Auteur Archief

Slotschrift : over hoe spinnetjes holden en knoopjes rolden en Loesje opnieuw gelijk kreeg: de weg loopt niet waar je ‘m verwacht

donderdag, 19 januari 2023

Hoe was het ook al weer

Op de kop af 9 jaar geleden begon ik met mijn zoektocht naar de oorsprong van de Zeeuwse knoop. Dat was na een bezoek in november 2013 aan de Foundation Beyeler in Basel, waar ik in de museumwinkel een boek vond over 25.000 jaar sieraden, uitgegeven door de gezamenlijke Berlijnse staatsmusea. De items op de coverfoto deden me sterk denken aan onze Zeeuwse knoop. Dit bracht me in de jaren erna virtueel de hele wereld over, maar het accent van deze reis lag aanvankelijk toch vooral in Europa. Ik schreef er dit blog over dat werd gepubliceerd op de site van de Zeeuwse Bibliotheek in Middelburg.

De aanleiding voor dit slotschrift, was een telefoontje in het voorjaar van 2020 van edelsmid Eva van Kempen uit Amsterdam. Een deel van haar werk richt zich op ambachtelijk erfgoed en filigrain en ze had mijn blog op internet gevonden.

Eva was op dat moment bezig met haar scriptie ter afronding van een Master aan het Sandberg Instituut (Rietveld Academie). Zij deed veldonderzoek naar de staat van filigrain in Nederland en in China.

De laatste Nederlandse filigrain-meester Cor Kuijf (Schoonhoven) gaat/ is inmiddels met pensioen, waarmee de techniek en bijbehorende vaardigheden in Nederland verloren dreigen te gaan.

Als reactie op het dreigend uitsterven van dit ambachtelijk vakmanschap in Nederland en voortbouwend op een recente heropleving van de belangstelling voor het ambacht, is Eva van plan een project te starten in de vorm van een online open source platform over filigrain (vooralsnog alleen op Instagram) onder de naam Filigree Embassy. Met als doel informatie over filigrain toegankelijker te maken voor Nederlandse vormgevers, kunstenaars, sieradenmakers en -dragers en om kennis te verzamelen en te delen.

Het filigrain als ambacht wordt gezien als een belangrijk deel van het Nederlandse immateriële erfgoed omdat de techniek veel gebruikt werd en wordt in traditionele Nederlandse streeksieraden, waaronder de Zeeuwse knoop in al zijn variaties.

Tijdens onze gedachtewisselingen kwamen we begin vorig jaar tot een conclusie over de oorsprong van filigrain in het algemeen en daarmee de techniek en ontwerp van de Zeeuwse knoop in het bijzonder. Een conclusie die naar mijn oordeel het vermelden waard is, al zal misschien niet iedereen die met evenveel enthousiasme ontvangen.

Het gaat daarbij onder meer om de spinnetjes, die zo kenmerkend zijn voor het ontwerp van de Zeeuwse knoop. Door wie, waar en wanneer werden ze voor het eerst gemaakt, waar duiken ze voor het eerst op? Tot nu is, of was de consensus dat de filigraintechniek (dus het draadwerk en de korrels door granulatie) werd ontwikkeld in het oude Mesopotamië, het Tweestromenland. Ook wel het Land van Eufraat en Tigris genoemd, “land van melk en honing”. Wat nu grofweg de landen Irak en Syrië zijn, de bakermat van onze Westerse beschaving, ontstaan meer dan 6000 jaar voor Christus, dus ongeveer 8000 jaar geleden.

Vandaaruit waren het met name (of is het onder meer?) de Etrusken (inwoners van Etrurië, het huidige Toscane, Umbrië en Latina in Italië) die de techniek importeerden naar Europa. Zij versierden hun sieraden soms ook met spinnetjes.

Maar… en het hiernavolgende is gebaseerd op de gesprekken die Eva van Kempen en ik vanaf maart 2021 over dit onderwerp voerden en op een artikel dat zij schreef voor het Engelse tijdschrift Journal of Jewellery Research, Volume 4 May 2021 – ISNN2516-337X.

Overigens, Wikipedia is en blijft natuurlijk de inmiddels bijna onuitputtelijke bron van talloze weetjes:


Het Holoceen is het geologische tijdvak van ca. 12.000 jaar geleden tot nu. Het is een relatief warme periode (ook Interglaciaal genoemd) vergeleken met de daaraan voorafgaande IJstijd, de koude periode aan het einde van het Pleistoceen.

De oude Steentijd eindigt officieel met het einde van het Pleistoceen. In de geschiedenis van de mens in Europa is het Holoceen de periode van de midden– en jonge steentijd, de kopertijd, de bronstijd en de ijzertijd, waarna de geschreven geschiedenis begint.

De midden Steentijd (vanaf bijna 12000 jaar geleden, het einde van de laatste ijstijd): culturen van jagers-verzamelaars

De jonge Steentijd vanaf 6000 voor Chr. (dus 8000 jaar geleden): begin van de landbouw

Kopertijd vanaf ca. 5500 voor Chr. (dus 7500 jaar geleden)

Bronstijd vanaf ca. 3500 voor Chr. (dus 5500 jaar geleden)

IJzertijd vanaf ca. 1200 voor Chr. (dus 3200 jaar geleden)

De Steentijd of het stenen tijdperk is de periode uit de prehistorie waarin mensen stenen en nog geen metalen werktuigen gebruikten. Helemaal aan het eind van de jonge steentijd, dus vanaf 8000 tot 7500 jaar geleden, werden van sommige metalen wel sieraden gemaakt.


China

Over China gesproken dus. Hoe het precies zit met de Chinese jonge Steentijd en Kopertijd is niet eenvoudig te achterhalen. Maar ook dit gebied kent klimatologische en ontwikkelingsperioden die min of meer vergelijkbaar zijn met die in Europa.

Er zijn geen Chinese schriftelijke bronnen uit de tijd voor 1300 v.Chr.. Pas vanaf 200 v.Chr. kunnen schriftelijke bronnen en archeologische vondsten met zekerheid aan elkaar worden gekoppeld.

Maar er is natuurlijk veel meer dan schriftelijk materiaal. Oeroude menselijke resten bijvoorbeeld. Zo las ik vorig jaar op de site van Scientias in een artikel van Rob Oele het volgende:

“In China liep al heel vroeg een ‘moderne’ mens(achtige) rond. Azië wordt steeds meer beschouwd als mede-brongebied van onze diepe roots. Als actueel voorbeeld moge een schedel uit China (Harbin) dienen. Die was al eerder gevonden maar hij werd pas in 2021 goed bekeken en voorts gedateerd op minstens 140.000 jaar oud, maar waarschijnlijk was hij nog een stuk ouder. De Drakenman (die naam kreeg hij) leek op een moderne mens want zijn herseninhoud was tenminste zo groot als die van een moderne mens en ook zijn aangezicht leek op dat van ons. Maar de rest van zijn langwerpige, plattere schedel duidt op andere genetische invloeden. Zou de ‘Afrikaanse’ Homo sapiens zich daar al zó vroeg vermengd hebben met een lokaal ontstane mens(achtige)? Of ontwikkelde de drakenman zich zonder die inmenging vanuit de Aziatische metapopulatie van mens(achtig)en? Wie het weet mag het zeggen.”

Homo Longi
Homo longi NT door Nobu Tamura, CC BY-SA 3.0 , via Wikimedia Commons Geraadpleegd op 10 januari 2023

En wat te denken van mogelijk millennialange overlevering van textiel- en kledingtradities en de edelsmeedkunst en sieraden. Juist en met name in Zuid-China wordt de filigraintechniek nog steeds van generatie op generatie overgedragen en volop toegepast. Hun filigrain is tot uiterste technische en artistieke perfectie ontwikkeld. *

Ik heb het hier met name over twee vrijheidslievende bergvolken, de Hmong (Miao) en Mien (Yao), met hun eigen nauw aan elkaar verwante taalfamilies. Met als meest waarschijnlijke thuisland Zuid-China, tussen de Yangtze- en de Mekongrivieren. Ze behoren tot of zijn de oudste volken in dit gebied, met hun eigen diaspora.

Volgens de Amerikaanse taalkundige Martha Ratliff is er taalkundig bewijs dat de Hmong/ Miao al meer dan 8000 jaar in Zuid-China leven. Ook de bevindingen uit het National Genographic Project (DNA-Haplogroepen) wijzen vermoedelijk in die richting (zie het rode gebied met haplogroep O3d-M7 (y-dna). Even googelen voor een grotere afbeelding).

Y-DNA van Haplogroepen
Chakazul, CC BY-SA 3.0 , via Wikimedia Commons. Geraadpleegd op 10 januari 2023 van https://commons.wikimedia.org/wiki/File:World_Map_of_Y-DNA_Haplogroups.png

*Een absolute aanrader: het boek “Zilver Het wonder uit het Oosten: filigrein van de Tsaren” door Maria Mensjikova en Jet Pijzel-Dommisse, uitgegeven in 2006 door Waanders Zwolle, Stichting De Hermitage aan de Amstel in Amsterdam en Staatsmuseum De Hermitage in Sint-Petersburg.

Dat ‘Oosten’ is voornamelijk China en voor een klein deel India (met medewerking van Chinese meesters?) en Batavia, 17e t/m 19e eeuw.

Voorzijde boek Zilver het wonder uit het Oosten filigrein van de tsaren door Maria Mensjikova en Jet Pijzel-Dommisse
Zilver het wonder uit het Oosten filigrein van de tsaren door Maria Mensjikova en Jet Pijzel-Dommisse

Oudste bron Hmong/Miao?

Een voorzichtige conclusie is dat de oudste bron van het filigrain als zodanig (de draad- en granulatietechnieken) Zuid-China zou kunnen zijn. In het bijzonder het Hmong/ Miao bergvolk. En dat van daaruit verspreiding plaatsvond over de rest van de wereld. Zoals Mesopotamië. Voor alle duidelijkheid: het is een mogelijkheid. Gebaseerd op de wat betreft techniek en artisticiteit uitzonderlijk verfijnde, hoogstaande objecten uit de collecties van de tsaren en het prachtige zilverwerk dat nog steeds gemaakt wordt door de Hmong/ Miao.

Baojing festival copyright Helga Peeters, bedrijfsleidster van reisfactorij Anubhuti in Moerbeke-Waas België

Chinese culturele revolutie

Tijdens de zogenaamde ‘grote proletarische culturele revolutie’ in China, van 1966 tot 1976 onder het regime van dictator Mao Zedong, vond massale vernietiging plaats van historisch cultureel erfgoed. De machthebbers zorgden voor vernietiging van de ‘Vier Ouden’ (oude cultuur, oude gewoontes, oude gebruiken en oude gedachten). In korte tijd werden veel gebouwen, voorwerpen, boeken en schilderijen vernield door hun Rode Gardes. Leden van etnische minderheden zoals de Boeddhistische Tibetanen en de Oeigoeren werden vervolgd omdat zij vasthielden aan hun oude gebruiken. Miljoenen Chinezen werden vervolgd, gemarteld en vermoord of stierven de hongerdood.

