij niet de eerste Europeaan die bij Manhattan arriveerde . Die eer komt toe aan de Italiaanse ontdekkingsreiziger Giovanni da Verrazzano. Deze heeft alleen de Atlantische kustlijn voor een deel verkend. Hudson was degene die de rivier die zijn naam nu draagt verder te verkende op zoek naar een doortocht naar Azië.

Henry Hudson

Henry Hudson

Henry Hudson zocht in opdracht van de Vereenigde Oostindische Compagnie naar een nieuwe handelsroute met Azië. Al eerder had hij pogingen ondernomen om een geschikte route te vinden. De VOC en dan met name de bewindhebbers van de Kamer Amsterdam vonden hem een geschikte kandidaat om de leiding van een nieuwe zoektocht op zich te nemen. De achterliggende beweegreden om Hudson eropuit sturen was dat de VOC al langer geïnteresseerd was in een tweede meer efficiënte vaarverbinding met Azië. Men had weliswaar van de Staten-Generaal het exclusieve monopolie gekregen om via een zuidelijke route met Azië handel te drijven maar vanwege  de concurrentie zou het prettig zijn als er ook een noordelijke route naar Azië gevonden kon worden. Bovendien duurden de reizen naar de Oost via Kaap de Goede Hoop erg lang en gingen er relatief schepen en waardevolle handelsgoederen verloren. Alle reden om een goed alternatief te realiseren.

Op 4 april 1609 verliet Henry Hudson de Amsterdamse haven met aanwijzingen van o.a. de beroemde geograaf Plancius. Het had misschien niet zoveel gescheeld of Henry Hudson was door toedoen van de Kamer Zeeland (de Zeeuwse bewindhebbers van de VOC) er niet toe gekomen om af te zeilen naar de overkant. In een brief dd. 14 maart 1609 geeft de Kamer Zeeland te kennen

“…Wij syn seere verwondert int vremt comportement van Mr. Hutson en de hebben bevonden dat ongeraden is hem op de reyse te laten gaan, want begint hij hier onder onse oogen te muyteneeren wat soude hij doen als hij van ons waer; darom vinden raedsaem uwe E, hem de reyse sulle affseggen ende hem eysschen de gegeven 25 (ponden)  ende indien hij die met vrentschap niet en wilde restitueren, dat Uwe E. met rechte hem daertoe sullen dwingen…”

De oorzaak van de achterdocht die de bewindhebbers van de Kamer Zeeland tegen Henry Hudson koesterden is niet duidelijk. Waarschijnlijk werd Hudson niet vertrouwd mede omdat de Fransen zaken met hem wilden doen en hij daar oren naar had vanwege de hogere verdiensten. Hoe het ook zij de Amsterdamse bewindhebbers hadden echter haast vanwege de concurrentie (met name de Fransen) en de vaaromstandigheden die het niet mogelijk zou maken datzelfde jaar nog te vertrekken. De overeenkomst met Henry Hudson werd ondertekend voordat de bezwaarbrief van de Kamer Zeeland arriveerde. Op deze wijze werd Zeeland geplaatst voor een voldongen feit en begon Hudson zijn reis zonder instemming van de Zeeuwse bewindhebbers. 

Literatuur over Henry Hudson kunt u vinden in de catalogus van de Zeeuwse bibliotheken.

Cees de Blaaij, vakreferent

De eerste bijbel

donderdag, 30 juli 2009

 De Delftse Bijbel uit 1477 is de eerste Nederlandstalig gedrukte bijbel en tevens het oudste boek dat in de Nederlandse taal is geschreven. Dat we hier te maken hebben met een van de oudste boeken uit de Nederlanden blijkt uit het feit dat de boekdrukkunst in 1473 haar intrede deed bij ons en wel in het Oost-Vlaamse Aalst. Jacob Jacobssoen vander Meer en Mauricius Yemantszoen van Middelborch, beiden werkzaam in Delft, drukten het werk.

De Delftse Bijbel bevat het Oude Testament, inclusief de deuterocanonieke of apocriefe boeken maar exclusief de Psalmen; deze bijbelboeken zijn waarschijnlijk weggelaten omdat daarvan al vrij veel manuscripten in omloop waren, en de Delftse Bijbel ook zonder deze bijbelboeken omvangrijk en dus duur was.

De tekst is een anonieme bewerking van een ook al weer anonieme vertaling: de ‘Historiebijbel van 1360’. Het werk beslaat 1281 pagina’s en is gebonden in twee delen met bijna 640.000 woorden. De onervarenheid met het zetten blijkt uit het grote aantal zetfouten.

pagina uit Delftse bijbel

pagina uit Delftse bijbel (bezit Zeeuwse Bibliotheek)

 

Wat opvalt bij het openslaan van het boek is het ontbreken van een titelpagina. Dit geeft aan dat het boek nog de uiterlijke vormgeving van de handschriftelijke traditie vertoont. Dit verschijnsel is terug te vinden in de beginperiode van de boekdrukkunst (1450-1501). Handschriften hadden geen afzonderlijke titel maar eindigden meestal met gegevens over de auteur, de inhoud van het werk, de tijd van ontstaan en de voltooiingsdatum van het afschrift. Komt nu zo’n colofon aan het einde van een vroege druk voor, dan heeft het de functie die later door de titelpagina voorin het boek wordt vervuld, alleen komt nu in plaats van de naam van de afschrijver van het handschrift de vermelding van naam en woonplaats van de drukker.

