Archief van categorie ‘Erfgoed’

How to act at a distance in the early modern world

dinsdag, 26 mei 2015

The case of the Commercie Compagnie Middelburg

Op de vrijdag na Hemelvaartsdag vond in de Aula van de Zeeuwse Bibliotheek het eerste door de University College Roosevelt binnen onze muren georganiseerde symposium plaats. Dit symposium werd georganiseerd in het kader van de afronding van het werkcollege dat Dr. Arjan van Dixhoorn zijn derdejaars gaf. Dat werkcollege, ‘Zeeland and the Early Modern World’, had als doel het informatienetwerk van de Middelburgse Commercie Compagnie (MCC) te onderzoeken. Alle studenten (en dat waren er acht) gaven daartoe een presentatie.

TH vanuit Opal (Large)

Voor diegenen onder u die in 2014 in een grot in Tora Bora verbleven: de Middelburgsche Commercie Compagnie was in opzet een rederij die in 1720 tijdens de zogenaamde South Sea Bubble (een kredietcrisis op basis van verkoop van luchtkastelen) werd gesticht en pas in 1889 geliquideerd zou worden. Het bedrijf is vooral beroemd geworden omdat het complete archief van de bedrijfsadministratie bewaard is gebleven in het Zeeuws Archief (en inmiddels op de werelderfgoed lijst van de Unesco staat) en de MCC tussen 1734 en 1809 113 slavenreizen heeft ondernomen. Nu de opgewaaide bladeren in de vorm van het vraagstuk van de slavenhandel na vorig jaar weer rustig op de grond geland zijn, was het tijd om te bezien wat je zoal nog meer kan doen met een dergelijk bedrijfsarchief. Onder andere onderzoeken hoe de directie het klaarspeelde om wereldwijd haar ogen en oren open te houden en over de gehele globe haar kapiteins probeerde te dirigeren.

ZB9 100_3716

Om dat te onderzoeken werden de studenten in het diepe gegooid om voor het eerst in hun leven zelfstandig een wetenschappelijk onderzoek op te zetten en uit te voeren. Daarmee is enerzijds aangegeven dat de verwachtingen niet te hoog gespannen mogen zijn. Het gaat hier immers niet om volwaardige geschiedenisstudenten, maar om studenten die in de toekomst én nog moeten kiezen of ze wel onderzoeker willen worden én -indien ze dit pad van de alfawetenschappen bewandelen- ze dan ook nog geschiedenis willen gaan studeren. Anderzijds is van de UCR studenten hun bevlogenheid en bovengemiddelde intelligentie bekend. Aldus zie je op zo’n middag vaak rijp en groen voorbij komen.

100_3721

Anders dan bij andere symposia was het hier vaak wel een zaak van herkauwen. Daarmee bedoel ik dat de studenten door hun docent dan wel het bos in werden gestuurd, maar niet zonder allen een identieke picknickmand mee te geven. Dat betekent dat driekwart van hen de luisteraars in de Aula vergaapt op het gegeven dat in dat mandje is genuttigd uit Wolfgang Krohns, The dynamics of science and technology: social values, technical norms and scientific criteria in the development of knowledge. Dit met als doel het onderzochte te kunnen toetsen aan de theoretische onderbouwing en uitgangspunten.

Gelukkig blijft er nog genoeg unieks over om er toch een boeiende middag van te maken.

Hermanus van de Putte2

Hermanus van de Putte (1661 – 1724 ), regent en slavenhandelaar

Het aardige aan dit werkcollege is dat studenten van nu, die zijn opgegroeid met smartphones, tablets, internet en sociale media als twitter en facebook gaan onderzoeken hoe onze voorouders driehonderd jaar geleden hun informatienetwerk opzetten. De, althans voor historici, niet-verrassende uitkomst is dat wij weliswaar in een informatie- en communicatie samenleving wonen, maar deze niet uniek is voor onze eeuw. Deze bestond namelijk al bij aanvang van de Nieuwe Tijd, zo rond 1600. De MCC, zo bleek die middag, heeft handelsagenten  gehad in alle grote havens ter wereld in Rusland, Noorwegen, Engeland, Frankrijk, Spanje,  Afrika, de Caraïben, de Kaapverdische Eilanden, Madeira, de Azoren tot St. Helena toe. Deze wereldgeschiedenis van een Middelburgs bedrijf leent zich uitstekend voor een geschiedeniscollege van de UCR, want daar wordt ‘glocal history’ onderwezen vanuit het idee dat alles wat in de wereld gebeurt ook vanuit het lokale perspectief bekeken kan worden. Met andere woorden: om een systeem te begrijpen hoef je niet naar het ageren van staten te kijken, maar is het bestuderen van kleinere instituties, gemeenschappen, bedrijven en netwerken voldoende om het geheel te overzien.

MCC de Hoop Nieuwepoortstraat e

MCC De Hoop, Nieuwepoortstraat Middelburg

Het programma bestond uit een inleiding en slotopmerking van Prof. Dr. Arjan van Dixhoorn, zeven presentaties van twintig minuten door de studenten van het werkcollege en een korte film over het onderwerp. Daarmee was het een middag vullend programma dat van half twee tot kwart voor zes duurde. Net zoals met goede wijn in bijbelverhalen, werd ook hier het beste tot het laatst bewaard. Vooral de presentatie van Gina Leyva Freundt (de enige niet Nederlandstalige studente) over een handelsagent op Jamaica tussen 1738-1744 en die van Sjors Coenen over de correspondentie tussen het hoofdkantoor en kooplieden uit Marseille in de maanden maart tot en met juni 1733 brachten nieuwe zaken aan het licht.

Nestor Romero Clemente en Lewis Dean sloten af en brachten een geheel eigen bijdrage aan dit programma in de vorm van een korte film of teaser, waarin het betreffende werkcollege wordt aangeprezen. Eerder al bedacht Nestor een teaser voor een college van Prof. Dr. Albert Clement en een teaser voor de N8 van de n8 in Middelburg. Wat Nestor maakt met zijn huis-tuin-en-keukenapparatuur overstijgt het niveau van de gemiddelde documentairemaker van de NPO nu al. Wie de teaser van het college zag, weet dat Nestor in de voetsporen van David Attenborough treedt. We kunnen alleen maar hopen dat deze regisseur in spé niet geheel voor Zeeland verloren zal gaan, aangezien zijn opleiding, net als die van alle andere studenten van deze middag, is afgerond.

100_3718

Onder de pakweg vijftig aanwezigen bevond zich ook een afvaardiging van het Familiefonds Snouck Hurgronje. Met de leerstoel van Prof. Dr. Arjan van Dixhoorn is namelijk iets vreemds aan de hand; het is de enige leerstoel in Nederland die wordt bekostigd uit de opbrengst van een nalatenschap die in zijn geheel is geroofd van de Staat, of in dit geval de Staten van Zeeland, want de fraude werd al driehonderd jaar geleden gepleegd. Achteraf kunnen we er blij om zijn dat Isaac Hurgronje op deze wijze zijn rijkdommen alsnog teruggeeft aan hen van wie dit geld gestolen was: de gemeenschap, want het gaat om een niet onaanzienlijk bedrag van rond de zes ton in guldens.

Nu zijn er graaiers die daar tegenwoordig hun hand niet voor omdraaien, maar als we dit naar hedendaagse valuta omrekenen hebben we het toch over tenminste € 13,6 miljoen. Dat geld werd door de toenmalige vendumeester en later burgemeester van Vlissingen, achterovergedrukt uit de verkoop van tijdens de Negenjarige- en Spaanse Successieoorlog buitgemaakte schepen. Het Familiefonds houdt er thans toezicht op dat dit geld nuttig wordt besteed. Dat is wat mij betreft het geval, want hoe anders krijgt Zeeland ooit nog de kans toekomstige internationale wetenschappers bekend en enthousiast te maken voor de geschiedenis van dit gewest? Die kans mogen we na 1575 niet nog een keer door onze handen laten glippen.

 

Johan Francke, Informatiespecialist

Smakelijk rondje Zeeland

donderdag, 23 april 2015

terroirwalcherenennoordbeveland
Op 22 april verscheen Terroir Walcheren en Noord Beveland. Een boek over bijzondere, lokale producten van Walcheren en Noord-Beveland met adressen, recepten, fietsroutes en tips voor onderweg.

De rode draad is steeds bijzondere, smakelijke en eerlijke producten en de adressen waar je deze producten kunt zien groeien, proeven en ervaren. Maar ook adressen van ondernemers die graag met deze mooie producten werken.

De presentatie van het boek vond plaats bij het Aspergepunt aan de Abeelseweg in Middelburg. In het boek staan dan bijvoorbeeld een aantal restaurants waar je deze asperges kunt eten. En andere producten die bij het aspergepunt te koop zijn zoals aspergewijn en zoute boter van boerderij Hoogelande.zeeuwseknop

De Zeeuwse Bibliotheek heeft in het Zeelandpaviljoen een ruim aanbod met boeken over Zeeuwse koks en recepten. Van het Zeeuws Archief een boekje met oude familierecepten. Als je wilt weten wat ‘Pannevis mi wanten’ is, kijk dan in dit boekje met de titel Aan tafel!

Het Zeeuwse Knop Bakboek mag natuurlijk niet ontbreken in dit rijtje. Tinka Leene verzamelde recepten en verhalen uit Zeeland en de rest van de wereld. Wat dacht je van een Griekse yoghurttaart? Uiteraard in de vorm van de Zeeuwse Knop.

Over Zeeuwse zilte zaligheden verscheen Het oesterboek oesterboeken voor liefhebbers van zoetigheden is er Zeeuws zoet.