Ook textiel en sieraden werden vernietigd of omgesmolten. Het maken, dragen of bezitten van sieraden werd verboden. Maar omdat een bergvolk zoals de Hmong/ Miao zich vermoedelijk in elk geval ten dele aan deze destructie kon onttrekken, zijn hun oude kleding- en sieradentradities in stand gebleven. Inclusief het vakmanschap van hun meesteredelsmeden.

Als ik Internet afstroop kom ik hedendaagse en vintage Hmong/ Miao sieraden tegen die versierd zijn met spinnetjes. Maar het zijn er niet heel veel. En meestal niet in de vorm van een knoop of iets dat daarop lijkt, uitgezonderd een enkele haarpin. En daarmee kom ik wat betreft onze Zeeuwse knoop toch weer, met een sprongetje achteruit, terecht in de Europese 16e en 17e eeuw. In de ons inmiddels bekende landen Spanje en Portugal. In de Nederlanden. En bij de Sefardische Joden.

Bekijk een een afbeelding van een Miao haarpin op Pinterest: nl.pinterest.com/pin/heart-beat-big-sur-carmel-treasure-chest-the-collection-of-treasures–748019819331789153/

Bekijk een afbeelding van een Miao haarpint op Pinterest: nl.pinterest.com/pin/610097080742389390/

Azië en Europa

“Vanaf de zestiende en zeventiende eeuw werd de filigreintechniek in bijna alle Europese en Aziatische landen toegepast (…).

Tijdens de verbanning van de Joden uit Spanje in de 16e eeuw en de verbanning van Hugenoten uit Frankrijk in de 17e eeuw, trokken veel edelsmeden weg uit hun geboorteland. In de nieuwe woonomgeving vond een uitwisseling plaats tussen de nieuwe en de lokale meesters. Zo mengden de hun bekende filigreintechnieken zich met de techniek van de autochtone meesters.

Andere belangrijke factoren voor de totstandkoming van een universele stijl waren de ontdekkingsreizen, de verbreding van de invloedsfeer van de Europese landen en de oprichting door Portugal, Spanje, de Nederlanden en (effectief veel later) Groot-Brittannië van hun Oost-Indische Compagnieën ter ontwikkeling van de zeehandel met India, Zuidoost-Azië en China. In de zestiende eeuw werd Portugal het belangrijkste Europese centrum voor de handel met China (…).

Kunstvoorwerpen werden meegenomen door reizigers of bemanningsleden zelf; daarbij voldeden ze aan bestellingen, kochten de voorwerpen voor zichzelf (zoals ook aldaar vervaardigde knopen? T.) of verkochten ze op veilingen om winst te maken. De Nederlanders handelden tot 1661 via Taiwan, daarna werd Batavia de belangrijkste handelspost voor de Republiek.” (Mensjikova 2006).

Zie het naschrift van onderhavig blog van februari 2018. Daar is bovenstaand feitelijk een onderbouwing van en aanvulling op.

Spanje en Portugal

Over onderbouwing gesproken. De Middelburgse edelsmid Bert van Wijk bericht me sinds twee jaar over zijn reizen naar Portugal, waar hij met zijn camper langs edelsmeden en musea trekt waar traditioneel filigrain gemaakt en tentoongesteld wordt. Overigens werd daar door een museumdirecteur ontkend dat het ontwerp van de Zeeuwse knoop uit Portugal komt. Terecht denk ik. Maar na zijn vakantie in Portugal van afgelopen voorjaar doet Bert boodschappen bij de supermarkt en of het zo moet zijn gebeurt daar iets bijzonders:

“Thuis gekomen van mijn vakantie naar AH en naast de nodige etenswaren een tijdschriftje gekocht National Geographic Historia Nummer 5/2022. Hierin staat een artikel over de Sefardim, Iberische Joden in de diaspora. En nou is er een regeltje in dat artikel wat mijn aandacht trok.
‘Ambachten in Fez (Marokko T.). ‘Maar bovenal blonken ze (de Sefardim T.) uit in het edelsmeden. Als geen ander beheersten ze de techniek van het trekken van goud en zilverdraad.’
Artikel geschreven door Rafael M. Giron-Pascual”.

Een prachtige toevalstreffer. Deze Spaanse auteur even gegoogeld natuurlijk. Hij is werkzaam aan de universiteit van Cordoba (aan de masteropleiding genealogie, heraldiek en archieven).

Wat ik bijzonder vind, is dat Bert direct na zijn vakantie in Portugal notabene bij AH in een tijdschrift van Nat Geo nog een bevestiging heeft gevonden van wat ik noteerde in de laatste alinea van het naschrift bij dit blog (2/2018) met foto van de Spaanse Charro-knoop:

“Van goudsmid Luis Mendez Lopez (met Portugese voorouders T.) uit Salamanca kreeg ik november vorig jaar een aantal teksten die hij weer kreeg van de gemeente Salamanca. Hij had eerst navraag gedaan bij het Regionale Centrum voor traditionele studies in de regio Castilië en León. In de teksten staat dat de Charro-knoop, behorend bij de regionale streekdracht, gemaakt en gedragen werd en wordt in Salamanca, Zamora en de grensstreek met Portugal. En dat lang geleden in de sieradenworkshops van Astorga, León en Salamanca invloeden te zien waren van Joodse en Moorse goudsmeden, met filigraan en granulaat, zoals toegepast in de Charro-knoop. Die op hun beurt zijn afgeleid van decoratieve knopen uit de zestiende en vroege zeventiende eeuw.”

De knopen van Willem van Oranje

Tenslotte kreeg ik eind augustus jl. een mail van Martin van Wallenburg, archeoloog en historicus uit Den Haag met Zeeuwse achtergrond. Hij is sinds vele jaren geïnteresseerd in ‘Zeeland en de West’, waarbij het doorgronden van de Zeeuwse cultuur en tradities een belangrijk onderdeel is gaan vormen van zijn onderzoeksgebied.

Hij oppert op basis van bestudering van een in Middelburg gemaakt schilderij van Willem van Oranje uit 1588 of 1589, dat op diens mantel de oudst bekende afbeelding te zien is van een filigrain-knoop in een Zeeuwse context, met duidelijk zichtbaar een korfje met bovenop een granule.

Op de tweede foto hieronder een ander, ouder portret van Willem van Oranje, uit 1579. Daarop zijn vergelijkbare knopen te zien, alleen lijken de granulen te ontbreken.

De foto’s zijn afkomstig van respectievelijk de sites van het Zeeuws Archief in Middelburg en het Rijksmuseum in Amsterdam. Martin nam ze op in een artikel waar hij aan werkt.

Een mooie ontdekking, waarmee we weer 100 jaar verder terug in de tijd zijn gegaan, naar de 16e eeuw, misschien zelfs einde 15e eeuw.

In een andere suggestie van Van Wallenburg, dat dit type knopen (korfje met granule) een voorloper zou zijn van de Zeeuwse knoop, kan ik niet meegaan. Naar mijn oordeel is het niet zozeer een voorloper maar een broertje, één van de verschillende toepassingen van filigrain.

En voor het schilderij van Van den Queborn uit 1588 heeft Willem van Oranje niet geposeerd. Hij werd immers in 1584 vermoord. Wanneer je goed kijkt naar de details, met name het hoofddeksel en de bontkraag onder de kanten kraag en daaronder de details van de sluitingen van de jas en de schouderstukken, dan lijkt het om dezelfde jas te gaan. Ik denk dat het schilderij uit 1588 voor de gelegenheid (1574 stadsrechten voor Arnemuiden) ‘postuum’ is geschilderd naar het portret uit 1579. De knopen (met granule) zijn wellicht nageschilderd van knopen die Van den Queborn ergens anders heeft gezien. Misschien op een ander schilderij van Willem van Oranje of van een tijdgenoot. Of in het echt.

Portret van Prins Willem I, in zwarte kleding met goud/zilver borduursel, staande naast links een tafel waarop document met rood lakzegel
Portret van Prins Willem I, in zwarte kleding met goud/zilver borduursel, staande naast links een tafel waarop document met rood lakzegel / Queborn, Daniël van den (c. 1552-1605), Antwerpen (c. 1552-1605), Gemeente Middelburg, Stadhuiscollectie Arnemuiden, nr 5, Geraadpleegd op 21 februari 2023 https://hdl.handle.net/21.12113/61A11151DFD64472ADB320CA3A57C6CD

“Niet vaak speelt een archiefstuk zo’n prominente rol als op dit schilderij van Willem I, prins van Oranje. De oorkonde met uithangend zegel bevat het stadsrecht dat de prins in 1574 aan het dappere Arnemuiden verleende.

In tegenstelling tot de stad Middelburg die trouw bleef aan Spanje (tot 1574 T.), koos het dorp Arnemuiden voor de kant van de opstandelingen en van Willem van Oranje (1533-1584). Het werd voor zijn moed beloond met het stadsrecht.”

Portret van Willem I, prins van Oranje Willem I (1533-84), prins van Oranje, genaamd Willem de Zwijger / Adriaen Thomasz. Key, ca. 1579 Collectie Rijksmuseum Amsterdam, geraadpleegd 10 januari 2023 http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.9542

“Onder de edelen die in de Nederlanden in opstand kwamen tegen het gezag van Filips II groeide Willem van Oranje uit tot de grote leider van de opstand. Hij kwam voor zijn eigen belangen op, streefde naar grotere zelfstandigheid en bepleitte vrijheid van godsdienst. In 1580 zette Filips II een prijs op zijn hoofd; vier jaar later werd hij vermoord.”

En kijk dan toch ook nog even naar de haarpinnen van de Chinese Miao (onderste van de twee foto’s). De bovenste helft is een combinatie van een korfje en de spinnetjes zoals behorend bij de Zeeuwse knoop. Hoe bijzonder is dat.

Tenslotte

Beste lezers, dit was het. Nu echt vermoed ik. De cirkel is rond. Mijn eerder geopperde hypothese van drie mogelijke routes die de spinnetjes holden en de knoopjes rolden worden toch weer bevestigd. 1 Het verre Oosten, 2 Mesopotamië richting Italië en Balkan. En 3 Spanje waar relatief recentelijk toch duidelijk de eerste met de Zeeuwse vergelijkbare knopen werden gemaakt.

Welke de meest waarschijnlijke is? Ik denk de route vanuit het verre oosten, waarbij naar mijn oordeel in elk geval de mogelijkheid van een Chinese oorsprong van de basistechniek van filigrain en granulatie serieus overwogen zou moeten worden. Het is zelfs niet uit te sluiten dat de spinnetjes daar ook voor het eerst werden gemaakt, al blijft Mesopotamië hiervoor natuurlijk kandidaat.

Maken we een grote sprong voorwaarts, naar de 16e en 17e eeuw waarin de eerste voor ons herkenbare knopen opduiken (Amsterdam, Middelburg), dan ga ik voor de Sefardim uit Spanje. Maar ze kunnen ook uit het verre oosten zijn meegenomen door onze scheepvaarders van de VOC. En wie weet was het een kwestie van beiden.

Dank

Met heel veel dank aan ieder die de afgelopen negen jaar een bijdrage leverde aan mijn zoektocht. Jullie zijn allen waardige leden van de Orde van de Zeeuwse Knoop.