De gezette tekst is in de meeste exemplaren versierd door rubricatoren – opnieuw een gewoonte die stamt uit de handschriftelijke traditie. Deze rubricatoren versierden de tekst met rood en blauw en voegden kopteksten, paragraaftekens en initialen toe om de tekst enigszins te structureren, ze zijn als het ware de enige ordening binnen de tekst, die verder als een dicht blok in twee kolommen is gezet – ook een handschriftelijke traditie. Deze handmatig aangebrachte versieringen maken ieder exemplaar per definitie uniek.

Deze onderneming, het uitgeven van een tweedelige bijbel, was een gigantische en kostbare aangelegenheid. Men mag dan ook aannemen dat er in ruime mate eigen en geleend kapitaal aanwezig was. Dat onze beide drukkers een vennootschap aangingen heeft er wellicht mee te maken, op die manier verkleinden ze het risico; compagnonschappen in de drukkerswereld kwamen in die tijd regelmatig voor.

Van het tweetal weten wij niet meer dan dat Jacob Jacobszoon vander Meer naar alle waarschijnlijkheid een zakenman uit Delft was en verwant aan de gefortuneerde familie Vander Meer, zodat hij dus over middelen kon beschikken voor de aankoop van papier en de inrichting van de drukkerij. Van Mauricius Yemantszoon van Middelborch weten we eigenlijk helemaal niets. Hij moet een Zeeuw van geboorte zijn geweest, gezien de plaatsnaam en de naam Yemantszoon, hetgeen zoon van Iman betekent, een typisch Zeeuwse voornaam.

In het colofon komen, onder het  stadswapen van Delft, van beiden zowel hun namen als hun familiewapens voor. Het rode schild met drie waterleliebladen is van Van der Meer, het andere van Yemantszoon.

Karwei

Omdat de uitgave zo’n geweldig karwei was moet er een behoorlijke voorbereidingsperiode aan vooraf gegaan zijn. Boekhistorici zijn tot de conclusie gekomen dat de Delftse drukkerij 2 personen in dienst had die elk door minstens 2 gezellen werden geholpen. Ondanks deze behoorlijke bezetting schat men dat het zetten en drukken ruim een jaar heeft geduurd, dus moet men er in oktober 1475 aan begonnen zijn. Daaraan vooraf ging dan nog de fase van het ontwerpen, snijden en gieten van ongeveer 18.000 letters en het werk van de vertaling en alles wat daarmee samenhing. Dus moet men concluderen dat reeds in 1474, zo niet eerder, een begin gemaakt is met deze onderneming om in 1477 de uitgave het licht te doen zien.

Hoe groot de oplage is geweest is moeilijk na te gaan. Wel is bekend dat het aantal bewaarde exemplaren groot is, zo’n 50 in totaal. Deze zijn thans voor het grootste deel in het bezit van bibliotheken, genootschappen en stichtingen in Nederland en andere Europese landen, en verder aanwezig in Amerikaanse en Russische verzamelingen; een enkele particulier heeft dit boek nog in zijn verzameling. Een ruwe schatting van de oplage, ook als men kijkt naar vergelijkbare oplagecijfers in omringende landen, zal liggen tussen de 225 en 275 exemplaren.

 

pagina uit Delfste bijbel

pagina uit Delftse bijbel (bezit Zeeuwse Bibliotheek)

Hoe duur het boek bij verschijnen was is eveneens moeilijk te bepalen. Men mag wel aannemen dat de aanschaf van deze uitgave voorbehouden was aan de beter gesitueerden en dan moeten we toch denken aan een prijs die in de richting gaat van de 10 à 15 middeleeuwse guldens, een fors bedrag, een arbeider verdiende toen een of twee stuiver per dag.

 

Het boek, hoewel niet echt zeldzaam, wordt zelden op de vrije markt, dus antiquarisch aangeboden. De huidige waarde, afhankelijk van de staat waarin het verkeert, wordt geschat op 25 à 40.000 euro; een puntgaaf exemplaar kan 50.000 euro opbrengen. Het exemplaar van de Zeeuwse Bibliotheek heeft helaas enigszins geleden onder de brand van 1940: de originele banden zijn verloren gegaan en van deel 1 ontbreken de laatste 9 bladen.

Het hierboven besproken exemplaar is afkomstig uit de zogenaamde Kerkelijke Bibliotheek van de Hervormde Gemeente Middelburg, die in september 1861 aan de toenmalige Provinciale Bibliotheek in bruikleen werd gegeven.