Zeeland kent veel goede restaurants, met en zonder Michelinsterren. Edwin Vinke van De Kromme Watergang bracht een boek met recepten uit: Zilt en een boek met verhalen en  foto’s van Zeeland afgewisseld met recepten: Zilte klei.

Ludo Haers schreef een culinaire biografie Bloewoste mee juun en een boek met korte verhalen en gerechten van (h)eerlijke producten: #meermoetaniezijn.

puurzeelandVan de hand van Sergio Herman zijn er inmiddels veel boeken verschenen. Puur Zeeland is er één van. Hierin neemt hij ons mee op een culinaire ontdekkingsreis langs lokale ingrediënten uit de duinen, schorren en polders en natuurlijk uit de zee en de Oosterschelde.

Adriënne Withagen,
Informatiespecialist

 

P.S. Hamel en de stenen olifant

donderdag, 20 november 2014

In 1884 schenkt consul-generaal P.S. Hamel uit Bangkok een beschilderd stenen beeldje van een olifant aan het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen in Middelburg. Het is een flink exemplaar met een bruin gekleurde huid en kleine oren die zo typerend zijn voor de Aziatische olifant.

tropenjarenomslag

Een foto van het beeldje verscheen zaterdag 15 november jl. in de Provinciale Zeeuwse Courant bij een artikel van Jan van Damme over het nieuw verschenen boek ‘Tropenjaren’ van oud-journalist Hans Walraven.

Walraven schrijft over het leven van zijn voorouder, de in Breskens geboren Pieter Simon Hamel. Zie hiervoor ook de column van Jan van Damme op zijn blog ‘Zeeland Geboekt’ en het blog van Hans Walraven ‘Terug naar Elmina’.

De olifant ziet er vandaag waarschijnlijk anders uit dan in 1884. Zijn linkervoorpoot is afgebroken en een ivoren slagtand is losgeraakt. Het heeft de tand des tijds niet ongeschonden doorstaan. Sinds de schenking maakt de olifant deel uit van de volkenkundige verzameling van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. De collectie is ondergebracht in het Zeeuws Museum in Middelburg. In de ‘Wonderkamers’ van het museum zijn veel van deze voorwerpen te zien.

Aan het einde van de negentiende eeuw was het gebruikelijk dat de leden van het genootschap schenkingen deden. Zo ontstonden verzamelingen van schelpen, opgezette dieren, munten en penningen, meubels en schilderijen, gesteenten en mineralen, boeken en handschriften, enzovoort. De meeste etnografische voorwerpen kwamen van Zeeuwen in het buitenland. Ze geven een tijdsbeeld van andere culturen, inzicht in gebruiken, gewoonten en ideeën en dienen (nog steeds) als object voor wetenschappelijk onderzoek.

Pieter Simon Hamel (Breskens 1845 – Berndorf am Rhein 1900)

Door het grondige onderzoek van Hans Walraven naar zijn voorouder zijn we meer te weten gekomen over deze tot nu toe onbekende Zeeuw. De schenker van de olifant blijkt een bijzondere man geweest te zijn.

Pieter Simon Hamel is de zoon van schipper Simon Hamel uit Breskens en Catharina Calandt uit Retranchement. Hij krijgt een unieke kans om verder te studeren en wordt onderwijzer, eerst in Dordrecht en later in Groede.

In 1869 trekt hij de wereld in en wordt benoemd tot hulponderwijzer in Elmina, de hoofdplaats van de Nederlandsche Bezittingen ter kuste van Guinea, aan de West-Afrikaanse kust: het huidige Ghana. Elmina is bekend vanwege het grote witte slavenfort aan de kust en het is de bestuurshoofdstad van het overzeese gebied.

ElminaIMG_9836

Tekening van het kasteel/fort Elmina (collectie Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen/Zeeuwse Bibliotheek)

Hamel maakt snel carrière en wordt er uiteindelijk consul. In 1880 volgt zijn benoeming tot consul-generaal in Siam (het latere Thailand) en in 1890 wordt hij consul-generaal voor Zuid-China en Formosa. Zijn standplaats is de Chinese vrijhaven Amoy. Er is nog veel meer te vertellen, zoals zijn belevenissen op zijn geheime reis door West-Afrika in 1877. Het originele reisverhaal, in bezit van auteur Walraven, vormde de inspiratie voor het boek ‘Tropenjaren’. Het is een bijzonder spannend verhaal. Maar ook de ontmoetingen met koning Chulalongkorn in Siam zijn bijzonder. Deze koning is de zoon van de koning uit het beroemde verhaal van Anna and the King of Siam.

KoningAmatifou

Op 10 augustus 1877 bezoekt Pieter Simon Hamel koning Amatifou in Krinjabo (Ivoorkust) (collectie Hans Walraven)

In 1900 overlijdt Hamel in Duitsland. Hij is enkele jaren daarvoor ziek terug gekomen uit China en krijgt een medische behandeling in Berndorf am Rhein. Zijn vrienden in Middelburg horen pas na enkele maanden van zijn dood.

En nu, sinds 15 november 2014, is Hamel is geen onbekende Zeeuw meer. Dat zag Frederik Nagtglas al veel eerder in 1901. Hij schreef een ‘in memoriam’ bij het overlijden van Hamel in de Middelburgsche Courant  van 5 januari: “Onder de merkwaardige Zeeuwen, die een voetstap nalieten in het zand van den Tijd, verdient Hamel een plaats”. Anno 2014 zouden we zeggen dat zijn naam opgenomen moet worden in de nieuwe digitale versie van de ‘Encyclopedie van Zeeland’.

IMP.S.Hamel

Het ‘In memoriam’ voor P.S. Hamel door F. Nagtglas in de Middelburgsche Courant, 1901 (collectie Zeeuwse Bibliotheek)

Handschriftencollectie

In de handschriftencollectie van het Zeeuws Genootschap, die bewaard wordt in de Zeeuwse Bibliotheek, zijn twee brieven van Pieter Simon Hamel te vinden.

In 1869 schrijft de 23-jarige onderwijzer uit Groede een brief aan de eerdergenoemde Nagtglas in Middelburg. Via de inspecteur van het Lager Onderwijs in Zeeland, C.M. van Visvliet, heeft hij hem een keer ontmoet.

Frederik Nagtglas (1821-1902) is in die tijd een bekend man in Zeeland. Maar Nagtglas is ook de broer van C.J.M. Nagtglas, gouverneur in het gebied van de Nederlandsche Bezittingen ter kuste van Guinea. Hamel is daar benoemd tot hulponderwijzer en staat op het punt naar Afrika te vertrekken. Hij vraagt of “WelEdel Heer” Nagtglas een goed woordje voor hem wil doen bij de gouverneur.

De tweede brief is uit 1884. Het is een emotionele brief en ook gericht aan Frederik Nagtglas. Hamel schrijft over het overlijden van zijn jonge vrouw, de Middelburgse Marie den Bouwmeester. Hamel en Nagtglas zijn in de tussenliggende jaren goede vrienden geworden. Hamel begint zijn brief nu met “Geachte Heer & Vriend”.

vrouweninelmina

Vrouwen in Elmina (collectie Hans Walraven)

In dezelfde handschriftencollectie zijn meer documenten te vinden uit de tijd dat Hamel in West-Afrika verbleef. Dat is te danken aan de schenking van een groot deel van het privé-archief van gouverneur C.J.M. Nagtglas aan het Zeeuws Genootschap. Naast brieven, kaarten, notities, prenten en kranten is ook een rapport van enkele Nederlandse ambtenaren te vinden, met een beschrijving van het Nederlandse gebied in Afrika. Over Elmina is te lezen hoe de omgeving er uit zag, welke mensen er woonden en waarvan zij leefden, hoeveel huizen er stonden en welke landbouwproducten er geteeld werden.

De stenen olifant uit Siam

Het moet beslist Frederik Nagtglas zijn geweest die Hamel heeft geattendeerd op het Zeeuws Genootschap. Nagtglas was naast bestuurslid ook bibliothecaris en conservator van de eerdergenoemde bijzondere verzamelingen. Telkens als Hamel op verlof is in Nederland bezoekt hij zijn familie en vrienden in Zeeland. In 1881 wordt Hamel lid van het genootschap en in 1884 volgt de schenking van de olifant. Heeft Hamel het beeldje zelf meegenomen en is het onderweg al kapot gegaan?

Hamel schenkt het genootschap nog meer voorwerpen waaronder een Chinees mandje van gevlochten bamboe, een verguld Boeddha-beeldje en een houten model van een op water drijvend Siamees winkelhuis. Dat laatste is te zien in de ‘Wonderkamers’ van het Zeeuws Museum.

Tentoonstelling ‘De tropenjaren van Pieter Simon Hamel’

Over het leven van Hamel is in het Zeelandpaviljoen van de Zeeuwse Bibliotheek een tentoonstelling ingericht. Daar ligt het originele reisverslag uit 1877, een negentiende-eeuwse jeneverfles als voorbeeld van de partij flessen die Hamel op zijn reis meenam om betalingen te doen, prenten over het leven aan de Goudkust, de brieven aan Fredrik Nagtglas en zijn familie en het rapport over Elmina. Ook liggen er schenkingen aan het Zeeuws Genootschap van zijn zwager H.P. den Bouwmeester, later wethouder van Middelburg, en natuurlijk die van Hamel zelf, waaronder de stenen olifant met zijn afgebroken poot en losse slagtand.

schatkamervitrinekast

De expositie is tijdens de openingsuren van de Zeeuws Bibliotheek in Middelburg te bezichtigen, tot en met 27 december 2014.