Trude de Reij

Middelburg, 13 november 2022

Bekijk een afbeelding van Hmong oorbellen op Etsy www.etsy.com/nl/listing/668016078/hill-tribe-oude-zilveren-oorbellen-uit

Meer informatie:

Meer informatie:
Dit is een gastblog van een couch traveler. Trude de Reij heeft de verre geschiedenis van de Zeeuwse knop onderzocht. Zij publiceert dit onderzoek op uitnodiging van ZB Bibliotheek van Zeeland.
Lees ook:
Deel 1
Deel 2
Deel 3
Deel 4
Deel 5
Deel 6
Deel 7
Naschrift

Over de geschiedenis van de Zeeuwse knoop of: hoe een knoopje kan rollen : naschrift

woensdag, 21 juni 2017

In mei vorig jaar heb ik ‘De levens van Jan Six’ (2016, non-fictie) van Geert Mak gelezen. Voor mensen zoals ik die altijd op zoek zijn naar historische sensaties, is het een geweldig boek. Op de achterkant staat: “Dit is het verhaal van Jan Six, zijn familie en zijn vele levens. Zijn portret wordt beschouwd als het mooiste dat zijn vriend Rembrandt ooit heeft gemaakt. (…) De levens van Jan Six beschrijft de reis van een Amsterdamse elitefamilie door vier eeuwen geschiedenis. Het is tegelijk het verhaal van de stad en tijdgeest, van ambities en beperkingen, van grandeur en de eeuwige angst voor de neergang.”

In dit boek, op pagina 37, staat een foto van ‘Chloris’, een klein portret van een onbekende dame, van Gerard ter Borch uit 1640 (Privé Collectie Six). Zij draagt een broche met hanger. Het beeld in het boek was te klein om exact te kunnen zien wat de hanger is. Maar het was heel verleidelijk een gelijkenis te ontwaren met het ontwerp van de Zeeuwse knoop.

Portret van Chloris door Gerard ter Borch, 1640

Chloris door Gerard ter Borch, 1640

Portret van Jan Six I door Gerard ter Borch, 1640

Jan Six I door Gerard ter Borch, 1640

Diezelfde maand schreef ik mij en mijn man in voor een rondleiding door het huis van de familie Six aan de Amstel in Amsterdam. Door het verschijnen van het boek van Geert Mak was de wachtlijst daarvoor opgelopen tot 8 maanden. Maandag 15 januari jl. was het zover. Na afloop adviseerde jhr. Six (X) om voor meer informatie over het sieraad op het portretje contact op te nemen met Bianca du Mortier, conservator kostuum bij het Rijksmuseum en met Marieke de Winkel, zelfstandig onderzoekster. Hij wilde zelf ook wel weten hoe het zat.

Ik heb contact gezocht met het Rijksmuseum en sprak uiteindelijk met Suzanne van Leeuwen, jr. conservator/ restaurator juwelen. Zij stuurde me onder meer de masterscriptie van haar collega en researchfellow Monique Rakhorst met de titel Gedragen en vastgelegd, uit 2013.
Haar onderwerp van studie is de authenticiteit van sieraden op portretten van welgestelde Amsterdamse inwoners uit de 17e eeuw. Hoewel Chloris geen specifiek onderwerp van haar onderzoek is, is over het sieraad dat zij draagt wel het nodige te zeggen.

Het is een broche met ronde hanger, bezet met diamanten, op de borst gedragen, gangbaar vanaf de jaren ’40 17e eeuw. In dit geval zijn de stenen gezet in een bloemmotief.
De reden waarom er een gelijkenis is met het voorwerp van mijn onderzoek, is dat ook de basis van het ontwerp van de Zeeuwse knoop een bloemmotief is, mogelijk Astrantia (Sterrenkruid), dat in Nederland tevens de naam Zeeuws knopje draagt.
Op de oude schilderijen worden de diamanten op dit type broche vaak in zwart afgebeeld, omdat de reflectie in de stenen door de toen nog toegepaste slijptechniek beperkt was.

Het type sieraad dat Chloris draagt wordt tegenwoordig een ‘Devant de corsage’ genoemd (term uit de 19e eeuw), hoewel dat meestal een grotere, zgn. strikbroche is, met of zonder hanger. De broche op het portretje van Chloris heeft geen strik. Dat geldt overigens ook voor de broche waarmee burgemeestersdochter Agatha Bas (geen familie van Elisabeth Bas) door Rembrandt in 1641 is afgebeeld. Het kunnen de eerste modellen zijn geweest. De hangers aan de broches van beide vrouwen lijken vrijwel identiek. Dat geeft te denken. Ze werden gemaakt vanaf eind jaren ’30 17e eeuw. In dit geval wellicht door dezelfde goudsmid of juwelier, wonend en werkzaam ergens aan de grachtengordel of dicht daar in de buurt.

Portret van Agatha Bas met broche

Agatha Bas / Rembrandt van Rijn, 1641 – Royal Collection Trust

Interessant is dat onder de 17e eeuwse, in Amsterdam gevestigde juweliers en diamantslijpers ook een aantal Zeeuwen was, waaronder de Middelburgers Pieter van den Abeele (juwelier) en Jasper Baackelijn (diamantsnijder). En veel personen afkomstig uit Antwerpen. Een deel van de diamantslijpers was waarschijnlijk tevens goudsmid. Juwelenkooplieden/ juweliers lieten sieraden maken voor de handel (en eigen gebruik) en ontwierpen deze sieraden soms ook zelf.

Op de site van het Rijksmuseum, in de Rijksstudio, vond ik een portret van Mattheus van den Broucke, Raad van Indië te Dordrecht, door Samuel van Hoogstraten, geschilderd in de jaren ’70 17e eeuw. Op zijn jas en vest rijen met gouden knopen die het ontwerp van de Zeeuwse knoop heel dicht benaderen. Er kan zelfs sprake zijn van filigrain of anders een techniek die er veel op lijkt. De knopen op het onderste deel van het rechter voorpand zijn van opzij afgebeeld waardoor hun structuur goed zichtbaar is. Ik ga er vooralsnog vanuit dat het om gouden knopen gaat. Knopen werden en worden ook gemaakt van messing, al dan niet verguld. Het portret van Van den Broucke is geschilderd na zijn terugkeer in de Nederlanden in 1670. Voor en na zijn missies voor WIC en VOC woonde hij in zijn geboortestad Dordrecht.

Portret van Mattheus van den Broucke door Samuel van Hoogstraten, 1670-1678

Mattheus van den Broucke door Samuel van Hoogstraten, 1670-1678

Sanne Roefs, destijds studente aan de RUG, schreef in 2013 een artikel over hem, met als onderwerp zijn ‘zelfpresentatie’ (zeg maar ‘persoonlijke pr’), n.a.v. drie in opdracht van hemzelf geschilderde portretten. Het is haar en ook mij helaas niet gelukt in het Dordrechts archief een boedelbeschrijving van deze man te vinden. Misschien is die er wel, maar nog niet gedigitaliseerd. In dergelijke beschrijvingen kunnen kostuums en knopen zijn opgenomen.
Het persoonlijk archief van Michiel de Ruyter werd in 2013 door nazaat Frits de Ruyter de Wildt overgedragen aan het Nationaal Archief. Op de site van het N.A. staan 48 scans van de boedelbeschrijvingen. Peter Blom, archivaris bij het Zeeuws Archief en Andrea van Boven, specialist infrastructuur bij de Zeeuwse Bibliotheek, vonden een papieren en een digitale vertaling naar modern Nederlands uit 1928 door het Historisch Genootschap. Helaas daarin geen vermelding van kostuums en knopen. De minutieuze beschrijving geeft wel een prachtig beeld van hoe het Amsterdamse huis van Michiel de Ruyter (aan de tegenwoordige Prins Hendrikkade 131) er qua inrichting uitgezien moet hebben. Frits de Ruyter heeft in zijn familie nog een paar vragen uitgezet. Het had gekund dat er tastbare zaken bewaard waren gebleven die nog in het bezit zijn van de familie. De kans was klein, en inderdaad, ook hier jammer genoeg geen resultaat.

Aanvankelijk leek het er op dat onze ‘Zeeuwse’ knoop vanaf 1700 in Nederland geïntroduceerd, gemaakt en gedragen werd. Met waarschijnlijk een Spaanse oorsprong, met mogelijk Joodse invloeden. Maar inmiddels lijkt het, op basis van wat op de diverse portretten te zien is, mogelijk dat de Zeeuwse knoop en voorlopers daarvan hier al in de 2e helft van de 17e eeuw in zwang raakte. Tussen 1670 en 1681 schilderde Gerard ter Borch ‘Jacob de Graeff in officiersuniform’. Op dit uniform zijn decoratieve zilveren knopen bevestigd die qua ontwerp een beetje in de buurt komen. Geen filigrain, maar wel met een granulen-achtige bovenkant.

Portret van Jacob de Graeff door Gerard ter Borch, 1670-1681

Jacob de Graeff door Gerard ter Borch, 1670-1681

Michiel de Ruyter als luitenant-admiraal Ferdinand Bol 1667

Rijen gouden en zilveren knopen te zien op het portret van Michiel de Ruyter, 1667

Op de kleding van Michiel de Ruyter en op die van zijn viceadmiraal Aert van Nes (portretten van Ferdinand Bol uit 1667 en Bartholomeus van der Helst uit 1668, Collectie Rijksmuseum Amsterdam) zien we eveneens rijen met gouden en zilveren knopen. Ze zijn het nog niet helemaal, maar gaan in de goede richting. Die van Van den Broucke lijken het meest.

Portret van Aert van Nes door Ferdinand Bol, 1667

Aert van Nes door Ferdinand Bol, 1667

Portret van Aert-van-Nes-door-Bartholomeus-van-der-Helst, 1668

Aert-van-Nes-door-Bartholomeus-van-der-Helst, 1668

De tweede helft van de 17e eeuw, onze Gouden Eeuw, lijkt de periode te zijn waarin verschillende soorten decoratieve (edel)metalen knopen mode werden voor degenen die het zich konden veroorloven. Ik vermoed dat er in die tijd weinig behoefte was om sieraden te dragen (inclusief gouden en zilveren knopen) die direct van de vroegere Spaanse bezetter afkwamen. De Tachtigjarige Oorlog eindigde immers nog maar kort tevoren, in 1648. Zij het dat het Plakkaat van Verlatinghe – ook wel de onafhankelijkheidsverklaring van Nederland genoemd en recentelijk verkozen tot Pronkstuk van Nederland – dateert uit 1581, waarmee een aantal provincies van de Habsburgse Nederlanden Filips II toen al afzetten als hun heerser (Wikipedia).

Er moeten in elk geval ook nieuwe ontwerpen zijn gemaakt. Het is goed mogelijk dat de waarschijnlijke voorloper van de Zeeuwse knoop, de Spaanse Charro knoop, vanaf de 60er of 70er jaren van de 17e eeuw via handelsactiviteiten werd geïntroduceerd door uit Spanje of Portugal gevluchte Sefardische Joden in onder meer Amsterdam en Middelburg, wellicht ook Rotterdam, en daar ook gemaakt werden, alsmede in Dordrecht en Schoonhoven.
En vervolgens evolueerde tot het streeksieraad zoals we dat nu kennen.
Door de Nederlandse boeren en vissers zouden in dit geval dus niet de hof kleding en -sieraden, maar die van onze zeehelden (zo blijf ik ze toch maar noemen…) kunnen zijn nagevolgd.