Digitalisering

In 2006 zijn de pagina’s van de Delftse Bijbel ingescand door het Nederlands Bijbelgenootschap en op internet geplaatst, zodat de tekst voor iedereen toegankelijk is. De tekst was niet doorzoekbaar omdat het alleen afbeeldingen waren.

In 2008 is daarom gewerkt aan een digitalisering van de tekst van de Delftse Bijbel. Vrijwilligers uit het Bijbeldigitaliseringsproject hebben de tekst met de hand overgetypt en gecorrigeerd. Op 18 juli 2008 werd de gedigitaliseerde versie openbaar gemaakt. Op de website www.BijbelsDigitaal.nl kunnen de scans en de tekst naast elkaar bekeken worden.

 Ronald Rijkse, conservator.

Is er nog leven na de STCN?

dinsdag, 14 juli 2009

 Het moet zelfs even het landelijke nieuws gehaald hebben: STCN-PROJECT AFGESLOTEN. Een heus bibliotheekproject in de vaderlandse schijnwerpers, wie had daarop gerekend?

STCN is een afkorting van wat in onze moerstaal heet: ‘Short Title Catalogue Netherlands’.

Logo STCN

Logo STCN

Bijna dertig jaar lang is gewerkt aan een Nederlandse nationale bibliografie vanaf de 15e eeuw tot het jaar 1800, dus de periode die ‘de Brinkman’ maar in zeer beperkte mate dekt. Het bureau van de STCN vond huisvesting in de Koninklijke Bibliotheek (KB). De resultaten zijn te vinden in een aparte database, geleverd door OCLC, internationaal leverancier van bibliotheeksystemen.

Maar nu zijn dan alle Nederlandse drukken uit die periode in alle Nederlandse universiteitsbibliotheken en een aantal andere toonaangevende bibliotheken in kaart gebracht. Waaronder, op het laatste nippertje, de Zeeuwse Bibliotheek. In beginsel zijn niet alleen alle Nederlandse zetsels geïnventariseerd, maar staan er bovendien de vindplaatsen van alle bekende exemplaren bij vermeld.

Alle? Dat is te zeggen … Jarenlang zat Middelburg in de wachtkamer om behandeld te worden. Toen werd in 2007 plotseling aangekondigd, dat STCN binnen twee jaar afgerond zou worden. Het is ons dus niet meer gelukt om ons hele Nederlandse bezit tijdig in die database te krijgen. Dank zij medewerking van projectleider Jan Bos, hebben we nog enkele onderdelen van de collectie kunnen aanbieden. Dat is alleen van oorsprong Zeeuws materiaal, dus boeken, pamfletten en gelegenheidsgedichten uit het toenmalige gewest Zeeland. Aan overheidsdrukwerk zijn we niet toegekomen. Oude boeken uit andere delen van Nederland die in onze kluis aanwezig zijn, staan dus ook niet in de database van de STCN vermeld.

Wat is nu het verschil tussen de STCN en de Nederlandse Centrale Catalogus (NCC), die het publiek vooral als ‘Picarta’ kent? De naam zegt het al: ‘short titles’ zijn verkorte titels. De titelbeschrijvingen zijn dus niet compleet. Dat blijkt bijvoorbeeld bij gelegenheidsgedichten: vele daarvan zijn feestbundels bij trouwerijen. De namen van de echtelieden komen pas verderop in de titel voor. Bij STCN betekent dat dikwijls, dat die namen helemaal wegvallen. Terwijl eventuele nazaten nu juist daarin geïnteresseerd zijn. Bij herdrukken van boeken staat in de STCN niet van wanneer de eerste druk was, en bij vertalingen staat niet wat de titel en de eerst bekende uitgave in de grondtekst was.

STCN is eigenlijk een drukkerscatalogus. Je zoekt tevergeefs naar het aantal pagina’s, want dat is niet wezenlijk. Het gaat om het zetsel. Er kunnen meerdere oplagen van dezelfde titel zijn. Het drukwerk wordt onderscheiden door een ingewikkelde collatieformule waarbij het aantal katernen geteld wordt, en een zogenaamde vingerafdruk die aangeeft hoe het katern zich van andere zetsels onderscheidt. Voor specialisten een onbetaalbaar hulpmiddel, maar voor gewone gebruikers een onoverkomelijke barrière.

Er is wel sprake van om de STCN samen te voegen met de nationale catalogus Picarta. Immers, overal is sprake van verdubbeling: vrijwel iedere Nederlandse titel komt in beide bestanden voor. Alleen, Picarta maakt geen onderscheid naar verschillende zetsels bij dezelfde druk. In feite ging de STCN al buiten ‘zijn boekje’ door exemplaren toe te voegen. Een bibliografie hoort boeken namelijk onafhankelijk van hun vindplaats te beschrijven, en een catalogus vermeldt juist alleen boeken uit een bepaalde collectie. Om deze bibliografie nu op te laten gaan in Picarta, zou in feite iedere bibliotheek al haar exemplaren moeten toetsen aan de formulering in de STCN. Maar dat is een gigantisch werk, waarvoor vanzelfsprekend de tijd ontbreekt.