 

Liesbeth van der Geest, conservator oude drukken en bijzondere collecties

Over de geschiedenis van de Zeeuwse knoop of: hoe een knoopje kan rollen : deel 7: voorlopig slot

donderdag, 2 oktober 2014

Loesje kreeg inderdaad weer gelijk : de weg liep niet waar ik hem verwachtte

Gladde ring met stukje tekst zichtbaar: et emergo copyright Marielle Overdulve

Gladde ring. Zichtbaar is de gravure: ET EMERGO Copyright 2006-2014 Marielle Overdulve alle rechten voorbehouden

Ontknoping
De ontknoping van dit verhaal diende zich onverwacht snel aan.
Twee vragen waren blijven liggen. Over de ‘spider trail’, of hoe het oorspronkelijke ontwerp van de Zeeuwse knoop, met de spinnetjes, naar de Nederlanden liep. En wanneer we het plantje Astrantia ‘Zeeuws Knopje’ zijn gaan noemen.

Plant
Om met die laatste vraag te beginnen. In reactie op dit blog mailde Ans Kloet uit Borssele: ‘Als kweker van de plant Zeeuwse knoop kan ik je melden dat het vroeger de naam Sterrekruid droeg (uit een tuinboek van 1873). Kennelijk is daarna pas de naam Zeeuws Knoopje ontstaan. In de ons omringende landen heet het sterrenbloem of sterrenkruid’.
Mysterie opgelost. Dank je wel Ans. Met de naamgeving van het plantje is dus later hetzelfde gebeurd als eerder met de naamgeving van de knoop. De knoop kreeg rond 1915 zijn huidige naam. Het plantje op enig moment daarna, dus ergens de afgelopen 100 jaar. Wie precies weet wanneer mag het zeggen.

Spidertrail
Nu de eerste en belangrijkste vraag. De meest plausibele hypothese tot nu toe was dat de knoop in de 16e of 17e eeuw werd meegenomen naar de Nederlanden door de Spaanse bezetter tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Dat Spaanse klopt waarschijnlijk wel. Maar het was niet de Spaanse bezetter die hem meebracht. Een vriendin van een vriendin (dank Machteld en Magda) las het blog en vertelde dat in haar familie altijd is gezegd dat de Zeeuwse knoop ooit is meegekomen met Sefardisch Joodse vluchtelingen (Sefardim) uit Portugal/ Spanje.
Iets zei me dat dit waar zou kunnen zijn. Dus de virtuele koffers weer gepakt en op zoek gegaan naar parallellen in migratieroutes van de Sefardim en productieplaatsen van de knoop in Nederland.
Dit is het verhaal, met een volgens mij aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid.

Dank
Met dank aan het Joods Historisch Museum in Amsterdam (conservator mevrouw M. Knotter, en site); Zeeuwse Ankers/ Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (site); juwelier A. Rikkoert uit Schoonhoven; Historische Vereniging Schoonhoven (en site): de heren D. Mentink, L. Ouweneel en R. Kappers; meester-edelsmid C. Kuijf uit Schoonhoven – al meer dan 60 jaar ambachtelijk maker van de meest verfijnde Zeeuwse filigrainknopen – en edelsmid Marielle Overdulve/ Galerie Het Moment in Zierikzee. En hulpbron Wikipedia natuurlijk.

Het oude land, de oude tijd

Het land Kanaän

Het land Kanaän

De Joodse geschiedenis is uiterst complex. Dit blog leent zich niet voor een uitgebreide beschrijving. Maar het komt er op neer dat Joden uit het oude land van Kanaän waarschijnlijk al handelscontacten hadden met Spanje/ Portugal, men denkt vanaf 950 voor Chr. (De naam Kanaän komt behalve in religieuze geschriften, ook al voor in Egyptisch teksten uit de 16e eeuw voor Christus). Daadwerkelijke migratie naar Spanje vond plaats vanaf de Romeinse verovering van Israël in de 2e eeuw voor Chr. Toen de Romeinen de Joodse natie veroverden, werd een groot deel van de bevolking verbannen naar het Iberisch schiereiland (Spanje en Portugal), dat bekend werd door het Hebreeuwse woord SEPHARD, dat “ver weg” betekent. Daar komt ook de benaming Sefardisch en Sefardim vandaan.

Moorse overheersing
Ten tijde van de Moorse heerschappij over Spanje (vanaf 712 na Chr.) leefden de Joodse ballingen er in relatieve vrijheid. De situatie verslechterde als gevolg van de herovering (reconquista) van Spanje door de katholieke christenen op de Moren. In 1492 werden de Sefardim gedwongen Spanje te verlaten, dan wel zich tot het christendom te bekeren. Wie zich niet tot het christendom bekeerde vluchtte naar Portugal, het Ottomaanse Rijk of Noord-Afrika. Een kleinere groep vluchtte naar de Nederlanden, Frankrijk, Italië en Engeland. Overigens waren sommige Sefardim al vanaf 1391 naar elders, waaronder de Nederlanden getrokken.

Maranen
In tegenstelling tot de Spaanse joden die tussen 1391 en 1492 individueel hun keus tussen dood, doop of verdrijving hadden moeten maken, bleef de Portugese Joodse gemeenschap één geheel. Velen bleven in het geheim trouw aan hun Joodse traditie. Zij worden Maranen genoemd.
Een deel van de Joden in Portugal probeerde vanaf 1497 het land te verlaten, en zeker na de invoering van de Inquisitie in 1536 en de inlijving bij Spanje in 1580. De meeste Maranen vestigden zich in Brazilië, Italië, Zuid-Frankrijk, het Ottomaanse Rijk, maar ook in opkomende handelssteden als Antwerpen, Amsterdam, Hamburg en Londen. En in Middelburg.

Middelburg
In het Middelburgse huis van Marcus Perez kwam in september 1566 een verzoekschrift tot stand waarin koning Philips II om godsdienstvrijheid voor de Joden werd gevraagd. De koning werd een vermogen geboden in ruil voor godsdienstvrijheid. Omdat hij daar niet op in ging, werd het geld ingezet voor de gewapende opstand tegen Spanje. Op 18 februari 1574 gaf de Spaanse bevelhebber Mondragon Middelburg over aan de prins van Oranje. Vanaf 1588 waren de Joden vrij om hun eigen godsdienst in de stad te beoefenen.

Joodse geloofsgemeenten in de Nederlanden
In de nieuwe vestigingslanden kwamen de Sefardim gewoontegetrouw veelal in de handel terecht (geld, goud en zilver, diamant). In Nederland mede omdat de gilden (verbonden van ambachtslieden) tot 1792 geen Joden toelieten en er dus geen Joodse ambachtslieden werkzaam waren.
In de 17e eeuw ontstonden bloeiende Joodse geloofsgemeenten in het noordelijk deel van Europa. Ook in de 18e eeuw vestigden zich in de Nederlanden Joden in verschillende plaatsen.
De Sefardische geloofsgemeenten in onder andere Den Haag, Rotterdam en Middelburg ontwikkelden zich volgens het voorbeeld van de Amsterdamse ‘moedergemeente’.

Schoonhoven
Naast Sefardische Joden, kwamen Asjkenazische Joden naar Nederland. Zij waren vooral uit Duitsland afkomstig. Zilverstad Schoonhoven is één van de steden waar zij vanaf 1750 een gemeenschap vestigden. Naast het beroep van marskramer/ koopman (een kwart van de geregistreerde kooplieden in Schoonhoven was Joods) waren zij slachter en vleeshouwer. Enkelen van hen verdienden de kost in de goud- en zilverhandel en in de textiel.

Edelambachtshuys
Tegen het einde van de 19e eeuw nam het aantal Joden in Schoonhoven af. Eind jaren dertig van de 20e eeuw hield de Joodse geloofsgemeente in feite op te bestaan en werd in 1947 formeel opgeheven. De synagoge is verkocht en kreeg diverse bestemmingen. Sinds 1983 is in het gebouw het Edelambachtshuys, het museum voor zilversmeedkunst, gevestigd. De oude Joodse begraafplaats wordt zorgvuldig onderhouden. Schoonhoven is zuinig op wat ooit een heilige plaats was. Of eigenlijk nog is…

Zeeuwse knoop in opdracht

Zilveren knoopje met spinnetjes, uit 1700-1725 copyright P. Minderhoud

Oudst ons bekend ‘Zeeuws’ knoopje met spinnetjes, ca. 1700
copyright P. Minderhoud

Het waren tot de 19e eeuw dus noch de Spaans/ Portugese Sefardim noch de Duitse Asjkenazi die de ‘Zeeuwse’ knoop produceerden. Zij mochten immers tot 1792 het ambacht van edelsmid niet uitoefenen. Maar het is wel aannemelijk dat edelsmeden in onder meer Amsterdam, Schoonhoven en Middelburg deze knopen maakten in opdracht van Sefardisch Joodse stadsgenoten en/of geïnspireerd werden door wat er door marskramers/ kooplieden aan zilverhandel werd aangeboden.
De edelsmeden die zich gedurende de 19e, 18e en wellicht ook 17e eeuw in Middelburg vestigden waren veelal afkomstig uit Schoonhoven.

Tussen 1400 en 1700
Op basis van de migratie-jaartallen moet de eerste wat nu Zeeuwse knoop heet, dan ergens tussen 1400 en 1700 met de Sefardim mee naar de Nederlanden zijn gekomen en in hun opdracht door niet-Joodse edelsmeden zijn vervaardigd. Voor eigen gebruik en/ of als handelswaar.