Van goudsmid Luis Mendez Lopez uit Salamanca kreeg ik november vorig jaar een aantal teksten die hij weer kreeg van de gemeente Salamanca. Hij had eerst navraag gedaan bij het Regionale Centrum voor traditionele studies in de regio Castilië en León.
In de teksten staat dat de Charro knoop, behorend bij de regionale streekdracht, gemaakt en gedragen werd en wordt in Salamanca, Zamora en de grensstreek met Portugal. En dat lang geleden in de sieradenworkshops van Astorga, León en Salamanca invloeden te zien waren van Joodse en Moorse goudsmeden, met filigraan en granulaat, zoals toegepast in de Charro-knoop. Die op hun beurt zijn afgeleid van decoratieve knopen uit de zestiende en vroege zeventiende eeuw.
Op naar Marokko en de Joodse gemeenschap daar? Misschien, ooit…

Trude de Reij

Middelburg, februari 2018

Spaanse Charroknoop gefotografeerd door Luis Mendez Salamanca

Spaanse Charroknoop gefotografeerd door Luis Mendez Salamanca


ordezeeuwseknop@zeelandnet.nl

English translation edition June 2017 : the-history-of-the-filigree-zeeland-button-by-trude-de-reij-epilogue (pdf-bestand)

Over de geschiedenis van de Zeeuwse knoop of: hoe een knoopje kan rollen : naschrift versie juni 2017 (pdf-bestand)

Meer informatie:
Dit is een gastblog van een couch traveler. Trude de Reij heeft de verre geschiedenis van de Zeeuwse knop onderzocht. Zij publiceert dit onderzoek op uitnodiging van ZB| Planbureau en Bibliotheek van Zeeland. Lees ook:
Deel 1
Deel 2
Deel 3
Deel 4
Deel 5
Deel 6
Deel 7

Twee bijzondere Zeeuwse aanwinsten

donderdag, 11 augustus 2016

In een tijd van krimpende budgetten, zijn schenkingen van weldoeners onontbeerlijk om de bijzondere collecties op peil te houden. Dat geldt niet alleen voor de restauratie van kwetsbare materialen, maar ook voor de verrijking van het bezit. Onlangs konden wij, dank zij de gulheid van een ons bevriend echtpaar, weer een tweetal waardevolle historische boekbanden toevoegen.

Middelburgse boekbinders

De achttiende eeuw vormde het hoogtepunt van de boekbinderskunst in Middelburg. Er zijn verschillende binderijen aan te wijzen, met ieder haar eigen stijlkenmerken. Aan de hand van bewaard gebleven exemplaren hebben die achteraf een naam gekregen. In de meeste gevallen is niet met zekerheid te zeggen wat de echte naam van de binder was. Het overgrote deel van de sierbanden is niet in Zeeland gebleven. Vele zijn via de verzameling van prins Willem V in de collectie van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag terecht gekomen.

Rode voorzijde boek met letters C.V.D.P.

Band gemaakt door een Middelburgse boekbinder, in opdracht van Hendrik Souvrijn voor Catharina van der Plassche (C.V.D.P.), 1765
Gefotografeerd door Ester van Dooren

Bloemenrolbinderij
De binders en de boekverkopers zaten in hetzelfde gilde. Zo was er een binderij die later de naam Bloemenrolbinderij gekregen heeft, en die van ca. 1765 tot 1780 gefunctioneerd heeft. Vermoedelijk werden deze banden in opdracht van de uitgevers Pieter Gillissen en Isaac de Winter gemaakt. Alle exemplaren hebben hun weg buiten de provincie gevonden.

Terug in Zeeland
Alle exemplaren? Nee, er is er een die kort geleden na eeuwen naar Middelburg terugkeerde. Hij werd in veilinghuis Bubb Kuyper te Haarlem aangeboden, en kon dank zij de hulp van onze weldoeners aangekocht worden. Er waren serieuze tegenbieders, maar we hebben het voor een redelijke prijs kunnen bemachtigen. De band is van rood marokijn (korrelig geiteleer) gemaakt met gouden opdruk. Markant is, vanzelfsprekend, de bloemenrol. Op het voorplat zijn de letters C.V.D.P. gestempeld. Die verwijzen naar de inhoud.

C.V.D.P.
Die heeft betrekking op de opdrachtgever van de band. Dat was de doopsgezinde heer Hendrik Souvrijn, die in 1759 van Amsterdam naar Middelburg verhuisd was. Hij trouwde met Susanna van Kraeymers, mogelijk een dochter van de ontvanger van kerke- en armegoederen in de doopsgezinde gemeente te Aardenburg. Zij was klaarblijkelijk eerder getrouwd met een Van der Plassche, van wie zij een dochter Catharina had. Souvrijn raakte zodanig gesteld op zijn stiefdochter, dat hij op haar dertiende verjaardag, op 20 december 1765, handmatig een gedicht voor haar opschreef. Hij liet dat bij de Bloemenrolbinderij in een luxe band vatten. De letters op het omslag zijn de initialen van Catharina van der Plassche.

Verjaardagsgedicht
Twee maanden daarvoor, in oktober 1765, had Souvrijn voor de verjaardag van zijn echtgenote ook al een gedicht geschreven. Dat zit als losse bijlage bij de prachtband, maar is zelf in een eenvoudig brokaat papieren omslag gestoken.

Gedicht 25-jarig huwelijk
Tot het kavel behoort ook een handgeschreven gedicht uit 1797, ter gelegenheid van het 25-jarig huwelijk van de zelfde Catharina met Hendrik Winkelman, uit de doopsgezinde gemeente van Vlissingen. Daar zit helemaal geen omslag omheen, maar ontleent zijn betekenis natuurlijk als toevoeging aan de prachtband voor Catharina’s dertiende verjaardag.

Psalmen uitgave

Van Hendrik Souvrijn en zijn vrouw Susanna weten we verder, dat ze rond 1780 samen alle 150 getoonzette psalmen van David opnieuw bewerkt hebben. Dat is in drukvorm uitgegeven, waarschijnlijk ten gebruike van de Doopsgezinde Broederschap, en is uiterst zeldzaam. De ZB bezit helaas geen exemplaar.

Souvrijn
We hebben wel een ander handschrift van Souvrijn, namelijk een gelegenheidsgedicht voor het huwelijk van David van Visvliet en Susanna Elisabeth Sluijmer te Middelburg in 1777. We kunnen aannemen dat hij oog had voor dichtkunst en (kerk)muziek.

Voorzijde band Kinderpligt en zinnebeelden, gemaakt in opdracht van het armweeshuis van Middelburg. Het stempel van het armweeshuys is duidelijk zichtbaar.

Voorzijde band Kinderpligt en zinnebeelden, gemaakt in opdracht van het armweeshuis van Middelburg.
Gefotografeerd door Ester van Dooren
.

Band armweeshuis
Op de zelfde veiling, en dank zij de zelfde gulle gevers, kregen wij nog een andere en kleinere band in handen, waarvoor geen tegenbieders waren. Zodoende bleef het bij een betrekkelijk laag bedrag. Het is een kleine leren band, ook met goudopdruk, vervaardigd in opdracht van het armweeshuis van Middelburg. Het is het derde exemplaar in onze collectie. Bij het eerste aanwezige exemplaar ontbreekt de opdracht, bij het tweede het hele voorplat, maar dit is geheel compleet. Het bevat het opvoedkundige dichtwerk “Kinder-pligt en zinnebeelden” door Johannes Hazeu Corneliszoon. De band werd in 1790 uitgereikt aan Jacobus de Roover, die waarschijnlijk in 1799 of 1800 op 22-jarige leeftijd overleden is. Voor een armweeshuis ziet de band er als extreem luxe uit. Latere prijsbanden uit de 19e eeuw zijn van veel eenvoudiger materiaal gemaakt.

Band gemaakt in opdracht van het armweeshuis Middelburg. Hij bevat: Kinderpligt en zinnebeelden / Johannes Hazeu Corneliszoon.

Band gemaakt in opdracht van het armweeshuis Middelburg. Hij bevat: Kinderpligt en zinnebeelden / Johannes Hazeu Corneliszoon.
Gefotografeerd door Ester van Dooren

Schatkamervitrine
Beide banden zijn de komende maanden te bezichtigen in de schatkamervitrine ‘Recente aanwinsten bijzondere collecties’ op de eerste verdieping van ZB, naast het inlichtingenbureau.

Wijze van schenken
Weldoeners kunnen hun gift op diverse manieren voldoen, maar de schenkers van deze banden hebben de volgende werkwijze gekozen. De ZB heeft bij de veiling het bedrag voorgeschoten. De schenkers hebben de exemplaren later persoonlijk aan de directeur overhandigd. Daarbij hebben ze een overeenkomst ‘periodieke gift in natura’ ondertekend, ook al wordt de gift financieel vertaald. Deze is te downloaden van de website van de Belastingdienst. De overeenkomst houdt in, dat de gift uit vaste en gelijkmatige periodieke verstrekkingen bestaat, die een periode van vijf jaar beslaan. Zodoende wordt een vijfde van de gift in die periode ieder jaar in mindering gebracht voor de inkomstenbelasting. Een constructie die zowel voor de schenker als de ontvanger aantrekkelijk is.

Literatuur:
Goud en velijn : Middelburgse boekbanden van de 17de tot de 19de eeuw / inleiding Ronald Rijkse ; door Jan Storm van Leeuwen … [et al]. – Middelburg : Zeeuwse Katernen, 1992. – (Zeeuwse katernen : vol. 9)
Dutch decorated bookbinding in the eighteenth century : vol. IIb / by Jan Storm van Leeuwen. – t’Goy-Houten : HES & De Graaf, 2006

Marinus Bierens, conservator.

Boeken die je niet wilt lezen (VI)

maandag, 30 november 2015

Inmiddels zijn we alweer toe aan het zesde deel van een serie waar zich steeds meer materiaal voor aandient in zowel bibliotheek als op het web.
Ditmaal wordt de blik weer gericht op de volwassen studieboeken en de literatuur; dat wil zeggen; boeken die veronderstellen dat we interesse zouden moeten veinzen voor de thema’s die de auteurs naar voren brengen. Gemakshalve heb ik voor de lezer een ander weer netjes categorisch ingedeeld.

Hobby
Arne en Carlos kenden we al uit vorige edities als de Noorse nichten die onvermoeid door blijven geitenbreien én schrijven, want net als op tv doen nichten-zonder-boodschap het erg goed in de media. Vandaar dat Arne Nerjordet en Carlos Zachrison inmiddels de volgende (vertaalde) titels aan hun oeuvre hebben toegevoegd: Noors breien, Poppen breien en ze Breien de bloemetjes buiten. Nu is er dan een zoveelste nutteloze uitgave die het goed moet gaan doen onder de kerstboom in Nederland en Noorwegen: Arne en Carlos Breien ditmaal op hun sloffen. ’Waarom heb ik dat niet bedacht?’, denk je als je net als iedereen ook op je sloffen rijk wilt worden. Ik durf er aardig wat onder te verwedden dat zelfs die brillen van Arne en Carlos door Hans Anders gesponsord zijn.