Is het nu uit met het project? De grote universiteitsbibliotheken zijn inderdaad klaar, maar neem bijvoorbeeld Middelburg, daar staat nog een hele hoop niet in. Dat ‘moet’ nog een keer. De KB blijft bereid ondersteuning te bieden, en ontbrekende drukwerken zelfs toe te voegen aan het bestand. Dat moet ook wel, want de markt van het oude boek is nog niet gesloten Ook grote bibliotheken schaffen nog steeds nieuwe oude boeken aan, en dan wel vooral graag bijzondere exemplaren. Voor de gebruiker verdient het aanbeveling om gewoon op Picarta te blijven zoeken. Dat bestand is gebaseerd op traditionele gegevens, en daardoor vlotter te hanteren voor de alledaagse gebruiker.

 Marinus Bierens

vakreferent & assistent conservator

Zeeuwse canon in boekvorm gepubliceerd

donderdag, 9 juli 2009

Vrijdag 3 juli verscheen Geschiedenis van ons Zeeland. De canon van ons Zeeuws verleden van de hand van Johan Francke en Jan J.B. Kuipers. De Provincie Zeeland verschafte alle (basis)scholen één exemplaar van dit boek. TV-Walcheren maakte er een item van haar journaaluitzending.

Jubileum: 150 jaar Zeeuwse Bibliotheek

donderdag, 28 mei 2009

 

Oud en Nieuw Oost-Indië

Oud en Nieuw Oost-Indië

Omdat de Zeeuwse Bibliotheek als wetenschappelijke bibliotheek dit jaar 150 jaar bestaat – 18 november 1859 was de oprichtingsdatum – en er dus vanaf die tijd  op tal van gebieden een eerbiedwaardig ‘oud bezit’ is verzameld, wil ik de komende tijd een aantal bijzondere, kostbare, zeldzame en interessante werken voor het voetlicht brengen.

Eerste Indische encyclopedie

Talrijk zijn de reisverslagen en landbeschrijvingen uit de 17de en vroeg 18de eeuw: de periode waarin de Nederlanders de wereld ontdekken en het koloniale tijdperk in feite begint. Met de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in 1602 wordt daarvoor als het ware de basis gelegd. Een van de befaamdste landbeschrijvingen is die van François Valentijn (1656-1727), getiteld: Oud en Nieuw Oost-Indië, vervattende eene naaukeurige en uitvoerige Verhandelinge van Nederlands mogentheyt in die gewesten, benevens eene wydluftige beschryvinge der Moluccos, Amboina, Banda enz…, uitgegeven in acht banden in de jaren 1724-1726. Nog altijd geldt dit als het standaardwerk over Ambon, de Molukken en het verdere Oost-Indië in de 17de en 18de eeuw.

François Valentijn (1666-1727)

François Valentijn (1666-1727)

 

François Valentijn

Wie was Valentijn? Hij werd op 17 april 1666 te Dordrecht geboren en studeerde te Utrecht en Leiden theologie en filosofie. In 1684 werd hij als predikant naar Indië beroepen. Op 30 april 1686 bereikte hij zijn standplaats Ambon. Daar verbleef hij tot 1694, afgezien van een korte periode op Banda (1687-1688). In december 1694 vertrok hij naar Nederland, waar hij in augustus 1695 aankwam en zich vestigde te Dordrecht. Hier begon hij te werken aan zijn groot werk over Oost-Indië, waarvoor hij ter plekke al bouwstoffen had verzameld: gegevens uit eigen hand, maar ook zeer veel informatie van anderen, hoewel dat laatste in de uiteindelijke tekst lang niet altijd tot uitdrukking komt. In mei 1705 keerde hij ‘op de ernstige aandrang van eenige vermogende Heeren’ terug naar Indië, waar hij te Batavia aankwam in 1706. In februari 1707 kon hij echter pas naar Ambon afreizen, omdat hij, tegen zijn zin, op 22 juni 1706 aangewezen werd als veldprediker bij het leger in Oost-Java dat strijd leverde tegen de Soerapati. In 1712 werd hij beroepen naar Ternate, maar omdat hij weigerde vanwege de ongezondheid van het klimaat, werd hij door de goeverneur-generaal in 1713 uit zijn ambt gezet en teruggestuurd naar Nederland. Daar kwam hij in 1714 aan en vestigde zich wederom te Dordrecht. Tot 1726 bleef hij daar wonen, werkend aan zijn groot Indisch werk, tot hij naar Den Haag verhuisde, waar hij in 1727 overleed. Hij werd in de Grote Kerk te Dordrecht begraven.