Schoonhovense edelsmeden
René Kappers van de Historische Vereniging Schoonhoven bevestigt desgevraagd nog eens dat de Schoonhovense edelsmeden meesters waren en zijn in het namaken en vervolmaken van succesvolle bestaande sieraadontwerpen zoals de Zeeuwse knoop. En dat er in de Nederlanden een fijn vertakt handelsnetwerk was via Joodse familieverbanden.

Zeeuwse keelknopen copyright Ria Overbeeke

Zeeuwse keelknopen copyright Ria Overbeeke

Vervoerd over water
Edelsmid Cor Kuijf uit Schoonhoven vertelt dat al in de 16e en 17e eeuw Schoonhovense marskramers stad en land afliepen met buidels vol zilver. Middelburg was via het water relatief eenvoudig bereikbaar. Amsterdam idem. Antwerpen, Westfalen, de noordelijke provincies. Hij vertelt over met name Zeeuwse beurtschippers (een eufemisme voor jatgrage vissers) die nog wel eens het door hen gebeurde geld van naar Zeeland geleverde waren niet afdroegen aan de Schoonhovense kooplieden. Plaatsvervangend bied ik hierbij m’n excuses aan voor deze wandaden.
Kuijf maakt de sieraden nog steeds. Ze worden verkocht in de galerie in Zierikzee van edelsmid Marielle Overdulve, waar zij zelf aan een nieuwe generatie Zeeuwse sieraden werkt.

Salamanca
In de Spaanse stad Salamanca zijn 19e eeuwse knoopjes gevonden die veel lijken op de oudst bekende knoopjes in Nederland. In een reactie op dit blog, waarvoor dank, schrijft Flip Nieuwenhuize uit Middelburg dat hij enige tijd geleden tijdens een vakantietrip door Spanje, in Salamanca getroffen werd door de gelijkenis van de daar gemaakte sieraden met onze Zeeuwse knoop (en andere Zeeuwse sieraden). Hij noemt met name het atelier van Luis Mendez. In een folder van dit atelier wordt vermeld dat de technieken die zij gebruiken geïntroduceerd werden door “Greek and Phoenician colonisers of Spain and Portugal”.

De Etrusken, Syriërs en Joden worden in die folder, waarschijnlijk ten onrechte, niet genoemd. Het eerder genoemde land Kanaän waar al deze volkeren leefden, omvatte (delen van) het huidige grondgebied van Turkije (waar mogelijk ook de Etrusken oorspronkelijk vandaan kwamen), Syrië, Libanon, Israël en Jordanië, met een immens handelsnetwerk. Het gebied ligt op de overlappingszone van vier oude culturen: de Mesopotamische in het oosten, de Anatolische in het noorden, Minoïsch Kreta in het westen en de Egyptische in het zuiden. De invloed van deze culturen op elkaar laat zich raden. Iedereen dreef handel. Dus allemaal kunnen ze het basisontwerp met de spinnetjes uit het oude land hebben meegenomen naar Spanje. Ik vind het aannemelijk dat de Sefardim het als knoopje meenamen naar de Nederlanden en dan ergens eerste of tweede helft 17e eeuw. Ik baseer dat laatste op het in Nederland oudst bekende exemplaar dat is gedateerd ca. 1700 (zie foto op blz. 4 van P. Minderhoud). Uit de 16e eeuw en daarvoor zijn knoopjes met dit ontwerp vooralsnog niet bekend/ gedateerd. Wie meer of beter weet, mag het zeggen.

Zeeuwse knop, gladde ring met Zeeuwse knop gravure en ring met daarop Zeeuws knoopje copyright Marielle Overdulve en Cor Kuijf

Drie generaties Zeeuwse knoop copyright Cor Kuijf en copyright 2006 – 2014 galerie het moment Marielle Overdulve alle rechten voorbehouden

Het nieuwe land, de nieuwe tijd

In de nieuwe tijd maakt men in het oude land tijdens sektarische stammenoorlogen de ander nog steeds een kopje kleiner. Oude gewoonten zijn erg taai. Het debat en de dialoog ver weg. Plato en de zijnen kwamen uit oude stammen voort, leerden wat beschaving ook kan zijn, maar hun lessen bereikten het oude land nog niet.

Ondertussen proberen we in het nieuwe land onze kop erbij en boven water te houden. We worstelen en proberen te ontkomen, bijvoorbeeld aan het door eigen toedoen stijgende water. Een tweede uitspraak van Loesje hangt aan de muur achter mijn bureau. Ze zegt: ‘Ik twijfel en kom boven’. Loesje is een wijs meisje, ik hoop dat ze weer gelijk krijgt.

Tenslotte drie auteurs. Baruch Spinoza, ofwel Benedictus de Spinoza in Latijn, Bento de Espinosa of d’Espinosa in het Portugees. Nederlands filosoof, wiskundige, politiek denker en lenzenslijper uit de vroege Verlichting. Hij was de in Amsterdam in 1632 geboren zoon van Portugees Joodse vluchtelingen. De Amerikaanse psychiater en romanschrijver Irvin Yalom schreef een boek (roman) over hem: Het raadsel Spinoza (2012).
De derde auteur: Frans de Waal. Waarom? Daar mag u zelf achter zien te komen.

Sefardim en bolus
Wist u trouwens dat de Zeeuwse bolus, zoete lekkernij van deeg, bruine suiker en kaneel, zijn naam (en bestaan) waarschijnlijk (ook) te danken heeft aan de aanwezigheid van de Sefardim in onze provincie? Het Jiddische bole (dat ‘fijn gebak’ betekent) is afgeleid van het Spaans-Portugees bollo, dat fijn broodje betekent (Bron: Zeeuwse Ankers).

Ik herhaal mezelf toen ik april 2005 op het voorblad van een andere geschiedenis schreef: In the end this is (in de betekenis van ‘uiteindelijk is dit toch’) One world One people. Je kunt net zo goed zeggen ‘In the beginning this was…’. Dat weten we inmiddels dankzij het National Genographic Project. Kent u dat? Het bevestigt ook dat het metaforisch verhaal over Adam en Eva een kern van historische betekenis heeft. Erg interessant hoor. Google!

Trude de Reij, 1 september 2014
ordezeeuwseknop@zeelandnet.nl

English translation : The history of the filigree Zeeland button, characteristic of the regional jewellery (filigrain Zeeuwse knoop / Zeeuwse knop) (pdf-bestand)

Meer informatie:
Dit is een gastblog van een couch-traveler. Trude de Reij heeft de verre geschiedenis van de Zeeuwse knop onderzocht. Zij publiceert dit onderzoek op uitnodiging van de Zeeuwse Bibliotheek. Lees ook:
Deel 1
Deel 2
Deel 3
Deel 4
Deel 5
Deel 6

Kaartenbak met fiches

woensdag, 3 september 2014

Vakantie

Vorige week zag ik vanuit een klein dorpje in de Haute Marne (Frankrijk) in de verte de Saint-Mammès kathedraal van Langres schitteren in het avondlicht. Na een regenbui ging de zon schijnen en verlichtte zo de torens van de kerk. Wat een prachtig plaatje.

Langres

Langres in het avondlicht (foto: privécollectie)

De kathedraal wilde ik graag van dichtbij gaan bekijken en meteen de volgende dag liep ik in de Romaans-gotische kerk. Het zoeken naar kleine details in de kerk is aangenaam. Er moest ergens een koe gebeeldhouwd zijn, maar waar? Eindelijk vond ik haar in het topje van het koor. Ze was alleen met een verrekijker te spotten. Naast de kerk is nog een kloostergang te bewonderen en daar is tegenwoordig een bibliotheek gevestigd. Een dubbele reden om ook daar eens binnen te stappen.

Een bibliotheek in een kloostergang. Tot voor 1985 zetelde de Provinciale Bibliotheek van Zeeland in de abdijgebouwen van Middelburg. Stel je eens voor dat dat nog steeds zo was. Door de gangen lopend mijmerde ik daarover en ineens viel mijn blik op een rij kaartenbakken. Zoiets kom je niet veel meer tegen in bibliotheken. Vakantie of niet, ik moest er in kijken. De laatjes waren gevuld met tot in de hoekjes volgeschreven fiches. Niet helemaal toevallig bekeek ik het kaartje met informatie over Denis Diderot.

kaartenkastjeArland

Kaartenkastje in de bibliotheek Marcel Arland, Langres (foto: privécollectie)

Omdat ik toch al aan de oude Provinciale Bibliotheek van Zeeland dacht, deed het mij meteen denken aan het kleine oude kastje met fiches in de kluis van de Zeeuwse Bibliotheek. Het is opgeborgen in een klein hoekje, achter grotere ijzeren ladenkasten, dicht bij de oude en bijzondere drukwerken.

kaartenkastjeLiesbeth

Kaartenkastje in de Zeeuwse Bibliotheek (foto: LvdG)

Oude kaartencatalogus

Voor de automatisering van de bibliotheekcatalogus was dat bijzondere kastje met kaartjes zeer belangrijk en volop in bedrijf. Heel zorgvuldig werd er in gezocht en het kaartje dat je nodig had moest ook weer op dezelfde plaats teruggelegd worden. Alleen met speciale toestemming mocht er, alleen voor wetenschappelijk onderzoek (!), door anderen in de laatjes gezocht worden. Het zoekproces werd zorgvuldig in de gaten gehouden. Stel je voor dat het laatje om zou vallen…

In de laatjes zitten duizenden fiches en het functioneerde destijds als catalogus van de handschriftencollectie van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen. Die collectie wordt beheerd en bewaard in de Zeeuwse Bibliotheek en het kastje hoort er ook bij. Over die handschriftencollectie met onder andere brieven, aantekeningen en dagboeken schreef ik al eerder een blog.

honderdenfiches

Honderden fiches (foto: LvdG)

Alle 8000 handschriften zijn stuk voor stuk beschreven op fiches. Op het kaartje werden zoveel mogelijk gegevens gezet, zoals de schrijver, een titel of een omschrijving van het handschrift, datum en jaar, de grootte van het document, de herkomst of de naam van de schenker. Alles wat belangrijk genoeg was om te onthouden. De fiches zijn in de laatjes opgeborgen en gesorteerd op de naam van de schrijver. Er is ook nog een tweede catalogus. Het zijn dezelfde kaartjes, maar dan opgeborgen op de titel of omschrijving van het handschrift. Als je toen een specifiek handschrift zocht, dan was dat een langdurige zaak. Hoe anders is dat nu.