Arne en Carlos breien op hun sloffen

Dan van de vrouwen- naar de mannenhobbies. Als student geloofde Bart Huges (Amsterdam, 1934 – 2004) dat je eeuwig high kon zijn, door een gaatje in je schedel te boren. Hij deed het, vijftig jaar geleden op 6 januari 1965 in zijn woning in Amsterdam. In het archief van fotograaf Cor Jaring werden onlangs kleurenfoto’s gevonden van dit spektakel, waarin vooral de kleur rood veel expressiever naar voren komt dan in de, tot nu toe bekende, zwart-wit foto’s. Huges is met deze zelfoperatie zeventig geworden en overleed aan een hartkwaal, dus je kunt niet zeggen dat het ongezond voor je is om een gat in je schedel te boren, maar het geeft ook aan dat medische kennis en vooral precisie toch wel noodzakelijk zijn. Of Stewart Cowley die kennis ook bezit en of hij in Huges een inspiratiebron zag is mij niet bekend, maar het omslag van zijn Do-it-yourself brain surgery vind ik er toch iets te huis-tuin-en-keuken-achtig uitzien om nu met een beitel enige schilfers bot van mijn schedel af te gaan splinteren.

Omslag boek: Do it yourself brainsurgery

Krijgswetenschap
De krijgswetenschap is een vakgebied waarbij je al snel verdwalen kunt in deelgebieden van een zeer specifieke krijgswetenschappelijke afdeling. Helaas kon ik er geen plaatje bij vinden, maar Sir Francis Chichester schreef ooit de poëtische titel, ‘Bombing by star navigation. What can the air sextant do?’ Nu zou je je hierbij nog voor kunnen stellen dat dit een post fin-de-siècle verhandeling zou zijn met het oog op oorlogvoering in de lucht zoals die in de Eerste Wereldoorlog werd bedreven, maar niets is minder waar. Dit artikel stamt gewoon uit het atoomtijdperk. Ik mag hopen dat de wetenschapper zijn proeven met dummies uitvoert.

Toch kan het nog wat ongemakkelijker door ook je paard in de krijgsexercities te betrekken. Dat bewees Sergeant Rick Pelicano die in 2004 Bombproof your horse: teach your horse to be confident, obedient, and safe no matter what you encounter schreef. Dat de koek nog niet op was bewees hij in 2010 door het nog eens dunnetjes over te doen met Better than bombproof. New ways to make your horse a solid citizen and keep you safe. Nu zou je nog kunnen denken dat het hier om heuse ‘warhorses’ gaat en dat dit standaardliteratuur is voor het Cavalerie Ere-Escorte die op Prinsjesdag met een regiment van 53 Huzaren te allen tijde rustig moet blijven te midden van rookbommen- en theelichtjesgooiers, maar de lezer krijgt hier toch echt het idee dat het hier om een cursus voor tieners gaat.

Voorzijden boeken: Bombproof your horse en Better than bombproof

En dat terwijl we helemaal niet bang hoeven te zijn, tenminste, volgens het Ground Zero project! (maar wel al in 1982 gepubliceerd) dat Nuclear War, what’s in it for you? Uitgaf en daarbij de vraag stelde: Why do you feel scared with 10,000 nuclear weapons protecting you? Misschien dat Amerikanen er vanuit gaan dat bommen je altijd beschermen en je niet bedreigen, maar ik voel toch de twijfel knagen bij het lezen van dit soort als hypothetische vragen bedoelde schisma’s in de samenleving.

voorzijde boek: nuclear war: what's in it for you

Biologie
Snel over naar de bloemen en de bijtjes dan maar, dat lijkt een stuk gezelliger, hoewel het schijnt dat er heuse psychologische trauma’s schuil gaan achter ons groente en fruit. Het volgende boek lijkt een directe loot afkomstig van de Freud boom te zijn. Je zou ook denken dat het door een Dolle Mina is geschreven, maar wat met The anger of Aubergines: stories of women and food van Bulbul Sharma uitgegeven in New Delhi in 1997 aan te vangen is me niet duidelijk, tenzij het onvermijdelijke thema seks weer om de hoek komt kijken.

Voorzijde boek: the anger of aubergines

Dat de hoeveelheid literatuur over dat onderwerp nog lang niet eindig is bewijst de interesse van James K. Wangberg voor het seksleven van zesvoetigen in Six-legged sex. The Erotic lives of Bugs. Ook bij deze schrijver bevinden we ons weer op een dusdanig gespecialiseerd niveau dat het simpelweg weer lollig wordt dat er iemand is die daar honderden pagina’s over uitwijdt en dat die interesse door nog drie andere mensen op deze bol met zes miljard mensen wordt gedeeld.

Voorzijde boek: Six legged sex

Psychologie
Minder lollig zijn dan weer de vraagstukken in het leven die zo ernstig zijn dat je er liever helemaal niet over na zou willen denken, laat staan een boek over lezen. Toch schreef David Benatar Better never to have been. The harm of coming into existance. Nee, beter dan je dit soort levensvragen te stellen is het dan maar om dood te zijn zonder dat je het zelf door hebt.

voorzijde boek: Better never to have been

Ongetwijfeld kent u zelf een paar van die gevallen in uw omgeving, maar Gary Leon Hill wist er een complete studie aan te wijden met People who don’t know they’re dead. Nog belangrijker zijn natuurlijk zijn tips voor omstanders over het ‘hoe om te gaan’, met deze zombies. Hij wist overigens een passende omslag bij zijn publicatie te vinden.

Voorzijde boek: People who don't know they're dead

Nu we toch in de hoek van de schizofrene medemens beland zijn pakken we er nog maar een boek bij over mensen die in zichzelf praten. Lastig voor de omstanders, maar nog lastiger voor jezelf als je niet weet waar je het over hebben moet. Dat probleem is nu opgelost met het boek van Shad Helmstetter die met What to say when you talk to your self een. Er zijn kennelijk nog een kleine miljard potentiële zelftwijfelaars want zijn boek werd ook in het Hindi en Japans vertaald. Vervelender vind ik overigens dat ik regelmatig de bus moet delen met een persoon die ook niet weet wat hij zeggen moet en zijn dagelijkse beslommeringen die er al veertig jaar hetzelfde uitzien daarom met de buschauffeur deelt –die immers niet wegvluchten kan- maar die desondanks wel vijf kwartier in een uur weet te ouwehoeren.

Voorzijde boek: what to say when you talk to yourself

Dan zijn de volgende titels toch een stuk luchtiger van toon. Beide hypothetische vragen zijn eenvoudig te beantwoorden. Desalniettemin had Ian Punnett toch een kleine 190 pagina’s nodig voor het beantwoorden van de vraag How to pray when you’re pissed at God? terwijl iedereen weet dat bidden en boos zijn een combi is die beter vermeden kan worden; een en ander houd verband met het derde gebod.

Voorzijde boek: How to pray when you'r pissed at God

De volgende diagnose, gesteld door Hans-Joachim Neumann en Henrik Eberle is onderbouwd in 250 pagina’s en had evengoed de naam van een nieuw Discovery programma kunnen zijn. Over het Derde Rijk en de führer zijn natuurlijk al bibliotheken vol geschreven, maar met Was Hitler ill? A final diagnosis voegden beiden toch een geheel nieuwe dimensie toe aan een man van wie het toch al niet aan biografieën ontbreekt. Ook het complotdenken is beiden niet vreemd, want Adolf wordt hier voor een afgeleefde drugsverslaafde psychopaat versleten, terwijl de lezers van Time hem toch tot de man van de eeuw verkozen (de redactie haastte zich vervolgens snel om de wat politiek neutralere FDR die eer te gunnen). Het boek past natuurlijk wel perfect in het intellectuele klimaat van de jaren-nu, waarin we de zaken graag zwart-wit voorgespiegeld zien en de vraag beantwoord willen voordat we zelf na hebben moeten denken.

Voorzijde boek: was Hitler ill?

Seksuologie
Ook het seksuele aspect mag natuurlijk weer niet ontbreken in dit rijtje boeken. De omslag van het boek The lesbian s/m safety manual geeft in ieder geval precies wat je van de inhoud verwachten mag, maar of het ook veel lezers buiten de doelgroep aantrekt waag ik wederom te betwijfelen. Het gaat hier toch immers om een handboek waarin we de nodige technische vocabulaire en tekeningen mogen verwachten. Wat je dan weer niet verwachten zou is dat het boek door Patrick Califia geschreven is; een man dus. Al heb ik wel eens begrepen dat de Bouquetreeks ook door twee Arne & Carlos achtige types werd geschreven.

Voorzijde boek: Lesbian safety manual

Eigenlijk is ‘the manual’ nog een doorsnee boek als we Jon G. Hughes mogen geloven die met Celtic sex magic: for couples, groups, and solitary practitioners een voor de meeste mensen volstrekt onbekende wereld opent. Daarin lijkt het of de behoeften van de moderne mens rechtstreeks afstammen van tweeduizend jaar oude voorvaderen uit de Keltische wereld die met zijn allen naakt in de tuin achter hun plaggenhut een dansje deden rond de zonnewijzer.

Voorzijde boek: celtic sex magic

Diversen
Alweer enige jaren geleden besloten diverse backpackende auteurs dat de thematische reisgids wel door alle onderwerpen heen was, op eentje na, die van de toerist die de meest primaire van alle levensbehoeften moet uitvoeren en zich in het buitenland plots voor de meest bizarre en onsmakelijke situaties geplaatst ziet. In Het WC-boek; een onderhoudende reis langs toiletten over de hele wereld ziet de lezer het verschil tussen een toilet in Oeganda, Liechtenstein en Alaska; helaas laat dit boek vooral niet zien hoé die toiletten er vanbinnen uitzien en meer in het bijzonder ontbreekt de exotische geur aan de pagina’s.

Voorzijde boek: WC boek

Een ander boek in deze categorie exotische onderwerpen gaat over de urban jungle; over verdwaalde winkelwagentjes, meer in het bijzonder de exemplaren van oostelijk Noord-Amerika. Dat doet vermoeden dat er een hele reeks over de gehele VS van zou bestaan, maar auteur Julian Montague heeft na zijn eigen heemtuin te hebben afgestruind tot nu toe vermeden met nieuwe publicaties op de proppen te komen. Wellicht dat een archeoloog uit het jaar 2465 bij het vinden van deze ijzeren vehikels met vier kleine wieltjes veel steun heeft aan dit boekje bij het determineren van zijn of haar vondst, wat mij betreft worden er kerstservetten van deze papierpulp gemaakt.

Voorzijde boek: Stray shopping carts

Logopedie/Dramaturgie
Een boek waarbij titel en omslag weer bijna perfect bij elkaar komen is Italian without words van Don Cangelosi en Joseph Delli Carpini. Vooral het houthakkersbloesje met daaroverheen een stoffen vestje doet het erg goed in combinatie met de snor van de nep-Italiaan die duidelijk uit oostelijker streken dan de Adriatische Zee komt. Iedereen die wel eens een slechte b-film over de maffia, zoals Mickey Blue eyes, heeft gezien weet precies wat hiermee bedoeld wordt. Zo goed zelfs dat je na de omslag de rest van het boek niet meer hoeft te lezen.