 

Omvang

Valentijn bleef tot ver in onze tijd bekend om zijn in vele opzichten unieke standaardwerk: Oud en Nieuw Oost-Indië, de eerste encyclopedie over geheel Indië, namelijk over de landen waar de VOC toentertijd het gezag uitoefende. Dat het werk zo’n omvang aan zou nemen, daarvan was hij zich aanvankelijk niet bewust. Hij beschikte wel van het begin af aan over een schat aan gegevens afkomstig uit eigen studie, verzamelen en waarnemen, aangevuld met aantekeningen van anderen, maar een groot deel aan informatie zou hem pas tijdens de eerste jaren van de druk bereiken: hij werkte dus niet volgens een vastomlijnd plan – wat hij in handen kreeg was meegenomen en dus is er van een systematische beschrijving geen sprake. Er ging ter perse wat als kopij gereed was, zonder te wachten op aansluiting, evenwichtige ordening of doorlopende paginering in elk deel. Het werk werd in stukken en brokken geboren.

De prospectus van de uitgevers beloofde vijf folio-delen met ‘1000 vellen letterdruk’(is 4.000 bladzijden) en ‘125 vellen Plaaten’, inclusief de ‘prentverbeeldingen’ tussen de tekst, alsmede een (niet genoemd) aantal kaarten. De intekening begon op 1 januari 1723 en sloot op 30 april. Behalve de gewone intekenexemplaren à € 30,- werd een klein aantal op groot papier gedrukt à € 40,-, na intekening was de prijs € 40,-, respectievelijk € 54,-, Dit moest echter door uitdijing van het materiaal vanaf deel 3 (ca. 800 blz. en tal van platen en kaarten meer) aangepast worden tot € 52, -, respectievelijk € 68,-. Het werk is in zijn geheel nooit herdrukt, wellicht mede door het feit dat de oplage vrij groot was (750 à 800 exemplaren) en er een groot aantal intekenaars waren, namelijk 650.

 

Rommelig maar met humor

Ondanks de wat rommelige indeling, zijn ‘beschrijvingen’ van plaatsen waar hij zelf nooit geweest is en zijn ‘oppervlakkige’ beschrijvingen van zelf waargenomen plaatsen of streken, is Valentijns werk van niet te onderschatten belang voor de geschiedenis van deze gewesten. De vestiging en uitbreiding van het Nederlandse gezag, met zijn nasleep van politieke verwikkelingen en oorlogen, is door hem uitputtend beschreven. Verder is zijn werk van groot belang vanwege een aantal plaatsbeschrijvingen (Ambon, Batavia bijvoorbeeld) waardoor veel zaken nu nog bekend zijn, die anders onherroepelijk verloren zouden zijn gegaan. Niet op de laatste plaats is het werk belangrijk vanwege de talrijke platen, portretten, kaarten en plattegronden. Het bevat  bijv. interessante kaarten van Australië die gemaakt zijn naar handgetekende kaarten die verloren zijn geraakt. Ook allerlei biologische en botanische beschrijvingen zijn wetenschappelijk van groot belang.De titelpagina spreekt van ‘met meer dan thien honderd en vyftig Prentverbeeldingen verrykt’. Zij zijn gegraveerd door de beste Nederlandse kunstenaars uit die tijd en maken het werk tot één grote geïllustreerde encyclopedie van het toenmalige Nederlands-Indië.

Wat opvalt is de persoonlijke schrijfstijl van Valentijn. Hij schrijft voor de vuist weg en draait niet om wat hij van de dingen vindt heen. Zo is hij overtuigd van het bestaan van zeemeerminnen en geeft hij er ook een afbeelding van.

Zeemeermin

Zeemeermin

Mensen die er niet in geloven krijgen een stevige veeg uit de pan: dat zijn van die koppige lieden die ook niet geloven dat er in de wereld steden bestaan als Rome, Constantinopel en Caïro. Ook zijn gevoel voor humor is befaamd. De kans om een mooi verhaal te vertellen laat hij niet snel glippen.

 

 Ronald Rijkse, conservator

Een Wiki voor Standplaats Zeeland

donderdag, 7 mei 2009

logo-def-standplaatsVan 15 juni t/m 18 juni 2009 vindt een nieuwe editie van Standplaats Zeeland plaats, een jaarlijks terugkerend programma, dat georganiseerd wordt door de Zeeuwse Bibliotheek, waarbij (internationale) deskundigen van naam een week in Zeeland worden uitgenodigd.

Dit keer is Alexander Rinnooy Kan, voorzitter van de Sociaal Economische Raad, bij Standplaats Zeeland te gast. Binnenkort wordt het volledige programma van zijn bezoek bekend gemaakt. Een van de programmaonderdelen is een jongerencollege, dat op donderdag 18 juni wordt gehouden. Hieraan zullen 4 Zeeuwse middelbare scholen deelnemen: Het Calvijn College, het Ostrea Lyceum, Christelijke Scholengemeenschap Walcheren en Stedelijke Scholengemeenschap Nehalennia.

Iedere school werkt een thema uit, dat relevant is voor de Zeeuwse Economie. Per thema zullen de scholieren een korte presentatie houden tijdens het jongerencollege.
De thema’s zijn:

  • Recreatie en Horeca,
  • Zorg en Wellness
  • Havenontwikkeling
  • Hoger onderwijs in Zeeland

Om de scholieren op weg te helpen heeft de Zeeuwse Bibliotheek een informatieve  Wiki “Standplaats Zeeland” samengesteld. Deze Wiki bevat voor ieder thema een uitgebreid aantal bronvermeldingen en tevens informatie over Alexander Rinnooy Kan.  

