Kinder- en jeugdboeken zijn vroeger door bibliotheken van welk type ook, nooit systematisch verzameld. Het werd gezien als een niet volwaardig onderzoeksobject. Het was immers maar voor kinderen, was een gebruiksvoorwerp dat, na kapot gelezen te zijn, bij het oud papier terechtkwam.
Enig snobisme en dédain op dit gebied was de bibliotheken niet vreemd en zo zijn vele nu zeer waardevolle materialen verloren gegaan. Er waren alleen particuliere verzamelaars die het belang ervan wel inzagen, maar dikwijls is hun collectie na hun dood verspreid geraakt of verstrooid terecht gekomen in al bestaande particuliere collecties en tegenwoordig ook in bibliotheken.
Sinds de jaren zeventig, toen het kinder- en jeugdboek, volgens Kees Fens, werd ingelijfd bij de literatuur zijn ook bij bibliotheken de ogen opengegaan. De collecties die daarvoor een zeer lage prioriteit hadden wat betreft ontsluiting en conservering werden tot leven gewekt, en zo is ook op mijn instigatie onze collectie wakker gekust.
Op het eind van mijn loopbaan als conservator herinner ik me nog de situatie in onze toenmalige Provinciale Bibliotheek van Zeeland eind jaren zestig. Weggestopt achter in het magazijn op de roostervloer in een donker hoekje, een niet toegankelijk en doods bezit. Dat is door de ontsluiting, het maken van exposities, opname in het Centraal Bestand Kinderboeken en zeker ook door de digitalisering wel anders geworden. Gerenommeerde onderzoekers en verzamelaars als het echtpaar Buijnsters en de beide Fritsen, Huiskamp (helaas overleden) en Booy, hebben onze collectie bezocht en onderzocht voor hun respectievelijk baanbrekende studies en artikelen. En zij vonden er ware unica.
Aan de basis van onze collectie staan twee Middelburgse heren: Willem Henri Tak (1844-1910) en Willem Hendrik Bal (1880-1962). Zij legateerden hun omvangrijke verzameling, alles bij elkaar een paar duizend voornamelijk 19de eeuwse geïllustreerde kinderboekjes.
En zo heb je, zonder er wat voor te hoeven doen, met zulke heren gelijk een mooi startpunt voor een verdere uitbouw van je collectie die nu zo’n 16.000 bandjes omvat en circa 1600 kinderprenten.
Vele andere schenkingen volgden in de daaropvolgende jaren. Ik noem de Zeeuwse kinderboeken uit de collectie Meertens en de honderden 18de en 19de eeuwse kinder- en schoolboekjes uit het bezit van de voormalige Pedagogische Academie te Middelburg, die wegens verhuizing eind jaren zeventig op het punt stonden te worden weggegooid (!).

De jaren 2006 en 2007 waren topjaren wat betreft aanwinsten met respectievelijk zo’n 800 18de, 19de en vroeg 20ste eeuwse kinderboekjes en ruim 550 kinderprenten uit de collectie Landwehr en het legaat Marchien Hof, circa 6000 protestants-christelijke kinderboekjes uit de periode 1850-1950. Een kwalitatief hoogstaande verrijking van de collectie, want een behoorlijk aantal komt niet in een andere openbare collectie in Nederland voor.
Metamorfoze heeft een belangrijke rol gespeeld in de ontsluiting: in 1999 zijn ca. 1000 kinderprenten gedigitaliseerd en de collectie Landwehr was in 2008 aan de beurt. Uit de collectie Marchien Hof zijn in 2008 de 800 meest opvallende en belangrijke boekjes beschreven en ontsloten en momenteel worden er, op verzoek van Metamorfoze, zo’n 4000 geïllustreerde kinderboeken uit de periode 1850-1950 gedigitaliseerd.
De eens gesloten schatkamer is definitief geopend.
Ronald Rijkse, Ex-conservator Oud Bezit en Bijzondere Collecties
*Dit artikel is eerder verschenen in: Metamorfoze Nieuws / Koninklijke Bibliotheek, veertiende jaargang nr. 3, 2010
In 2010 is de Zeeuwse Bibliotheek begonnen met de digitalisering van de kinderboekencollectie in het kader van Metamorfoze. In december 2010 is de kinderboekensite onzekinderboeken online. De collectie kinderboeken van de Zeeuwse Bibliotheek wordt hierop ook beschikbaar gesteld.

















SLAZ-lezing 16 november: een avond met
Hoofdpersoon is het type van de Bijbelse aansteller: ‘Theo Kiers heette hij vroeger, voordat hij zich om artistieke redenen Sierk Wolffensberger is gaan noemen, wat toch heel wat beter klinkt.’
In onze tijd heeft hij een enigszins ouderwets aandoend beroep: hij is plaatsvervangend stadskoordirigent in de provinciestad H***, een stadje waar overigens zonder al te veel problemen Haarlem in te herkennen is. Maar onze Theo, of Sierk, beschouwt zichzelf eigenlijk als een groot componist, een groot kunstenaar. Hij heeft zojuist een groots muziekwerk gecomponeerd, getiteld Duisternissen. En dan is hij natuurlijk ook ongelukkig getrouwd.
Onze componist vindt in een verborgen nis in de kerk, waar Duisternissen zal worden uitgevoerd, een meisje, ‘Beertje’, dat een zelfmoordpoging heeft gedaan. Door zijn tussenkomst gaat ze niet dood. Maar Theo, alias Sierk, heeft wel het gevoel dat hij nu met dit meisje een grens heeft overschreden. Ze zijn in een ander gebied beland, een gebied dat zich ergens ná het leven bevindt, en daar ziet alles er anders uit. Als in een droom gaat hij er dan ook met dat meisje, aanvankelijk nog enigszins halfslachtig, maar later voluit, vandoor.
En daar is Thomése op zijn best, in het oproepen van de droom van de verwarde componist. Dan komen ook die kenmerkende zinnen van Thomése, met tientallen tegelijk: ‘Hij bestaat niet, dat moet het zijn, en door niet te bestaan maakt hij de gebeurtenis mogelijk. Het gebeurt door hem en tegelijk buiten hem om.’ Het zal niet goed aflopen, maar via de duisternis die Thomése weet te creëren, en via de blikken die we via die betoverende verteller krijgen in het hoofd van de ontspoorde koordirigent, krijgen we wel degelijk weer een andere kijk op onze eigen werkelijkheid. Met deze roman is het Thomése wederom gelukt alles er anders uit te laten zien dan je dacht dat het was.