Voorzijde boek: Italian without words

Boeken en context
Tot besluit nog een aantal boeken die op zich helemaal niet zo vreemd zijn, maar dat in de context waarin ze worden gelezen wel zijn. Zo stond onderstaand boek met de wervende jaren ’10 titel; Why men love bitches, waarschijnlijk een paar plankjes te laag in de boekwinkel, waar het voor deze kleuter die het alfabet net machtig is een mooie prooi vormde, want één woord kende hij via MTV natuurlijk al. Inmiddels heeft auteur Sherry Argov ook Why men marry bitches het licht doen zien, maar ook daarmee wil ik niet in de metro gezien worden.

Voorzijde boek: Why men love bitches

Verder blijkt er heuse poëzie voor je huisdier te zijn; meer in het bijzonder de hond. Sterker nog honden zijn er zo verzot op dat ze de poëzie letterlijk verslinden. Of de inhoud van het boek ook enige invloed heeft op deze leeshonger waag ik echter te betwijfelen. Waarschijnlijk zet deze hond met evenveel liefde zijn tanden in het boek van Sinterklaas.

Voorzijde boek: I could chew on this

Eentje die valt in de categorie “mijn naam is Dick de Cock, maar zoek mij niet op internet” is de volgende boektitel, waarvan de omslag nog strikt neutraal is, en de tekst dat ook kan zijn, maar in de Angelsaksische wereld wordt I love Dick door de meesten niet als verwijzing naar een naam maar als verwijzing naar een zelfstandig naamwoord geïnterpreteerd. Nu kun je dit boek op je gemak thuis lezen, maar als je het meeneemt in de metro kun je op blikken wachten zoals de buurvrouw van deze dame die op het slachtoffer werpt. Of zou het jaloezie zijn?

Voorzijde boek; I love Dick

Ook verwacht je van sommige mensen gewoonweg bepaalde interesses niet. Het is al vreemd dat mannen van boven de vijftig zich interesseren voor problemen van meisjes, maar als je onderstaande man gebiologeerd in White girls problems over de shopverslaving van een blanke tiener ziet lezen ga je jezelf toch afvragen welk beroep of mogelijk welke niet-zo-frisse hobbies hiermee verband kunnen houden.

Voorzijde boek: white girls problems

Tot besluit nog enkele merkwaardige stunts van collegae bibliothecarissen in het buitenland, zoals een geheel nieuwe wijze van presentatie voor de SISO 909 rubriek, die, dat kan niet ontkend worden, bijzonder veel recht doet aan de inhoud van deze boekenrubriek.

Boeken met de strek naar voren geplaatst. De rugtitels zijn onleesbaar. Er hang een bord mysterie boven de kast.

Dat bibliotheken kennisinstituten zijn die ook allerlei cursussen geven op het gebied van bijvoorbeeld analfabetisme is bekend. De vraag is alleen hoe je daarmee adverteert. Persoonlijk lijkt een radiospotje me daarvoor de aangewezen manier, maar daar dachten de medewerkers van de Openbare Bibliotheek van Burbank (Los Angeles) anders over. Een dergelijke banier valt natuurlijk wel op, tenminste … als je lezen kan.

Voorzijde boek: Never too late to read

Dit was voorlopig de laatste blog in deze reeks, maar zeg nooit nooit, de hoeveelheid tekstuele diarree die geproduceerd wordt lijkt vooralsnog een niet te stoppen stroom, waartegen het prettig roeien is.

Johan Francke
Informatiespecialist

Training interactief voorlezen

donderdag, 29 oktober 2015

Voor de derde keer op rij organiseerde de VoorleesExpress Walcheren de training interactief voorlezen voor een nieuwe lichting (vrijwillige) voorlezers. Alle dertig voorlezers in spé waren op hun vrije zaterdag, én voor velen ook de eerste dag van de herfstvakantie, voor deze training naar de bibliotheek gekomen, waaruit maar weer blijkt hoe serieus ze hun vrijwillige voorleestaak opvatten! Natuurlijk hebben we het eerst over het belang van (voor)lezen gehad, en dat (voor)lezen heel belangrijk is, en tegelijk ook nog eens heel erg plezierig is, werd vanzelfsprekend door allen onderschreven, anders zat men er immers niet.

mensen volgen de cursus interactief voorlezen

Dat je ’t liefst al vanaf babyleeftijd kunt beginnen met boekjes “voorlezen” En dan gaat het er uiteraard niet om zo’n boekje van begin tot eind voor te lezen, dat moge duidelijk zijn, het is gewoon iets waarmee je samen met het kindje plezier beleeft, je vertelt erbij, en je zegt wat het doet “ja, dat vind jij leuk he, om het boek op de grond te gooien”, of als het kind toevallig bij de bladzijde met daarop het eendje komt, zeg je “kwak, kwak, eendje”, en zing je uit volle borst “alle eendjes zwemmen in het water” en negen van de tien keer zal het kind daarop reageren door z’n hoofdje naar je toe te draaien, zo van, hee, das leuk, dat heb ik meer gehoord (want dat liedje zingt de juf bij de crèche ook). De klanken, ritme en rijm van de woorden vinden jonge kinderen leuk om te horen.

En heel belangrijk, vanaf jonge leeftijd ben je bezig met het opbouwen van een voorleesroutine, een goede dagelijkse gewoonte met het omgaan met boeken, belangrijk voor de taal- en spraakontwikkeling van kinderen. Het leidt ook tot een sterkere leesmotivatie (de wil om te (leren) lezen). Juist in boeken komen allerlei woorden voor, die het kind in de dagelijkse spreektaal niet zo vaak zal horen. Wist je dat kinderen door 15 minuten per dag te lezen (voorgelezen te worden) zoveel woorden lezen/horen (1 miljoen per jaar) dat ze uiteindelijk 1000 nieuwe woorden per jaar erbij leren!

Bij de training ligt de focus op het interactief voorlezen, dat is iets anders dan een boek er doorheen jassen. De kunst van interactief voorlezen is om dat zo te doen dat kinderen oplossingsgericht gaan na- en meedenken over wat er gebeurt in het verhaal, dat ze onder woorden brengen wat ze beleven bij het verhaal en wat ze kennen uit eigen ervaring.
Daar zijn een aantal tips en trucs voor, bijv. het stellen van open vragen, waarop je als kind dan vrijelijk kan reageren, mits je natuurlijk al over redelijk wat actieve taal beschikt.
Maar ook heel jonge kinderen, die nog in twee-woord-zinnen praten, of kinderen met een andere moedertaal, die nog te weinig Nederlandse woorden/taal tot hun beschikking hebben, kun je betrekken bij het verhaal d.m.v. aanwijsvragen en ja/nee vragen te stellen of adequaat te reageren op hun lichaamstaal: “ja, Muis poetst ook zijn tanden, net als jij, he. Laat maar eens zien, hoe jij dat doet” (of, pak je tandenborstel maar eens, en andere voorwerpen uit het boek).

Door daarnaast ook met de kinderen naar de voorkant van het boek te kijken, de titel van het boek voor te lezen en hen vervolgens te laten voorspellen waar het boek over zal gaan, en door hardop denkend voor te doen hoe je oplossingen bedenkt voor “het probleem” in het verhaal bereid je hen op een speelse manier voor op begrijpend lezen in de basisschool (het toekennen van betekenis aan geschreven taal), een vaardigheid die ze ook in hun latere leven goed moeten beheersen (denk aan allerlei overheidsinformatie, die we als volwassene voorgeschoteld krijgen).

cursussituatie waarbij een prentenboek wordt voorgelezen aan de cursisten

Het zal duidelijk zijn dat je juist met interactief voorlezen aan (jonge) kinderen nog meer effect bereikt op het gebied van onder meer de taalvaardigheid en woordenschat. Ook onderzoek toont deze effectiviteit aan, en dan met name door het dagelijkse voorlezen. Daarom hechten wij bij de VoorleesExpress veel waarde aan het model staan voor de ouders van het voorleeskind (er wordt twintig keer voorgelezen), want we streven ernaar dat de ouders gaandeweg het stokje overnemen (of een ouder broertje of zusje). Met z’n allen zorgen we ervoor dat we van die kleintjes grote lezers maken, waar zij heel hun leven profijt van zullen hebben!

Gastblogger Leni Beijer, Bibliotheek Vlissingen.
De training vond plaats op zaterdag 24 oktober 2015 in ZB.

Meer informatie over

Over minibiebs, leeskastjes en little free libraries

maandag, 17 augustus 2015

Vlissingen heeft al twee jaar een kleine gratis bibliotheek, in Meliskerke is vorige maand een minibieb geopend en in Middelburg-Zuid zijn drie leeskastjes in gebruik genomen.
Kleine gratis bibliotheken, leeskastjes en minibiebs: drie namen voor hetzelfde verschijnsel: een kastje aan een gevel van een huis of op een paal in een tuin waar mensen, 24 uur per dag, onder het motto ‘haal een boek, breng een boek’ gratis boeken kunnen lenen, ruilen, en achterlaten. Voor het gemak gebruik ik hier de term minibieb.

Little free library
Het systeem van gratis boeken ruilen is niet nieuw. In hotels, vakantiewoningen en op campings zijn vaak kastjes of planken met ruilboeken te vinden. Eén van mijn collega’s trof een kist met ruilboeken aan bij de plaatselijke boulanger in een Frans dorp. Ook zijn er zwerf– en kinderzwerfboeken. Het fenomeen minibieb in zijn huidige vorm is echter overgewaaid uit de Verenigde Staten, waar de little free library sinds 2009 bestaat.

Waarom beginnen mensen een minibieb?
Op www.minibieb.nl lees ik: ‘Minibieb werkt vanuit het idee dat je de samenleving met elkaar leuker kunt maken.’ De initiatiefneemsters van de minibieb in Meliskerke vertellen dat ze het lezen van papieren boeken willen bevorderen omdat ze zelf een grote liefde hebben voor het papieren boek. Zij delen de boeken die ze hebben gelezen liever met anderen dan dat zij ze op een plank stof laten vergaren. Anderen noemen de sluiting van (wijk)bibliotheken en boekhandels als reden.

Leeskastje Matthiasstraat Middelburg

Dat mag dan zo zijn, maar waarom zijn er dan minibiebs geopend in Meliskerke, Middelburg en Vlissingen? De plaatsen beschikken alle drie over een boekhandel (De Boekenmolen, De Drvkkery en ’t Spui). De bibliobus stopt in Meliskerke, Vlissingen heeft een bibliotheek met meerdere vestigingen en Middelburg heeft de Zeeuwse Bibliotheek plus de Biblioservicebus die elke vrijdagmiddag in drie wijken (waaronder de wijk met de leeskastjes!) staat. Met de boekvoorziening zit het daar dus wel snor.
Blijkbaar spreekt vooral de mogelijkheid om gratis veel boeken te kunnen lenen aan, en past de minibieb bij de deeleconomie die in opkomst is en bij burgerparticipatie.