Iedere school gaat een weblog opzetten, waarin de komende weken verslag wordt gedaan van de uitwerking van hun thema. De vakreferenten van de Zeeuwse Bibliotheek zullen deze weblogs volgen en hierop reageren, waarbij ook de Wiki steeds aangepast zal worden.

Ook de weblogs van de scholen zullen voor iedereen bereikbaar zijn, onder ander via links op de Wiki “Standplaats Zeeland” .

Rokjesdag

donderdag, 23 april 2009

Martin Bril:  inspiratiebron voor veel bloggers

Dit is een zonovergoten maar trieste dag voor Brilminnend Nederland. Gisteren overleed de bedenker van “de oppervlakte is diep genoeg” op 49-jarige leeftijd in zijn woonplaats Amsterdam, deze week nog bekroond met de VPRO Bob den Uyl-prijs voor zijn boek “ de kleine keizer”.

images2

Wie van Frankrijk houdt, kan niet om hem heen: Napoleon Bonaparte. Al ruim honderdtachtig jaar dood, en toch is hij nog overal. Martin Bril maakte vier jaar geleden kennis met Napoleon toen hij Corsica bezocht. Daarna las hij een paar boeken over de Franse keizer en ineens was hij Napoleon-gek. Zoals altijd als hij zijn verbeel-ding wil voeding, ging Bril vervol-gens op pad. Hij bezocht slag-velden, archieven, monumenten en musea, in Frankrijk, Oostenrijk, Tsjechië, België en Nederland. De kleine keizer vertelt niet alleen het verhaal van Napoleon, maar ook het verhaal van een passie.

De plek rechtsboven in het tweede katern van de Volkskrant was jarenlang het domein van de enige man die met behoud van fatsoen kon berichten over rokjesdag: die ene dag in het voorjaar dat alle vrouwen als bij toverslag met rok en blote benen over straat gaan”.

Met graagte schilderde hij de toestand in de wereld voorbij Amersfoort, een universum van de Wibra, C&A en Peek en Cloppenburg. Sudderlapjes en eenmaal per jaar naar Lebbis & Jansen of Youp van ’t Hek. “Er zit natuurlijk een element van treurigheid in, maar it breaks my heart” zei hij eens in een interview.

Het Parool vroeg hem aanvankelijk voor een dagelijkse column op pagina 3 rechts bovenaan – de plek van illustere voorgangers Carmiggelt en Ischa Meijer. Hij heeft nooit veel voor hen gevoeld. Carmiggelts Kronkels vond hij ‘te melancholiek, te veel ellende in cafés en mannen met rode neuzen. Jenevertragiek.’ En Meijer? ‘Nooit veel mee op gehad. Ik vond die Dikke Man te veel op ideetjes leunen, en te weinig op emotie.’

Zware literatuur was evenmin aan hem besteed. Te gewichtig. Melville, Conrad, Thomas Bernhard: hij las ze, en ‘vond er geen moer aan’. Bril hield van ‘literatuur waarin meer werd weggelaten dan er wordt gezegd’. De oppervlakte was hem diep genoeg, zei hij zelf bij zijn aantreden als Volkskrant-columnist. Die oppervlakte is namelijk niet oppervlakkig, je kunt er een hoop aan aflezen, vond hij.

Zijn inspiratie vond hij in Amerikaanse schrijvers: Joseph Mitchell, A.J. Liebling, Truman Capote, maar vooral E.B. White. Met zijn overstap naar de Volkskrant verruimde hij zijn blikveld van de grachtengordel naar de rest van het land. Waar hij ook was, het procedé bleef gelijk: Bril zocht de kleine, maar typerende zijdelingse observaties, koppelde ze vaak aan een persoonlijke bespiegeling. Zijn schrijfstijl werd steeds soberder. Minder is meer: bijvoeglijke naamwoorden werden zo veel mogelijk vermeden; korte, simpele zinnetjes moesten het werk doen.

De laatste jaren werd hij gedreven door een aanzwellende werklust. Zijn productie werd gigantisch: naast zijn dagelijkse column op de Voorkant stond hij wekelijks nog in het zaterdagmagazine, in Vrij Nederland schreef hij het wekelijkse feuilleton Evelien, dat later succesvol werd verfilmd voor Net 5; hij werkte voor de tijdschriften Schipholland en Noorderbreedte en in menig glossy verschenen al dan niet erotische verhalen van hem. Veel van zijn stukjes en verhalen verschenen later in bundels. Op tv was hij af en toe sidekick in De wereld draait door, onderwijl trok hij met Ronald Giphart en Bart Chabot langs theaters in het hele land.