Digitaliseren

Alle teksten van de kaartjes zijn jaren geleden overgetikt en nu terug te vinden in de catalogus van de Zeeuwse bibliotheken. Je kunt meerdere zoekmethoden tegelijkertijd gebruiken en snel een overzicht krijgen van wat er precies in de collectie aanwezig is.

catalogus

Zoeken in de catalogus van de Zeeuwse bibliotheken (foto: Zeeuwse Bibliotheek)

Waarschijnlijk duurt het niet zo lang meer voordat de manuscripten gedigitaliseerd zijn en dan kan iedere geïnteresseerde de inhoud thuis (of waar dan ook) lezen.

Gelukkig zijn niet overal de kaartenbakken verdwenen. Sporadisch kom je nog een bijzondere kaartenbak tegen met een register, een catalogus of met notities. Vaak is dat op een afdeling bijzondere collecties van een grote bibliotheek of juist in kleine bibliotheken, zoals in Langres. Maar dat is zeker niet voor lang meer. Als je zo’n bakje ontdekt dan moet je er vooral eens inkijken en je verbazen over alles wat ooit op het kaartje is genoteerd.

Mijn dag in Langres kon niet meer stuk. Maar toen had ik de musea nog niet gezien! Een uitgebreid bezoek aan de stad kan ik zeker aanraden. Vergeet vooral niet de kloostergang naast de kathedraal te bezoeken.

 

Liesbeth van der Geest, conservator Bijzondere Collecties

Verder lezen?

Honderd jaar Leidse Boekjes

 

 

 

Hoe verwerven wij materialen ter uitbreiding van de bijzondere collecties?

dinsdag, 26 augustus 2014

Tot nu toe heeft de Zeeuwse Bibliotheek een klein budget in stand gehouden om de collectie van het oud bezit te blijven verrijken. Het gaat hier zowel om handschriften en oude drukken die in Zeeland vervaardigd zijn, als om materialen van algemene inhoud en herkomst.

Conservator Liesbeth van der Geest houdt Zeeuwse bijzondere exemplaren in de gaten. Ze volgt antiquariaten en veilingen om te zien of er iets interessants aangeboden wordt. Ze tracht titels die nog ontbreken, aan de collectie toe te voegen. Het kan echter ook voorkomen dat er een bijzonder exemplaar van een reeds aanwezige titel op de markt komt. Daarbij kan het om de band gaan, een handgeschreven opdracht of uitzonderlijke illustraties. Handschriften zijn natuurlijk altijd uniek. Maar wanneer het uitgesproken archiefmateriaal is, hoort het meer bij een andere instelling thuis. Soms is het bedrag zo hoog, dat het budget voor antiquarische aankoop van Zeeuwse drukwerken, boekbanden en handschriften niet toereikend is. In uitzonderlijke gevallen kunnen wij een beroep doen op weldoeners.

Tevens beheert Liesbeth van der Geest de collectie bibliofilia, hedendaags ambachtelijk drukwerk dat slechts in zeer beperkte oplage verschijnt. Vanoudsher was dit een zwaartepunt binnen de bijzondere collecties, maar tegenwoordig is het beschikbare budget zo gering dat de conservator een weloverwogen keuze moet maken.

Voor de grote collectie historische kinderboeken doen wij geen aankopen. Er komen af en toe schenkingen binnen, die we met veel genoegen aannemen en direct verwerken, maar er zijn geen financiële middelen tot uitbreiding.

Ik richt mij als conservator op oude werken van algemene, dus niet Zeeuwse strekking. Er wordt op internet, bij veilingen en antiquariaten, maar ook door particulieren een ontzaglijke hoeveelheid aangeboden. Bij het maken van een keuze daaruit, die financieel te onderbouwen is, komen er heel wat argumenten kijken.

Java05

Serat tapel Adam, Djokjakarta, ca. 1850, Handschrift 6488

Een belangrijke overweging is de samenstelling van de bestaande collectie oud bezit (drukwerken ouder dan het jaar 1801), zowel in eigendom van de Zeeuwse Bibliotheek als in bruikleen van bijvoorbeeld het Koninklijk Zeeuws Genootschap der Wetenschappen. Inhoudelijk ligt de nadruk hier op godsdienst, geschiedschrijving, letterkunde en in wat mindere mate op reisbeschrijvingen en medische wetenschap. De werken zijn gesteld in het Nederlands, Latijn en Frans, en veel minder in het Duits, Engels of andere talen. Dan dient de vraag zich aan: gebruiken wij de beschikbare middelen om deze onderwerpen en taalgebieden te versterken, of juist om de collectie te verbreden met hele andersoortige boeken? Iedere conservator heeft daar zijn of haar eigen ideeën over gehad, en heeft dan ook iets van die persoonlijke voorkeur in het aankoopbeleid laten weerspiegelen. Dat zorgt wel voor variatie in het geheel.

Ik kies voor verbreding en kijk welke onderwerpen tot nog toe naar verhouding karig bedeeld zijn, zoals bijvoorbeeld wis- en natuurkunde. Nu zijn oude boeken over deze onderwerpen betrekkelijk zeldzaam, dus is de keuze te overzien. Ook let ik op de taal. Onlangs is er een aantal 18e eeuwse boeken in het Zweeds de collectie binnengekomen. Hebreeuwse boeken zijn, ondanks zware nadruk op theologie, amper vertegenwoordigd. Een doorslaggevend argument kan ook iets puur cijfermatigs zijn, namelijk de vraag of de Zeeuwse Bibliotheek hier een voor Nederland uniek exemplaar verwerft.

Indische miniatuur 1

Indiaas handschrift, ca. 1850, PLA 313 C 3

Bij bijzondere collecties kan men niet van rendement spreken, maar toch houdt de conservator rekening met een breed publiek. Wat bij iedere aankoop meespeelt, is: hoe ziet het eruit in een vitrine? Kan het de aandacht van iedere willekeurige bezoeker trekken en enige tijd vasthouden? Kunnen we het gebruiken bij een tentoonstelling of presentatie? Met het oog daarop zijn er ook wat exotische handschriften binnengekomen. Een mooi vormgegeven koran, een Ethiopische schriftrol, Japanse hangprenten met tekst, of Indiase miniaturen.

Zoals met alles, is ook de toekomst van de bijzondere collecties in de Zeeuwse Bibliotheek ongewis. De aankoopbudgetten, onderdeel van het totale budget van de Wetenschappelijke Bibliotheek, zijn de laatste jaren evenredig verminderd. Of het in de toekomst nog mogelijk zal zijn om aankopen te doen, is de vraag. Misschien kan de collectie alleen nog door schenkingen verrijkt worden. Het is te hopen dat de oude drukken en handschriften in Middelburg voor Zeeland behouden blijven. Wat over Zeeland zelf gaat, moet natuurlijk thuis blijven en beschikbaar zijn voor alle inwoners van deze provincie. Maar ook de algemene werken mogen immer blijk geven van de brede belangstelling van Zeeuwen op alle gebieden van wetenschap en cultuur.

 

Marinus Bierens, conservator bijzondere collecties

 

Over de geschiedenis van de Zeeuwse knoop of: hoe een knoopje kan rollen : deel 6

maandag, 7 juli 2014

Bestemming nog niet helemaal bereikt

Ik ben nu op de kop af zes maanden onderweg. En deze zoektocht naar de verre oorsprong van de Zeeuwse knoop is nog niet afgerond. Een duidelijke plot laat namelijk voorlopig op zich wachten. Dat heeft te maken met een gebrek aan overtuigend bewijs voor één van de drie voorgestelde spidertrail-opties. Wat is het probleem.

Op organisch materiaal kun je koolstofdatering toepassen. Op metalen niet. Dus wanneer op sieraden meestertekens ontbreken (meestertekens maken datering van een sieraad mogelijk), kan er hooguit sprake zijn van indirect bewijs. Met andere woorden: wanneer metalen sieraden worden opgegraven samen met andere, wel via koolstof te dateren voorwerpen, dan kun je daar uit afleiden wat de vermoedelijke leeftijd van de in de buurt gevonden sieraden is. Wanneer die andere voorwerpen zijn vergaan en niet meer te dateren, dan is dus ook de leeftijd van de metalen vaak niet meer te achterhalen.

Maar er is hoop. Op Wetenschap24 las ik dat al meer dan tien jaar geleden Israëlische wetenschappers een manier hebben gevonden om de leeftijd van lood te bepalen. Oude loden objecten kunnen nu dus vrij nauwkeurig gedateerd worden. Het lijkt me een kwestie van tijd vooraleer dit ook mogelijk wordt met voorwerpen van goud, zilver, koper, brons en andere metalen.
Dan zal Loesje misschien haar gelijk weer eens krijgen met haar uitspraak dat de weg niet loopt waar je hem verwacht. Misschien zal dan blijken dat de spinnetjes geen van de drie voorgestelde routes hebben gelopen en dat het allemaal heel anders is gegaan.