De minibieb en de openbare bibliotheek
Sluiting van boekhandels en (wijk)bibliotheken worden genoemd als aanleidingen voor het starten van minibiebs. Die minibiebs kunnen echter nooit de plaats van een openbare bibliotheek innemen omdat ze afhankelijk zijn van wat gebruikers achterlaten: de zwakte van de minibiebs zit hem in de kwaliteit van het aanbod. Gelukkig pretenderen minibiebhouders niet dat zij een alternatief voor de openbare bibliotheek willen zijn.

Leeskastje Amnestylaan Middelburg

Tijdens mijn fietsrondje langs de Middelburgse leeskastjes trof ik naast een goed uitziende Inferno van Dan Brown, en Eten bidden en beminnen van Elizabeth Gilbert veel oude, versleten exemplaren en afgeschreven bibliotheekboeken aan. Dat vind ik jammer. Delen van boeken is één ding, maar je doet niet aan leesbevordering met oude –excusez le mot- meuk. De bibliotheek schrijft die boeken niet voor niets af. Dus minibiebhouders: kijk kritisch naar de inhoud van je kastje, en minibiebgebruikers: gebruik de minibieb niet als dumpplek voor oude boeken. Tot zover de boeken voor volwassenen.

Kinderboeken
Over naar de kinderboeken. Van dit plaatje op Twitter (van een minibieb ergens in Nederland) word ik heel verdrietig:

Twitter plaatje minibieb

De kinderboeken in het leeskastje op Kinderboerderij de Klepperhoeve (tevens Kinderzwerfboek-station) zagen er niet aantrekkelijk uit, in het leeskastje in de Matthiasstraat stonden afgeschreven bibliotheekboeken. Dat had Prinses Laurentien vast niet voor ogen toen ze het startsein gaf voor de actie Kinderzwerfboek.

Leeskastje kinderboerderij

Beste mensen, kinderen hebben recht op mooie boeken, en wil of kun je die niet kopen kom dan met je kind naar de openbare bibliotheek. Kinderen en jongeren tot 18 jaar kunnen gratis lid worden van de bieb, er lopen deskundige medewerkers rond die uw kind aan het juiste boek kunnen helpen. Het is namelijk één van onze –door de overheid vastgestelde- kerntaken om voor hen ‘een doorlopende leeslijn en een daarop aansluitende collectie’ te bieden. (De Bibliotheek van de toekomst).

Tot slot:
1. Beste wethouders en andere politici: lees het gedeelte over de vijf kerntaken in het document ‘De bibliotheek van de toekomst’ nog eens goed door. U zult beseffen dat de aanwezigheid van minibiebs in uw gemeente geen aanleiding kan zijn om te bezuinigen op de openbare bibliotheek in uw gemeente.

2. De minibieb is een willekeurige verzameling met boeken, daar is niks mis mee, misschien vind je er een leuk boek. Voor deskundig advies en een door professionals samengestelde collectie ga je naar de ‘maxibieb’, oftewel de openbare bibliotheek.

Henk Kosters
Afdeling Dienstverlening

IMSLP : toejuichen of weg ermee?

donderdag, 6 augustus 2015

Ik begin dit schrijven eerst maar met uit te leggen wat IMSLP is.
IMSLP is de Petrucci-library, een online bibliotheek met partituren die zich in het publieke domein bevinden. De website is gebaseerd op wiki-software.
Het IMSLP vindt dat muziek voor iedereen bereikbaar hoort te zijn. Met dat doel voor ogen is het project opgezet, om zodoende partituren kosteloos beschikbaar te stellen aan iedereen die internettoegang heeft. Het IMSLP bevat voornamelijk gescande partituren.
Het uiteindelijke doel van het IMSLP is om alle bestaande rechtenvrije muziekpartituren bijeen te brengen, naast de partituren van hedendaagse componisten die hun muziek vrijelijk aan het publiek beschikbaar willen stellen.
Na zijn start op 16 februari 2006 kende het IMSLP een exponentiële groei.
Op dit moment hebben ca. 96.000 composities partituren in de Petrucci-library.

Petrucci1

De meningen over IMSLP zijn verdeeld: Uitgevers zien hun afzetmarkten in gevaar komen, en laten muziekdocenten, (muziek) bibliothecarissen, muziekstudenten en actieve muziekbeoefenaars liever kennis maken met wetenschappelijke uitgaven, urtextedities e.d. dan met de vaak slecht leesbare scans van verouderde edities. De kwaliteit van de PDF’s is nl. vaak slecht.
(Een suggestie hierbij kan zijn om een link toe te voegen naar de originele bron, de zgn.“backlink”)

Petrucci2

Toch zijn er instanties die het project toejuichen zoals de Bibliotheque National de France. Deze bibliotheek heeft grote plannen met IMPLS; records van IMSLP gaan toegevoegd worden aan hun catalogus en komen via het programma Gallica vrij beschikbaar met zelf toegevoegde metadata.

Bij de Universiteit van Montana is IMSLP één van de mogelijkheden bij het raadplegen van bronnen, daarnaast wordt bij de introductie van de studenten gewezen op andere in de bibliotheek aanwezige edities.

De Sachsische Universitatsbibliothek heeft IMSLP in de catalogus verwerkt en zij hebben een speciaal teken toegevoegd aan de zoekresultaten zodat deze meteen herkenbaar zijn.
Kwaliteit van de toegevoegde metadata bleek wel magertjes te zijn maar na een proefperiode bleek toch dat men er blij mee is.

Uitgeverij Bärenreiter is daarentegen niet zo blij met IMSLP . Hun uitgaven zoals bijv. de New Mozart Edition zijn geupload en daarbij is de documentatie ervan verwijderd…
De toekomst van wetenschappelijke edities komt misschien in gevaar. Zijn musicologen nog bereid tijd in langdurige projecten te steken?

Toch blijft het voor grote bibliotheken de moeite om in onderhandeling te gaan met IMSLP om tot goede afspraken te komen.
Ik heb vernomen dat er plannen zijn van de Koninklijke Bibliotheek/Nationale Bibliotheekcatalogus om IMSLP aan te gaan bieden en ben benieuwd hoe ver dit gevorderd is. Volgens mij lijkt IMSLP een niet meer tegen te houden fenomeen.
Voor de bibliothecarissen het volgende advies : IMSLP: juich het toe! Zie het als een kans en zorg er tevens voor dat de eigen duurbetaalde edities niet ondergesneeuwd worden door de virtuele uitgaven!
De Petrucci-library is te raadplegen via de site van de Zeeuwse Bibliotheek onder het kopje: collectie – muziekcollecties : databanken of via http://imslp.org/

Rea Bensch
Domeinspecialist muziek

Bronnen: http://imslp.org/wiki/hoofdpagina
Artikel: IMSLP; Hurray of weg ermee van Luuk Hoekstra

De Zeeuwse taele

vrijdag, 31 juli 2015

Het Zeeuws is aan het verdwijnen. In 2003 werd nog in één op de vijf gezinnen thuis meestal Zeeuws gesproken. Nu is dat nog maar bij één op de zeven gezinnen het geval en dan vooral in reformatorische gezinnen en in de gemeenten Reimerswaal, Tholen en Borsele.

In 2003 was het ook onder volwassenen nog heel gangbaar om Zeeuws te spreken want de meerderheid van de Zeeuwen gaf toen aan regelmatig Zeeuws te spreken. Daarnaast zijn de gezinnen waar nog wel Zeeuws gesproken wordt heel specifiek; in bijna de helft van de reformatorische gezinnen wordt Zeeuws gesproken en gezinnen wonend in de gemeenten Reimerswaal (61%), Tholen (38%) en Borsele (30%). De afname van het Zeeuws vindt vooral plaats onder kinderen die op een protestant-christelijke school (7% in 2014 en 13% in 2006) en openbare school zitten (7%) in 2014 en 12% in 2006). Dit blijkt uit de in 2014 voor de vierde keer gehouden Jeugdmonitor enquête basisonderwijs onder leerlingen van de Zeeuwse groepen 6, vooral 9- en 10-jarigen. Aan de enquête in 2014 werd meegedaan door 2026 kinderen wat neerkomt op een respons van 46%.

Factsheet thuissituatie jeugdmonitor Zeeland 2014

Factsheet thuissituatie jeugdmonitor Zeeland

Op de stelling op de website van de PZC “Alle kinderen moeten Zeeuwse les krijgen” zijn de reacties exact fifty-fifty. Na publicatie van een paginagroot artikel in de PZC van woensdag 29 juli volgden veel reacties en vandaag, 31 juli, een heerlijke column van Maan Leo, die uiteindelijk waardering heeft voor de voorstanders van het dialect.

Nijntje an zee

Nijntje an zee

In de collectie van de Zeeuwse Bibliotheek zijn voor liefhebbers van de Zeeuwse taele mooie boeken te vinden. Voor de allerjongsten Kleine pluus, Nijntje ân zee en Opa en oma pluus van Dick Bruna in het Zeeuws. Ook boeken met aansprekende titels als: Uutstuuksels: spreuken en uitdrukkingen van Leuntje en Merien, Goed Zeeuws, goed rond, Oekse Praot, Mee smaek verteld. En natuurlijk het Woordenboek der Zeeuwse dialecten voor als je wilt weten wat bijvoorbeeld “flausjes” zijn en in welke dorpen of steden ze flausjes zeggen in plaats van smoesjes.

Vanaf nu tot eind augustus 2015 vind je in het Zeelandpaviljoen op de 1e verdieping van de Zeeuwse Bibliotheek/SCOOP een selectie van allerlei boeken, luisterboeken en CD’s met Zeeuwse muziek van de Lamaketta’s, Piet Brakman, Engel Reinhoudt en nog veel meer om te lenen of eens in te zien.

Bronnen:
Factsheet Thuissituatie van Zeeuwse Bibliotheek/SCOOP, 2015
PZC van woensdag 29 juli 2015 en 31 juli
• Boeken over Zeeuws in de Zeeuwse bibliotheken

Zeeuwse vlag

Zeeuwse vlag

Adriënne Withagen

Wie was Pieter Paulus toch?

dinsdag, 7 april 2015

Woensdagochtend 1 april om negen uur trad de heer Perry Moree als nieuwe directeur aan, met een toespraak in de aula voor het voltallige personeel van de Zeeuwse Bibliotheek en SCOOP. Al die tijd had hij een afbeelding geprojecteerd op het scherm achter hem. Het was een zwart-witportret van een meneer uit de pruikentijd. “Weet iemand wie dit is?” vroeg hij. Helaas was er niemand die het portret herkende. Het bleek om de van oorsprong Zeeuwse staatsman Pieter Paulus te gaan. Een figuur die de directeur duidelijk fascineert. Hij heeft dit portret zelfs in zijn werkkamer hangen. De politicus Paulus speelt een belangrijke rol in Moree’s proefschrift ‘Met vriend die God geleide’, over het Nederlands-Aziatisch postvervoer in de 18e eeuw.