Gelezen werd hij, gewaardeerd ook. In navolging van Het Parool, die het ooit rond Simon Carmiggelt deed, organiseerde de Volkskrant in 2006 een Bril-imitatiewedstrijd. Er kwamen meer dan vijftienhonderd reacties binnen. Het tekende niet alleen zijn populariteit, het legde ook haarfijn bloot dat zijn ogenschijnlijk simpele stijl onnavolgbaar is en vol zit met valkuilen, zodra de pen niet in handen is van de vakman. Zoals hij zelf het geheim achter zijn stukjes eens samenvatte: ‘Geen particuliere prietpraat, geen grachtengordelruzies.’

Hij was nog maar net werkzaam voor de Volkskrant, of darmkanker sloeg toe. Hij durfde en wilde niet verzaken, en was maar kort uit beeld. Hij leek genezen, in interviews sprak hij haast met onverschilligheid over het drama. ‘Het is een van die dingen die kunnen gebeuren. Shit happens, zeg ik altijd.’ De dood boezemde hem geen angst in, zei hij. Eind juni 2008 sloeg het noodlot toe. Wat eerst op rsi leek, bleek slokdarmkanker. ‘Ik ben er nog, maar medisch gezien is de situatie tamelijk beroerd’, schreef hij de collega’s na de diagnose. ‘Technisch gesproken ben ik ongeneeslijk ziek. Wanneer die ongeneeslijkheid overgaat in de dood (mijn enige genezing) is evenwel niet bekend.’

En: ‘Ik heb nog nooit voor hetere vuren gestaan, maar vuur trekt mij aan (nog altijd fiets ik als een dolle achter de brandweer aan als die door de straat davert, het zal mijn journalistieke instinct zijn, waar zie je dat nog), dus spannend is het ook.’

Afgelopen maanden schreef hij steeds openlijker over zijn ziekte, waardig, zonder larmoyant te worden. De vakman toonde zijn meesterschap. Hij eindigde op een felbegeerde plek, waar ooit Stoker en CaMu hem waren voorgegaan en bloggers als ik alleen van dromen: op de voorpagina.

(bewerkt uit de Volkskrant:  Jean-Pierre Geelen   bril1
gepubliceerd op 22 april 2009)

Op de begane grond in de Zeeuwse Bibliotheek is een boekentafel ingericht met het (zo compleet mogelijke) oeuvre van Martin Bril.

Waar bemoeit Europa zich mee?

dinsdag, 21 april 2009

Persartikel

democratie in actie

Informatie over de Europese Unie: u vindt het al sinds jaar en dag op de eerste verdieping van de Zeeuwse Bibliotheek in Middelburg op het Infoplein. Al vanaf 1996 is de Zeeuwse Bibliotheek actief in het Europees Netwerk. Eerst als Info Point Europa, de laatste jaren beter bekend onder de naam Europe Direct.

Europese Unie
Waarom eigenlijk? is waarschijnlijk de meest voor de handliggende vraag. Waar bemoeit Europa zich mee? De informatiecentra zijn in het leven groepen om de informatiekloof tussen Europese burger en Unie te overbruggen. Onbekend maakt onbemind, zo redeneerde men begin jaren negentig, vandaar de opzet van een informatienetwerk. Een toegangspoort dus tot het hart van het Europees systeem.

Om bovenstaande kloof te dichten treft men in het Europe Direct Informatiepunt allerhande brochures en folders aan die gratis zijn mee te nemen, verder is er een uitgebreide uitleenbare collectie boeken, rapporten en verslagen. Daarnaast organiseert Europe Direct lezingen, debatten, thema-avonden, schoolbezoeken en tentoonstellingen. U kunt er tevens terecht voor een antwoord op uw vraag rondom het thema Europa en tot slot biedt het internet een schat aan informatie over Europa: van vakantie tot werken, van voedselveiligheid tot wetgeving.www.europedirect.nl

Informatiecentra
Niet alleen in Nederland zijn deze infodesks te vinden. In alle lidstaten van de Europese Unie zijn dergelijke informatiecentra actief (soms in bibliotheken, maar veel vaker nog in Kamers van koophandel, Universiteiten of Gemeentekantoren) om de informatiekloof tussen Unie en burger te overbruggen. In totaal bestaat er een netwerk van ruim 300 relays. Inmiddels is een groot gedeelte daarvan in het voormalige Oost-Europa gevestigd.

Verkiezingen.
Op 4 juni 2009 kiest Nederland voor een nieuw Europees Parlement. Informatie rondom deze verkiezingen is te vinden op het Infoplein, bovendien worden er extra activiteiten georganiseerd.

Naast het stembureau dat die dag op de begane grond van de Zeeuwse Bibliotheek is gevestigd, is de rondreizende tentoonstelling “Grote Voorwerpen” te zien. Deze expositie bestaat uit een vijftal metershoge voorwerpen die elk een aspect van de Europese Unie verwoorden. Te zien van 28 mei tot en met 4 juni. Op 28 mei is er een lezing in de aula door voormalig commissaris van de Koningin van Zeeland, dhr. W. van Gelder , aanvang 20.00 uur, kosten 2,50 euro waarin hij met het oog op de verkiezingen zijn (Zeeuws) licht zal laten schijnen over de importantie van Europa binnen Zeeland, dit alles onder de noemer, u raadt het waarschijnlijk al: Waar bemoeit Europa zich mee?