Ik weet evengoed nu veel meer dan toen, in november 2013, in dat schitterende museum in Basel. Dat is onder meer dankzij de medewerking van een aantal al even enthousiaste als deskundige mensen uit verschillende Europese landen, die door hun kennis te delen me hielpen zelf ook een klein beetje deskundig te worden. En het mogelijk maakten deze kennis op mijn beurt weer met anderen te delen.
Ik hoop dat het effect van dit blog zal zijn, dat mensen zich melden die hiaten kunnen opvullen. Die meer kunnen zeggen over de bij wijze van hypothese voorgestelde ‘spidertrails’ in de 16e/ 17e eeuw van Noord-Italië naar de Nederlanden. (Dat zijn er tot nu toe dus drie. Via Spanje. Via één of meer midden Europese landen, waarbij mijns inziens Tsjechië en Slowakije in aanmerking komen. Of via de bovengenoemde langere derde route.)

Astrantia

En de mooie Astrantia van de bergweiden? Was zij de muze van een goudsmid? Ik ben het helaas niet te weten gekomen. Misschien blijft dat wel voor altijd een geheim. Het is in elk geval een niet-inheems plantje, dat het hier in Nederland heel goed doet. In al haar variëteiten. Er leeft in Nederland heel veel dat niet-inheems is en het in allerlei variëteiten heel goed doet. Het Zeeuwse knoopje mag daar wat mij betreft in het vervolg symbool voor staan.

Namenbank / netwerk

Ik wil graag een namenbank en netwerk/ kennisnet opzetten van mensen die over een beetje of veel kennis beschikken over de Zeeuwse knoop en andere klassieke of moderne Zeeuwse streeksieraden. Of die de traditionele Zeeuwse sieraden op één of andere manier, direct of indirect, een warm hart toedragen. Deze namenbank, dit netwerk doop ik met een knipoog de ‘Orde van de Zeeuwse Knoop’.
Je kunt je via het e-emailadres ordezeeuwseknop@zeelandnet.nl alvast aanmelden met je naam, woonplaats, telefoonnummer en reden van aanmelding. Een website is in de maak.
Je kunt er geen andere rechten aan ontlenen dan het lidmaatschap zelf. De enige ‘plichten’ die je hebt zijn het op feest- en hoogtijdagen dragen van een Zeeuws sieraad. En je kennis en enthousiasme delen met iedereen die dat wil.

Voor de mannen die de traditionele Zeeuwse knoop – ooit het toppunt van mannelijkheid en welstand – inmiddels te vrouwelijk vinden, een paar tips. Manchetknopen, naar het ontwerp van de oudhollandse holle keelknopen zoals eerder beschreven, of naar een karakteristieke Middelburgse knoop (die zowel op Walcheren als Zuid-Beveland werd gedragen en daarmee een echte Zeeuwse knoop is).

Zilveren knoop, niet opengewerkt 1828-1849, Zuid-Beveland of Walcheren

Zilveren knoop, vervaardigd 1828-1844 door de Middelburgse edelsmid C. Wendels
Bron: Nederlands openlucht museum, Arnhem

Een andere optie: een riem met een klassiek zilveren broekstuk als sluiting. Of een leren polsband met daarop een zilveren klepstuk bevestigd.

Mijn dochter heeft vorig jaar een grote zilveren Zeeuwse knoop laten ombouwen tot ring, waarbij de middelste dop is vervangen door een kleine blauwzwarte parel.

Zeeuwse knoop met in het midden een zwarte parel. Het is een moderne zilveren ring.

Voorkant ring met Zeeuwse knoop
copyright G.J. de Reij

Achterkant ring met Zeeuwse knoop in moderne setting

Achterkant ring met Zeeuwse knop
copyright G.J. de Reij

Trude de Reij, Middelburg, mei 2014

PS Nog een kijktip voor ouders, grootouders en leraren van opgroeiende kinderen,
van de week gezien:

De film Extremely Loud & Incredibly Close (2011). Een prachtig verhaal over willen weten, de magie van het zoeken, niet opgeven en de voldoening van het vinden. Over een jongen die op eigen benen leert staan, in het voetspoor en – aan het slot van de film – letterlijk in de schoenen van z’n vader.

Naschrift
In een reactie op het concept van dit blog reageert Jane Perry op de beschreven mogelijkheid van een Tsjechische en/of Slowaakse basis van de Zeeuwse knoop. Er blijken twee boeken te zijn waarin aannemelijk wordt gemaakt dat ook de knopen uit deze landen een Duitse, en daarmee feitelijk Nederlandse basis hebben. Ze trekt de claim van het Knopenmuseum in Baernau in twijfel: dat hun knoop een 16e eeuwse Bohemen achtergrond heeft. Ik heb haar geantwoord dat de optie van een Spaanse basis daarmee aannemelijker is geworden. Hoewel tot nu toe ook voor die theorie het bewijs ontbreekt.

De genoemde boeken:

Meer informatie:
Dit is het gastblog van een couch-traveller. Trude de Reij heeft de verre geschiedenis van de Zeeuwse knop onderzocht. Zij publiceert dit onderzoek op uitnodiging van de Zeeuwse Bibliotheek. Lees ook:
Deel 1
Deel 2
Deel 3
Deel 4
Deel 5
Deel 7

Over de geschiedenis van de Zeeuwse knoop of: hoe een knoopje kan rollen : deel 5

vrijdag, 4 juli 2014

Spanje

Jane Perry doet de suggestie dat het de Spanjaarden waren die hun knopen ‘introduceerden’ in de lage landen tijdens de 80-Jarige oorlog (1568 tot 1648). Dat lijkt plausibel, maar bewijs is er helaas niet. In west-centraal Spanje (Salamanca) zijn veel knopen gevonden die soms veel, maar vaak ook in mindere mate de kenmerken dragen van de Zeeuwse knoop. De spinnenpootjes ontbreken dan. De Spaanse knopen met een merkteken zijn van een veel latere datum.
De Spanjaarden (met tot 1700 Habsburgse vorsten) zaten in deze periode inderdaad ‘all over the place’. Maar wie zegt dat zij (of anderen) de knoop niet van elders hebben meegenomen naar Spanje en de smeden daar er hun eigen ontwerpen van maakten? Dat de knopen vanaf de 16e eeuw uit of via andere Habsburgse gebieden zoals Noord-Italië, Tsjechië (Bohemen) en Slowakije daar binnen kwamen?
Ik blijf vooralsnog bij mijn hypothese dat deze mogelijkheden ook bestaan. Ik leg uit waarom.

Op advies van Perry heb ik contact gezocht met Maria Antonia Herradon, werkzaam bij het Museo del Traje in Madrid, afdeling traditionele kleding en sieraden. Mrs. Herradon stuurt me een foto van een schilderij uit de collectie van het Prado, een portret van aartshertog Karel van Oostenrijk, geschilderd tussen 1608 en 1617. Volgens informatie van het Rijksmuseum (Amsterdam) was deze Don Carlos de tweede zoon van koning Filips III. Hij was twee jaar jonger dan zijn broer, koning Filips IV, en daarmee ‘infante van Spanje’. Op zijn jas een rij kleine bolvormige knoopjes. Helaas. Ze lijken niet op Zeeuwse knopen. Andere documentatie van 17e eeuwse Spaanse knopen lijkt er niet te zijn. Zoals gezegd ontbreken bij de latere, gedateerde Spaanse knopen nogal eens de spinnenpootjes en lijken opgebouwd uit alleen bolletjes en getordeerd draad.

Geschilderd portret van aartsbisschop Carlos van Oostenrijk. Op zijn kleding zijn heel veel knopen aangebracht.

Aartshertog Karel van Oostenrijk, geschilderd door Bartolome Gonzalez
Copyrigth Museo del Prado, Madrid

Vergroting knopen op jas van Carlos van Oostenrijk

Detail kleding Aartshertog Karel van Oostenrijk
Copyright Museo del Prado, Madrid

Al googelend – ik meen op trefwoord Schoonhoven – stuit ik begin februari op de naam Vivianne Veenemans. Zij is metaalconservator in Renkum en deed vanaf 2010 een promotieonderzoek naar Nederlandse streeksieraden. Ze schreef voor het Kostuum Jaarboek 2011 een artikel onder de titel ‘Een Engelse smaak voor (Nederlandse) streeksieraden’.
Ik ben maar zo vrij geweest haar te bellen en kreeg het artikel toegestuurd. Ze blijkt voor haar onderzoek ook in Londen, het Victoria & Albert museum te zijn geweest en kent Jane Perry vrij goed. ‘Ook vanuit Engeland ontstond een vraag naar de Nederlandse streeksieraden en die werden gedurende de tweede helft van de 19e eeuw een modeverschijnsel binnen de Engelse burgerdracht.’ In het artikel van Veenemans is te lezen dat Duitse goudsmidleerlingen in Nederland hun vak leerden. Over de Etrusken dus. En ze noemt de wereldtentoonstellingen waar de authentieke kunstnijverheid tentoon werd gesteld, waaronder die uit Italië en Nederland. Bij haar literatuuroverzicht valt mijn oog op het boek Schmuck, van Helena Johnova, Bratislava (Slowakije) 1986. Een boekenantiquariaat in Dokkum heeft het nog staan en eind februari ligt het bij mij op de mat. Waar zouden we zijn zonder Google!