Portret van man met pruik. Pieter Paulus, Secretaris van de Admiraliteit der Maas, 1754-1796

Pieter Paulus, Secretaris van de Admiraliteit der Maas, 1754-1796
Bron: Wikimedia commons

Pieter Paulus werd op 9 april 1753 in Axel geboren, als oudste telg uit een regentenfamilie. Hij ging op zijn twaalfde naar een kostschool in Den Bosch, kwam enkele jaren later terug naar Zeeland waar hij de Latijnse school in Vlissingen bezocht. Hij heeft op de universiteiten van Utrecht en Leiden voor advocaat gestudeerd. Dat vak heeft hij in Zuid-Holland uitgeoefend. Hij was verder vooral uiterst actief in de politiek, en eindigde in 1796 als eerste voorzitter van de Nationale Vergadering, die tijdens de Bataafse Republiek de Staten-Generaal verving.

Hij is een nationale bekendheid geworden. Het is niet nodig om hier zijn levensbeschrijving te geven. Die staat heel kort in de Encyclopedie van Zeeland, iets uitgebreider op de Wikipedia, en nog beter in ‘Levensberichten van Zeeuwen’ door F. Nagtglas. De meeste informatie is te vinden in: ‘Pieter Paulus (1753-1796), patriot en staatsman’ door E.J. Vles, uitgegeven door De Bataafsche Leeuw in 2004.

Korte Weststraat markt Axel. De markt uit Axel op een prentbriefkaart van honderd jaar geleden; het huis van de familie Paulus is het zesde pand van links met de verhoogde gevel.

De markt uit Axel op een prentbriefkaart van honderd jaar geleden; het huis van de familie Paulus is het zesde pand van links met de verhoogde gevel. Bron foto: Beeldbank Zeeland, Zeeuwse Bibliotheek

Axel was destijds een kleine stad, met nog geen duizend inwoners, maar wel met stadsrechten. Het nabijgelegen Terneuzen was toen nog maar een gehucht. Axeler Ambacht viel in de 18e eeuw onder de Generaliteitslanden, dat wil zeggen dat zij binnen de Republiek der Verenigde Nederlanden geen zelfstandig gewest konden vormen. Zeeuws-Vlaanderen, dat toen Staats-Vlaanderen heette, werd rechtstreeks vanuit Den Haag bestuurd. Het dagelijks bestuur over het Land van Axel werd echter waargenomen door de Staten van Zeeland. De bevolking was protestants, en voor een deel oorspronkelijk afkomstig van Walcheren.

De Nederlandse samenleving was in die tijd in twee kampen verdeeld: de patriotten en de prinsgezinden. ‘Patriot’ betekent eigenlijk ‘vaderlandslievend’. Nu waren beide partijen dat. Alleen zagen de prinsgezinden dat in samenhang met een belangrijke rol voor het Huis van Oranje, terwijl de patriotten die juist wilden beperken en uiteindelijk afschaffen. De prinsgezinden hadden hun aanhang vooral in de randgewesten, onder de oude aristocratie en bij het gewone volk in de grote steden. Beroemde types uit de prinsgezinde beweging waren twee volksvrouwen uit Rotterdam, die als Kaat Mossel en Ruige Keet de geschiedenis ingegaan zijn.

De Zeeuwse Bibliotheek bezit een grote collectie pamfletten juist ook uit die periode. Beide kampen bevochten elkaar soms met vuisten, maar meestal met papier. Ondergetekende is al jaren bezig om deze geschriften opnieuw te beschrijven en te voorzien van een onderwerpsontsluiting. Hopelijk zal over een paar jaar de complete collectie pamfletten op een degelijke catalogus terug te vinden zijn. Het is soms moeilijk om te onderscheiden uit welk kamp een pamflet komt. Meestal zijn ze anoniem. Soms lijkt een tekst de stadhouder-prins te verheerlijken, maar dan blijkt het uiteindelijk patriottische spot te zijn, geschreven door iemand die doet alsof hij prinsgezind is, maar die gezindheid eigenlijk belachelijk maakt. Lezers uit die tijd hadden het onmiddellijk door, maar wij in onze tijd moeten ons goed inleven.

De patriot Pieter Paulus trad in Den Haag tegen een andere belangrijke Zeeuw op, de prinsgezinde raadpensionaris Laurens Pieter van de Spiegel, die de carrière van zijn tegenstander tijdelijk wist te breken. Paulus heeft een beroemd pamflet geschreven: ‘Het nut der stadhouderlyke regering’, waarin hij juist het tegendeel trachtte aan te tonen. In feite was hij een van de theoretici van de patriottische beweging. Hij was welgemanierd en hoog ontwikkeld. Daardoor kreeg hij, zowel bij leven als lang na zijn dood, waardering van voor- en tegenstanders. Zelfs prins Willem V en zijn vrouw prinses Wilhelmina van Pruisen verdroegen hem vanwege zijn belezenheid, maar verwierpen zijn democratische denkbeelden. Hij, van zijn kant, had echter weinig behoefte om het prinselijke paar regelmatig te bezoeken.

Pieter Paulus heeft tijdens zijn Haagse carrière Zeeland niet vergeten. De strekking van zijn proefschrift was deze dat Zeeland bewester Schelde (het huidige Midden-Zeeland) krachtens middeleeuws recht bij Vlaanderen hoorde, en niet bij Holland. In de zelfde tijd schreef hij ‘Betoog van Zeelands regt tot het stigten eener hoogeschole’. Daarmee bedoelde hij een universiteit. Tevoren waren alleen pogingen gedaan om een ‘illustere school’ op te richten, wat we tegenwoordig een bachelor opleiding zouden noemen, maar deze zijn keer op keer gestrand. Ook zijn pleidooi leverde geen resultaat op. Voorts was Paulus een groot voorstander van de gelijkheid onder de mensen. Die overtuiging legde hij vast in: ‘Verhandeling over de vrage: in welken zin kunnen de menschen gezegd worden gelyk te zijn?’. Zijn antwoord was: alleszins. Dat betrof wat hem aanging, ook de slaven in de Nieuwe Wereld. In een tijd waarin Afrikaanse zwarten vooral als koopwaar gezien werden, legde hij er de nadruk op dat het mensen waren. Het spreekt vanzelf dat alle genoemde geschriften in meervoud in de Zeeuwse Bibliotheek aanwezig zijn.

Op de 1e maart 1796 werd Pieter Paulus tot eerste voorzitter van het democratische parlement gekozen. Dat ging gepaard met een optocht door de stad, waarbij hij blootshoofds door de nog winterse straten van Den Haag liep. Voor iemand die zijn hele leven een pruik gedragen had, bleek dit funest. Hij liep een longontsteking op, waar hij zestien dagen later aan bezweek. Directeur Perry Moree ziet Pieter Paulus als een lichtend voorbeeld. Het is alleen heel erg te hopen dat hij hem niet letterlijk navolgt …

Marinus Bierens
Conservator

Beeldende kunst in 3D

woensdag, 21 januari 2015

Bij beeldende kunst denken we heden ten dage meestal aan twee dimensies. Tekeningen, schilderijen, etsen en foto’s en reproducties daarvan zijn goede voorbeelden. De digitale wereld, het internet, filmkanalen, allemaal zo plat als maar mogelijk, op een beeldscherm weergegeven. Vroeger werd kunst juist vooral driedimensionaal vormgegeven. Beeldjes en sculpturen waren de meest voorkomende uitingen van artistieke expressie.

Het oude Egypte en de Griekse oudheid

Toetanchamon was een farao van de 18e Dynastie van het Oude Egypte. Zijn graf is de meest spaakmakende vondst. Ebbenhouten koningsbeelden, vreemd gevormd vergulde bankjes met leeuwenkoppen en met het hoofd van Hathor, betoverende juwelendoosjes, vazen van albast, sierlijk bewerkte stoelen, strijdwagens. Er kwam geen eind aan de lijst van opgeslagen spullen. De hoeveelheid was zo overweldigend dat de archeologen bijna 3 maanden nodig hadden om alles te catalogiseren, fotograferen en rubriceren. Voordat zij eindelijk op 16 februari 1923 toekwamen aan de eigenlijke grafkamer met de gouden sarcofaag.
toet1Het materiaal dat gebruikt werd in de beeldhouwkunst tijdens de  Griekse oudheid was marmer. De Griekse beeldhouwkunst heeft veel  aandacht voor het menselijk lichaam. Er zijn beelden van goden, maar  ook van ‘gewone’ mensen. Deze werden gemaakt na een bijzondere  daad van moed of een belangrijke sportprestatie. Dit waren meestal  mannen en ze werden ook meestal naakt afgebeeld. Vrijstaande beelden  stonden vaak rond tempels.

Moderne 3D technieken of ouderwets handwerk

Vladimir Bakun (1965), werd geboren in Zuid-Siberië. Zijn eerste  beelden werden bepaald door de uitgestrekte Siberische wouden vol  dennen, ceders, lariksen en berken. In de houthakkerskampen speelde hij tussen de hoge stapels gekapte bomen en deed er zijn liefde voor hout op. In de werkplaats van zijn vader, maakte hij kennis met de techniek van het verfijnde Russische houtsnijwerk. Na veel experimenteren ontwikkelde hij een speciale en unieke techniek waarbij hij de verborgen kern van het hout, vol nerven, kwasten, vezels en groeilagen weet bloot te leggen. Daarmee toont hij het hart van het hout. Die kopse kant van hout komt zelden naar voren. De vormen waar hij naar streeft zijn natuurlijke oervormen, soms met een mannelijk, dan weer met een meer vrouwelijk voorkomen.

In groot contrast daarmee is de werkwijze van Adam Lowe. De kunstenaar Adam Lowe en het collectief Factum Arte heeft met laserscanners, digitale fotografie en 3D printers kopieën gemaakt van de graftombe van Toeanchamon. Ook vazen, schouwen en andere voorwerpen die gebruikt worden voor decors in Hollywood worden gemaakt met de 3D printer en marmerstof. Op basis van achttiende eeuwse ontwerpen van Piranesi worden nu voorwerpen gemaakt met schitterende details.

In Zeeland is binnenkort ook een werkplaats met allerlei aparaten zoals 3D printers en een laserscanner. Een uitgelezen plek voor kunstenaars en ontwerpers om aan de slag te gaan met moderne 3D techniek. Wie meer wil weten over oude en moderne kunst kan natuurlijk ook in de Zeeuwse Bibliotheek terecht voor boeken, DVD’s en tijdschriften. De redactie van het tijdschrift Kunstbeeld heeft een speciaal nummer met de beste kunst van 2014. Daarin is aandacht voor de beste kunstmomenten, de beste musea, de beste kunstenaars, de beste kunstboeken, enzovoort.

cover kb12 best of kunstbeeld

Aanbevolen in de Zeeuwse Bibliotheek en in digitale bronnen:

Dijkgraaf, Robbert. Platte kunst. Kunstbeeld, jaargang 38 (2014), 12/1 , p. 71

Luigi Ficacci. Giovanni Battista Piranesi, the complete etchings (Het complete oeuvre van de Italiaanse etser, 1720-1778)

Materiaal over Toetanchamon 

Materiaal over beeldhouwkunst in de Griekse oudheid 

Materiaal over 3D printen

Informatie over het Fablab Zeeland

Expositie van Bakun

Adriënne Withagen