BBook of Kells

maandag, 6 april 2009

book of Kells

 

 

 

 

 

 

 

 Onlangs was ik in Dublin.  Als bevlogen bibliothecaris had ik the Old Library van Trinity College als hoogste op mijn prioriteitenlijstje genoteerd en mijn argeloze reisgenoten ervan overtuigd dat ze dit niet mochten missen. Mijlenver buiten dit imposante universiteitencomplex was reeds zichtbaar hoe trots de Ieren zijn op hun cultureel erfgoed: overal zijn winkels, kroegen, restaurant, hotels en zelfs pizza’s calzone vernoemd naar het meesterstuk van deze bibliotheek:  Het boek van Kells. In de etalage van een tattooshop ontwaarden we tevens de mogelijkheid om diverse illustraties uit het boek op allerhande lichaamsdelen te vereeuwigen. Het paradepaardje dus van Dublin, de ontelbare pubs daargelaten.

 

book of Kellsbook of Kells

Het Book of Kells (of Columba) werd geschreven door Keltische monniken rond het jaar 800 en geldt als een meesterwerk van de westerse kalligrafie in insulaire stijl. De teksten van de evangeliën zijn grotendeels overgeschreven van de Vulgaat, hoewel het ook een aantal passages bevat van eerdere versies van de Bijbel, de Vetus Latina. De ongeëvenaarde rijkelijke versiering bestrijkt onder meer tien paginagrote afbeeldingen en pagina’s met levendige hoofdletters met tussen de regels door kleine miniaturen.

 

Ik had mij al dagen in stilte verheugd op de aanblik van een 9e eeuws manuscript en had visioenen van  een kalfslederen halfvergane omslag en veel kleurrijke illustraties. Verder had ik mij helaas niet in de materie verdiept. Na een studentikoze rondleiding van een vierdejaars over de eclectische campus mocht ik voor 10 Euro het walhalla betreden. De gids beloofde ons plechtig met een stem vol eerbied  dat dit een bijzondere en enige ware ontmoeting met het Ierland uit een ver verleden zou worden. Zelf bleef hij buiten om de volgende groep toeristen te verwelkomen.

 

Een langdradige tentoonstelling, die betrekking had op alle ins en outs van het manuscript, leidde de volgzame bezoeker tenslotte naar een stille donkere ruimte waar het wonder van Columba in een vitrine te bewonderen is.  Daar aangekomen werd ik overspoeld door een golf van teleurstelling: in plaats van ingebonden in eeuwenoud kalfsleder lag op grauw grijs karton  een aantal A-viertjes met een compleet onleesbare tekst uit het evangelie van Lucas, opgeleukt met wat treurig versierde hoofdlettertjes in plaats van de oogverblindende Keltische kunst in insulaire stijl waar ik mij op had verheugd. En in diezelfde ruimte nog precies zo’n vitrine met nog meer A-viertjes op karton, ook met het onderschrift: Book of Kells (MS 58)  . “Zijn er dan 2 boeken van Kells?” , mijn reisgenoten keken verwachtingsvol naar mij, ik als bibliothecaris zou wel met het verlossende antwoord komen. Verward keek ik nog eens in mijn reisgids, maar door de spaarzame lichtinval werd ik daar niet veel wijzer van. “Replica’s” hoorde ik mezelf zeggen, “Kopieen. Het echte manuscript is op dit moment waarschijnlijk niet hier. En  MS58 is gewoon een plaatskenmerk. Ja hoor es, ik ben geen historicus, laat staan een conservator”. Bedrukt liepen we verder naar de indrukwekkende  long room alias the Old Library om daar te midden van 450.000 oude drukken een geestige expostitie over de geschiedenis van het detectiveverhaal te bekijken (The Body in the Library – the great detectives 1841 to 1941).

 long room

 

 

 

Eenmaal teruggekeerd op Nederlandse bodem  liet het raadsel van de 2 boeken van Kells mij niet los.  Na enige research (lees: wikipedia-en) kwam ik erachter dat ik wel degelijk oog in oog had gestaan met het echte wonder van Columba, zij het dan met een laagje glas ertussen:

Het manuscript bevat 340 folio’s en is sinds 1953 gebonden in vier delen. De naam van het manuscript komt van de Ierse Abdij van Kells, waar het manuscript eeuwenlang bewaard werd. De bibliotheek van de Universiteit van Dublin toont het permanent onder de referentie MS 58 zonder omslag. De bibliotheek toont gewoonlijk twee delen tegelijk van de bestaande vier. Elke ochtend wordt er rond dezelfde tijd een bladzijde van het boek omgeslagen.

 

Mijn reisgenoten heb ik met schaamrood op de wangen plechtig beloofd dat ik bij het volgende culturele tripje mijn huiswerk beter zal voorbereiden. En uit een soort misplaatste loyaliteit beloofden zij op hun beurt over deze BB(Blunder van de Bibliothecaris) te zwijgen.