In de tussentijd vraag ik de in Amsterdam gevestigde klassiek archeoloog en etruskoloog Mieke Zilverberg of zij misschien meer weet over de migratie van de Etruskische filigrain- en granulatietechniek, de ‘spidertrails’ noem ik ze maar, van Zuid- naar Noord-Europa.
Zij bevestigt dat de techniek begint bij de Etrusken, met als hoogtepunt de 6e-5e eeuw voor Chr. Voor verdere informatie verwijst ze naar Ruurd Halbertsma, conservator collectie Klassieke Wereld van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Halbertsma mailt dat hij op dat moment niets kan toevoegen. Maar doet dat later wel. Of het moet puur toeval zijn. Ik google in april nog eens op het trefwoord Etrusken en ineens komt er een pagina tevoorschijn op de site van het RMO met de titel ‘Het goud van de Etrusken’. Met informatie zoals hierboven opgenomen onder het kopje Etruskisch goud.

In het boek van de Slowaakse Johnova vind ik foto’s van een knoop die heel erg lijkt op die uit Bohemen van het knopenmuseum in Baernau (foto). En knopen (op een vrouwenkeurslijfje) die volledig identiek zijn aan de Zeeuwse knoop. Vindplaatsen Levice en Turiec. Gedateerd 19e eeuw. De “Zeeuwse” knoopjes hebben geen meester-/ merkteken en het is dus de vraag of de datering dan wel klopt. In theorie zouden ze veel ouder kunnen zijn.

Holle zilveren knoop opgebouwd uit 5 lagen kleine Zeeuwse knoopjes

Zilveren knoop uit omgeving Levice
Bron: Schmuck / Helena Johnova

In het boek nog meer foto’s van prachtige, heel verfijnde filigrainknopen. Merendeels zonder merkteken en allemaal gedateerd 19e eeuw (door wie?). Ik zou bijna gaan denken dat die datering gemakshalve is bepaald op de 19e eeuw en meer zegt over het moment van conserveren dan over de echte leeftijd van de knopen.
Nu zullen sommigen me betichten van wishful thinking. Immers, deze knopen kunnen evenals die in Noord-Duitsland en Scandinavië, ‘gewoon’ gebaseerd zijn op het oud Nederlandse ontwerp. En toch: volgens Jane Perry lijkt ‘de Slowaakse knoop in het boek, die lijkt op de knoop uit Bohemen’, erg veel op knopen uit Genua, Noord-Italië…
Misschien is mijn idee van een spoor vanuit Italië, via het oude Tsjechië Slowakije naar de Nederlanden, toch niet helemaal onzinnig.
En dan is er nog een derde mogelijkheid: een route Italië, Centraal-Europa, Spanje, Nederland.

Meer informatie:
Dit is het gastblog van een couch-traveller. Trude de Reij heeft de verre geschiedenis van de Zeeuwse knop onderzocht. Zij publiceert dit onderzoek op uitnodiging van de Zeeuwse Bibliotheek.
Lees ook:
Deel 1
Deel 2
Deel 3
Deel 4
Deel 6
Deel 7

Over de geschiedenis van de Zeeuwse knoop of: hoe een knoopje kan rollen : deel 4

donderdag, 3 juli 2014

Vervolgroute: Baernau/ Bärnau (Beieren), Bohemen (Tsjechië), Zurich, Londen, Madrid, Renkum, Amsterdam, Leiden, Bratislava (Slowakije).

Perry en Veenemans

Begin december zet Dagmar Butterweck van het Volkenkundig Museum in Wenen me op het spoor van een klein knopenmuseum in Baernau en van het Tiroler Landesmuseum in Innsbruck.
Begin januari beveelt Anna Lisa Galizia, curator van het Zwitsers Nationaal Museum in Zurich, van harte twee boeken aan van de Britse Jane Perry: A Collector’s Guide to Peasant Silver Buttons (uit 2007) en Traditional Jewellery in Nineteenth-Century Europe (2013).

Ze raadt me aan contact te zoeken met de auteur. Dat contact heb ik via LinkedIn kunnen leggen en daarna heb ik met mrs. Perry gedurende een maand of twee mailcontact gehad.
Zij verzamelt al heel lang boerenknopen (zoals zij die noemt). Sinds de afronding van haar fulltime carrière in advertising, reist ze veel en leeft ze zich helemaal uit in haar hobby. Ze is als gastonderzoeker verbonden aan de Metalwork Collection van het Victoria & Albert Museum in Londen en werkt daar mee aan het catalogiseren van de collectie traditionele sieraden. Het is een enthousiaste, gedreven vrouw, bereid mijn vragen te beantwoorden en kennis aan te vullen, ideeën in te brengen, theorieën te bevestigen of te ontkrachten. Vaak overtuigend, maar (gelukkig) niet altijd. Zodat er enige ruimte blijft voor discussie en sommige van mijn eigen gedachtenspinsels naar aanleiding van een latere vondst in Bohemen vooralsnog overeind kunnen blijven (zie volgend hoofdstukje).

Het werk van vrouwen als Jane Perry (en Vivianne Veenemans) verbreedt de kennis over onze landsgrenzen heen en zelfs de continentsgrenzen. (In Perry’s boek van 2007 onder meer de door Spaanse voorbeelden geïnspireerde knopen van de Navajo in het zuidwesten van de VS en Mexico.)
Hun werk maakt sommige verbanden zichtbaar tussen de (boeren) sieradenculturen in verschillende west Europese landen: Nederland, Duitsland, Scandinavië, Italië, Frankrijk, Spanje, Malta, Engeland. Over de link met de midden Europese landen lijkt iets minder bekend. Hier heb ik me een beetje extra in verdiept omdat ik vermoedde dat ook daar interessante gegevens te vergaren zouden zijn.

Het blijkt trouwens dat geen van de Nederlandse bibliotheken de boeken van Jane Perry in haar collectie heeft. Gelukkig kan bij de bieb het lezerspubliek een verzoek indienen tot aanschaf van nieuwe boeken. Dat heb ik gedaan en het is ingewilligd. Eind maart waren de twee gereed om te lezen. Toch heb ik toen ook zelf het boek uit 2007 gekocht. Het is een onmisbare bron en naslagwerk bij deze zoektocht en hoort om praktische redenen thuis in het privé stapeltje. Eigenlijk net als het boek 25000 Jahre Schmuck. Want daar begon het allemaal mee. Maar ja, dat is best duur. Nog even over nadenken.

Bohemen

Op de site van het knopenmuseum in Baernau vind ik een foto van een knoop die ook erg doet denken aan de Zeeuwse knoop. Andrea Bäuml, manager van het Deutschen Knopfmuseum Bärnau, vertelt dat deze afkomstig is uit Bohemen in het huidige Tsjechië. Daar werd dit type knopen al gemaakt in de 16e eeuw (!).

Knoop uit Deutsches Knopfmuseum Baernau, afkomstig uit Bohemen

Knoop uit Deutsches Knopfmuseum Baernau,
afkomstig uit Bohemen

Tot het eind van de 1e eeuw voor Christus werd Bohemen bewoond door het Keltische volk de Boii. Het historisch gebied kent een rijke geschiedenis. Zo werd het onderdeel van het Heilige Romeinse Rijk en later van het Habsburgse rijk. In 1918 wordt het onderdeel van de nieuw gevormde staat Tsjecho-Slowakije. Na de opsplitsing van dit land in 1993 werd Bohemen Tsjechisch grondgebied.

Tsja. Als het waar is dat het type knopen zoals uit het knopenmuseum in Baernau, in Bohemen al in de 16e eeuw gemaakt werd, dan kun je je met recht en rede (vind ik) afvragen of hiermee wellicht een oude thuisbasis van onze Zeeuwse knoop is gevonden.
Eerder vertelde Piet Minderhoud nog een aardig detail, staat ook in zijn boek. Namelijk dat de echte Zeeuwse granaten, die van voor de Tweede Wereldoorlog, ook uit Bohemen kwamen. Het één zal misschien niets met het ander te maken hebben, maar toch. Die handelsroute tussen daar en hier was er in elk geval. Zo zullen ook de oude Barnsteenroutes vanuit het Oostzee- en Noordzeegebied naar de Middellandse zeekust vice versa, die ook een vertakking hadden richting Antwerpen, voor meer handelswaren gebruikt zijn dan alleen barnsteen.

Handelsroutes en wereldtentoonstellingen

Kaart van West-Europa waarop de barnsteenroute aangegeven is

Barnsteenroute, handelsroute uit de oudheid
Copyright: Verbex

De meeste goud- en zilversmidateliers die in de Nederlanden van oudsher deze en andere knopen maakten waren te vinden in Holland, West-Friesland en jawel, toch ook in Zeeland, in elk geval in Middelburg/ op Walcheren. Goes weet ik niet.
De Nederlandse knopen bereikten Noord-Duitsland en later Scandinavië via zeevaart-/ handelsroutes (de oude Hanzesteden?). Ze kwamen mee met zeelieden, met vissers. Er waren ambachtsbeurzen. Edelsmeden verkasten soms naar een ander land of een andere streek. Of leerden het vak elders om daarna terug te keren naar hun geboortegrond. Beïnvloeding over en weer. Maar in de kuststreken van de Nederlanden lag er in elk geval en op z’n minst een belangrijke thuisbasis.

Vanaf 1851 waren er de wereldtentoonstellingen in Londen, Parijs, Wenen, Amsterdam, Antwerpen, Brussel, Luik, Milaan, Turijn en Gent (1913). Deze tentoonstellingen waren voor kunstverzamelaars een gelegenheid om hun collecties te tonen en/ of te verkopen en voor edelsmeden een gelegenheid om inspiratie op te doen. Zoiets als de Tefaf, de Pan en de Baaf dat nu zijn.
Er lijkt zoals gezegd een gelijkenis tussen de gouden mansbroches die omstreeks 1915 in Zeeland in zwang raakten en de Etruskische broches waar ik het eerder over had. Zouden in deze broches misschien dankzij zo’n internationaal evenement, Etruskisch en Hollands/Zeeuws opnieuw zijn samengekomen? Of is dat te ver gezocht?

En wat leert de geschiedenis van Bohemen ons nog meer? Het is het decor van het Habsburgse rijk met zijn legers en hofculturen. Wie waren het meest bepalend in de evolutie van deze sieraden, soldaten en adel, of de boeren en ambachtslieden? Hmm. Kom ik later op terug.

16e en 17e eeuw

We mogen er min of meer vanuit gaan dat in Europa vanaf de 16e en 17e eeuw zilveren en gouden boerenknopen in gebruik waren.

Perry: ‘Er is geen zekerheid over wanneer en waar knopen in enige vorm voor het eerst gebruikt werden. Ze maken nu overal deel uit van de kleding, maar in het verleden werden in veel culturen veters of spelden gebruikt om kleding vast te maken. Knopen werden in Europa voor het eerst modieus halverwege de 14e eeuw, samen met meer strak zittende kleding. Het is goed mogelijk dat knopen als zodanig hun verste oorsprong in ‘het Oosten’ hebben.
Het gebruik van knopen bij traditionele kostuums was aanvankelijk volledig beperkt tot Europa. Daarbuiten is het gebruik van boerenknopen het gevolg van Europese invloeden. Het is moeilijk te zeggen wanneer deze knopen als aparte, onderscheiden vorm voor het eerst verschijnen, maar het is onwaarschijnlijk dat dit later is dan 17e eeuw, wanneer de eerste in boerensieraden gespecialiseerde zilversmeden zijn geïdentificeerd. De oorsprong van de gebruikte patronen is vaak veel ouder. Er zijn echter maar weinig knopen bewaard gebleven, zelfs uit de 18e eeuw. En (zegt Perry), ik heb nog nooit een authentieke 17e eeuwse zilveren boerenknoop gezien.’

Piet Minderhoud gaf zijn boek Van de goudsmid uit in 2009. Dat is dus twee jaar na het verschijnen van het eerste boek van Perry. In zijn boek lezen we dat in Nederland die 17e eeuwse gemerkte knopen er wel degelijk nog zijn. Ze zijn wel heel zeldzaam. De knoop uit het museum van Baernau zou ook wel eens heel oud kunnen zijn, misschien wel 16e eeuws.

Mijn belangrijkste vraag was: waar ligt de bakermat van onze Zeeuwse knoop?
Van waar kwamen basistechnieken en ontwerp in de Nederlanden terecht?
Indirect uit ‘het Zuiden’ (Etrurië/ Italië). Maar hoe liep het spoor van daar naar hier? 

Meer informatie:
Dit is een gastblog van een couch-traveller. Trude de Reij heeft de verre geschiedenis van de Zeeuwse knop onderzocht. Zij publiceert dit onderzoek op uitnodiging van de Zeeuwse Bibliotheek.
Lees ook:
Deel 1
Deel 2
Deel 3
Deel 5
Deel 6
Deel 7

Over de geschiedenis van de Zeeuwse knoop of: hoe een knoopje kan rollen : deel 3

woensdag, 2 juli 2014

Spidertrails

Inmiddels weten we dus waar waarschijnlijk de bakermat ligt van filigrain en werken met granulen: in Syrië. En wat Europa betreft en de spinnetjes: in oud Etrurië/ Italië.
De vragen die er nog liggen zijn welke reis techniek en ontwerp vervolgens in Europa in noordelijke richting hebben gemaakt en wanneer ze daarbij voor het eerst werden gebruikt om knopen mee te maken.
En ook of de variaties van de knopen in de verschillende landen en streken nu wel of geen familie van elkaar zijn.
Tenslotte is er nog het plantje Astrantia, dat we in Nederland Zeeuws knoopje noemen. Waarom is wel duidelijk. Maar dit plantje is in Nederland en België niet inheems. Dat is het wel in Midden- en Oost-Europa en groeit daar vooral op bergweiden. Een oude inspiratiebron, zo niet hier dan toch wel waar het inheems is?

Bloeiende Astrantia, ook Zeeuws knoopje genoemd

Astrantia, ook Zeeuws knoopje genoemd
Fotograaf: Dominicus Johannes Bergsma

Om een antwoord op deze vragen te krijgen heb ik mailtjes gestuurd naar onder meer musea in Wenen, Berlijn, Hamburg, Innsbruck, Bearnau (Beieren), Zurich en later ook naar verschillende in Tsjechië. De Tsjechische musea reageerden aanvankelijk nauwelijks. De Kerstvakantie begint er vroeg en duurt er lang. Later, na rappelletjes, werd ik meestal doorverwezen van het kastje naar een muur van ‘experts’, maar kreeg op een paar na geen inhoudelijke antwoorden. Taal- en cultuurbarrière? En misschien is het ook wel luxe om je met knopen bezig te kunnen houden en die uitgebreid te documenteren. De reacties van de museummedewerkers uit de andere landen waren enthousiast, er werd meegedacht. Ze begrepen dat voor veel Zeeuwen en andere Nederlanders het leuk is om dit stukje geschiedenis verder te onderzoeken of er kennis mee te maken.

Van Christine Binroth, textielconservator van het Museum voor Europese Cultuur in Berlijn, kreeg ik direct een eerste reactie. Zij en een collega beheren onder meer de sieradencollectie van het museum en beschreven de geschiedenis ervan in 25000 Jahre Schmuck. De knopen op de cover maken deel uit van hun collectie en zijn onderdeel van de traditionele kleding op het Noord-Friese Waddeneiland Föhr (Noordzee, voor de westkust van de Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein). Ze hangen in een snoer van 10 of 12 grote zilveren knopen aan een borststuk, dat op een jak is vastgemaakt. Het sieraad wordt gedragen bij feestelijke gebeurtenissen zoals een huwelijk of tijdens de kerkgang.

Vrouw in streekdracht duits eiland Foehr. Met een ketting met 10 knopen die op Zeeuwse knopen lijken

Vrouw in streekdracht Föhr
Fotograaf: Amras wi

Binroth wijst me voorts op een catalogus uit 1979 van het Altonaer Museum in Hamburg, ook met foto’s van knopen die verdacht veel lijken op onze Zeeuwse knoop…

Ik mail het Altonaer Museum en krijg een verrassende reactie van textielrestaurateur Dominique Loeding. Zij vertelt dat er in 1940 een boek is uitgegeven van Anna Hoffmann ‘Die Landestrachten von Nordfriesland’. Hoffmann schrijft dat tijdens de 18e eeuw door bewoners van Föhr zilveren knopen werden geïmporteerd uit Nederland. Sommigen daarvan hebben merktekens van Amsterdamse zilversmeden. De bewoners van het eiland startten hun eigen productie rond 1800.
Hun zilveren sieraden, zoals de knopen, werden tijdens de 19e eeuw steeds groter en rijker versierd. De ontwikkeling van het toerisme was één van de bronnen van toenemende welvaart. Het fijne, bewerkelijke filigrain kwam in de plaats van massief zilverwerk. De knopen kregen er meer en meer een bolvorm.
Vergelijkbare zilveren knopen werden gemaakt in de regio Das alte Land (Altes Land), in de buurt van Hamburg. Voor zover restaurateur Loeding weet, droegen de mannen daar steeds vaker stadskleding/ burgerkleding, terwijl hun vrouwen de regionale kleding bleven dragen. Net als hier dus. Mannen droegen wel kleine zilveren knopen op vesten, maar niet zozeer als sieraad.

Gedetailleerde foto holle bolvormige knopen afkomstig van duits Noordzee-eiland Foehr, 18e, 19e eeuw

Holle, bolvormige knoop, uit Föhr, 18e, 19e eeuw
Copyright Foto: Museum Europäischer Kulturen der Staatlichen Museen zu Berlin – Preußischer Kulturbesitz, Fotograaf: Stefan Büchner

Exemplaren van de Altonaer catalogus uit 1979 bleken nog steeds beschikbaar. Vrijwel voor niets kreeg ik er vijf toegestuurd. Voor de bieb, voor de goudsmid, twee voor mezelf. En één voor het Zeeuws Museum, het Zeeuws Genootschap of de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland, mocht men er daar belangstelling voor hebben.
Ook in deze catalogus wordt melding gemaakt van de Nederlandse oorsprong van de zilveren filigrain knopen. Er staan verschillende foto’s in van knopen die afkomstig zijn uit Nederland, dan wel daar duidelijk door geïnspireerd zijn.
Op blz. 70 staat bovendien een foto van een paar holle, plaatzilveren Duitse keelknopen uit 1818 (onderkant plat, bovenkant bol, met een filigrain rozetje op de bovenkant gesoldeerd), dat vrijwel identiek is aan een aantal paren Nederlandse zilveren en gouden keelknopen uit het boek van Piet Minderhoud (blz. 101/ 102). De oudst bekende en bewaard gebleven Nederlandse zilveren paren stammen uit 1690/ 1700, de vroegste gouden uit 1725.

Meer informatie:
Dit is een gastblog van een couch-traveller. Trude de Reij heeft de verre geschiedenis van de Zeeuwse knop onderzocht. Zij publiceert dit onderzoek op uitnodiging van de Zeeuwse Bibliotheek.
Lees ook:
Deel 1
Deel 2
Deel 4
Deel 5
Deel 6
Deel 7